Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.2.2
5.2.2.2 Zwagerman (2001-2002)
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971992:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4, waarover Van Olffen 2012, in het bijzonder p. 378.
Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 1998, JOR 1998/167 (Zwagerman), r.o. 4.1. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 30 november 2000, JOR 2001/4 (Zwagerman), r.o. 3.1.
HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4.
Zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4.
Zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4.
Aldus ook Van Olffen 2012, p. 376.
Zie Van Olffen 2012, p. 376 en Bartman 2002, p. 41. Zie in bredere zin ook Tjong Tjin Tai (diss.) 2006.
Zie Tjong Tjin Tai (diss.) 2006, p. 97, waarover ook par. 5.3.1 hierna.
Zie par. 5.2.4 hierna.
Ik wijs bijvoorbeeld op het doorlopende informatierecht buiten vergadering uit Brouwer Bloembollen (par. 5.2.4.3 hierna) en het aan bestendig gebruikt ontleende informatierecht buiten vergadering uit Wagenborg Bulk Terminal (Hof Amsterdam (OK) 25 mei 2020, ARO 2020/114, r.o. 3.8).
De ontwikkeling van het informatierecht buiten vergadering kwam in een stroomversnelling als gevolg van de beschikking inzake Zwagerman. In deze beschikking bevestigde de Ondernemingskamer dat de vennootschap onder omstandigheden ‘bijzondere zorgvuldigheid’ dient te betrachten jegens haar aandeelhouders, waarbij de concrete invulling van die zorgvuldigheidsplicht afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. In bepaalde gevallen kan dit nopen tot informatieverstrekking, ook buiten een aandeelhoudersvergadering. De juridische grondslag voor deze zorgvuldigheidsplicht is gelegen in artikel 2:8 BW.1 De Ondernemingskamer overwoog in dit verband als volgt:
“De vennootschap betoogt terecht dat verzoekers niet, althans niet zonder meer aanspraak hebben op alle informatie omtrent het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en de met haar verbonden vennootschappen en ondernemingen in de omvang en de gedetailleerdheid zoals verzoekers deze blijkbaar wensen te verkrijgen. Niettemin dient te worden vooropgesteld dat de vennootschap jegens verzoekers – minderheidsaandeelhouders – een bijzondere zorgvuldigheid in acht heeft te nemen en meer in het bijzonder ervoor heeft te waken dat verstrengeling van belangen van de vennootschap met die van haar directie en/of haar meerderheidsaandeelhouder(s) – al of niet ten koste van de minderheidsaandeelhouder(s) – wordt voorkomen en dat zij in verband daarmee naar behoren opening van zaken dient te geven.”2
Deze overweging is in cassatie overeind gebleven. Hoewel de Hoge Raad daarbij niet expliciet aandacht besteedde aan de informatieverstrekking aan aandeelhouders, bevestigde hij wel de zorgplicht waarop de Ondernemingskamer haar oordeel stoelde:
“De Ondernemingskamer is klaarblijkelijk uitgegaan van de in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit deze regel vloeit onder meer voort dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval (…). Aldus verstaan geeft het bestreden oordeel van de Ondernemingskamer niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”3
De Hoge Raad overwoog voorts dat de uitwerking van deze zorgplicht afhankelijk zal zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij hij bijzonder gewicht hechtte aan de omstandigheden dat (i) het ging om meerderheidsaandeelhouders tegenover minderheidsaandeelhouders; en (ii) tussen de bij de vennootschap betrokken personen familierechtelijke verhoudingen bestonden.4 Die factoren leken tot de conclusie te leiden dat er eerder en meer zorgvuldigheid – en dus ook: openheid – zou moeten worden betracht.5
Ik sta kort stil bij het gebruik van de termen ‘zorgplicht’ en ‘zorgvuldigheidsplicht’. Deze beide termen lijken in de rechtspraak nog wel eens – onbedoeld – door elkaar te worden gebruikt.6 Het zijn echter geen synoniemen van elkaar; een zorgplicht is breder dan een zorgvuldigheidsplicht.7 Een zorgplicht strekt tot het beschermen of bevorderen van bepaalde belangen.8 Beschermen van een bepaald belang zal in de regel vergen dat een zekere mate van zorgvuldigheid wordt betracht, in welke gevallen een zorgvuldigheidsplicht ontstaat. De zorgvuldigheidsplicht volgt dus uit de zorgplicht, en niet andersom. In lijn met recentere rechtspraak van de Ondernemingskamer,9 hanteer ik in het navolgende de term ‘zorgplicht’. Dat komt mij juist voor, omdat een informatierecht buiten vergadering ook kan ontstaan in situaties waarin op zichzelf genomen geen bijzondere zorgvuldigheid van de vennootschapsleiding wordt gevergd.10