Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.5.1
6.5.1 Gedrag en emotie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vrij & Winkel 2002, p. 626.
Dit is vanzelfsprekend alleen relevant indien de beoordelaar de verklarende persoon ook ziet. In het Nederlandse strafproces is dat vaak niet het geval.
Vrij & Winkel 2010, p. 674.
Zo leiden Landström en collega’s af uit de literatuur (Landström, Granhag & Hartwig 2005, p. 914). Zie ook Vrij & Winkel 2010, p. 674.
Culturele verschillen spelen in dit verband ook een rol. Vrij & Winkel 2010, p. 668 en Vrij 2008, p. 179.
Zie voor overzicht van studies Vrij 2008, p. 161.
Kassin, Meissner & Norwick 2005, zie ook Vrij & Winkel 2002, p. 641.
Vrij 2008, p. 184.
Landström, Granhag & Hartwig 2005, p. 914.
Vrij & Winkel 2002, p. 640.
Vrij 2008, p. 149.
Landström, Granhag & Hartwig 2005, p. 929.
Vrij & Winkel 2002, p. 642-643.
Zie op dit punt uitvoerig Vrij 2008, hoofdstuk 15.
DePaulo, Lassiter & Stone 1982, p. 273.
Kassin, Meissner & Norwick 2005, p. 211.
Vrij & Winkel 2002, p. 640.
Een van de veronderstellingen die aan het recht ten grondslag ligt, is dat het aanschouwen van een getuige bijdraagt aan de beoordeling van diens verklaring. Veel onderzoek is verricht naar in hoeverre mensen in staat zijn om aan de hand van gedrag de oprechtheid van verklaringen accuraat in te schatten. Dit speelt uiteraard vooral bij de beoordeling van personen die bewust een onjuiste verklaring afleggen (en dus niet bij getuigen die zich oprecht vergissen), daar alleen in die gevallen wordt verondersteld dat zij zullen trachten hun gedrag te controleren op een zodanige wijze dat daaraan hun bedoelingen niet kunnen worden afgelezen. Mensen zijn immers minder goed in staat hun gedrag te controleren dan de gespreksinhoud.1 Het is dan ook niet zo vreemd dat waarnemers afgaan op non-verbaal gedrag in hun waardering van de geloofwaardigheid van de verklaring. Echter, de vraag is in hoeverre en op welke wijze misleiding de communicatie beïnvloedt. Met andere woorden, bestaat er een rechtstreeks verband tussen misleiding en specifiek gedrag vertoond door de gehoorde persoon? En zo ja, zijn waarnemers ook in staat om aan dit gedrag de juiste conclusies te verbinden?2
Voor wat betreft het gedrag van de getuige, kan onderscheid worden gemaakt tussen vocale en non-vocale kenmerken. Non-vocale kenmerken betreffen bijvoorbeeld de lichaamstaal of de gezichtsuitdrukkingen waarmee het spreken gepaard gaat. De vocale kenmerken zien op het stemgebruik, zoals toonhoogte, spreeksnelheid, intonatie en spraakverstoringen. Onderzoek toont aan dat mensen, zowel leken als professionals, bedrieglijk of misleidend gedrag veelal associëren met haperingen in spraak (zoals aarzelingen en spraakfouten), langere en meer frequente pauzes, meer wegkijken, glimlachen en bewegingen zoals hand- en beenbewegingen (dit zijn subjectieve indicatoren). Het voornoemde gedrag is echter eerder een indicatie voor nervositeit dan voor misleiding. De impliciete veronderstelling is dat als de gehoorde persoon nerveus is, deze wel iets te verbergen zal hebben. Echter, niet alle liegende personen gedragen zich zo en ook oprechte personen kunnen nerveus zijn. Integendeel, onderzoek naar objectieve indicatoren heeft duidelijk gemaakt dat er ‘geen kenmerkend leugenachtig gedragspatroon’ bestaat.3 Meta-analyses van gedrag vertoond door personen die te goeder trouw een verklaring afleggen en personen die te kwader trouw zijn, laten zien dat er slechts weinig gedrag is dat deze personen van elkaar onderscheidt. Wel komt bepaald gedrag bij personen die een leugenachtige verklaring afleggen vaker (of juist minder vaak) voor dan bij personen die een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen. Het algemene patroon is dat leugenaars de neiging hebben op een hogere toon te spreken, langere pauzes te nemen en minder been-, voet- en armbewegingen te maken.4 Het aantal objectieve indicatoren voor misleiding is echter beperkt. Dit is onder meer het gevolg van het feit dat het vertoonde gedrag afhankelijk is van de context, het type leugen en de persoon. Eenvoudige leugens gaan bijvoorbeeld met ander type gedrag gepaard dan moeilijke leugens. Dit verschilt ook per persoon.5 Wanneer in studies subjectieve en objectieve indicatoren met elkaar worden vergeleken, dan wordt duidelijk dat veel onjuiste ideeën bestaan over de karakteristieken van bedrieglijk gedrag.6
In het licht van het hiervoor gestelde wekt het geen verbazing dat mensen – op zijn zachtst gezegd – niet erg bekwaam zijn in het adequaat onderscheiden van waarheid van bedrog. Onderzoek waarin mensen – meestal aan de hand van videobeelden – wordt gevraagd een waarheidsinschatting te maken, laat zien dat mensen vaak niet boven het kansniveau presteren. Politie en andere op bedrog bedachte ‘professionals’ presteren niet beter dan leken, wanneer dergelijke vergelijkingen worden gemaakt.7 Daarbij suggereert onderzoek dat mensen in zijn algemeenheid de neiging hebben hun vermogen om leugens te detecteren, te overschatten.8 Naast een geneigdheid tot zelfoverschatting komt uit onderzoek ook naar voren dat waarnemers zelfverzekerder zijn wanneer zij incorrecte waarheidsinschattingen maken, dan wanneer zij een correcte vaststelling van de waarheid doen. Mensen hebben dus betrekkelijk slecht inzicht in hun vermogen om leugens te detecteren.9
Opvallend is tevens dat uit onderzoek blijkt dat mensen beter in staat zijn om waarheidsgetrouwe verklaringen aan te wijzen dan verklaringen waarmee doelbewust wordt getracht de toehoorder (of lezer) te misleiden. Met andere woorden, mensen zijn beter in het identificeren van eerlijke mensen dan het ontmaskeren van leugenaars.10 Dit fenomeen wordt wel de truth bias genoemd en komt voort uit het feit dat mensen de neiging hebben verklaringen eerder als waarheidsgetrouw dan als oneerlijk te beschouwen. Deze truth bias kan het resultaat zijn van het feit dat men in het dagelijks leven veel vaker wordt geconfronteerd met ware dan met onware verklaringen en daarom verwacht dat verklaringen waarheidsgetrouw zijn. Daarbij verhinderen sociale en conversatieregels dat mensen overdreven achterdochtig zijn wanneer zij spreken met andere mensen.11 In onderzoek van Landström en collega’s werd tegen de verwachting in een algehele leugenbias gevonden. Dat wil zeggen dat de beoordelaars er juist eerder vanuit gingen dat de verklaringen niet zouden kloppen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat zij in hun onderzoek gebruikmaakten van rechtenstudenten als waarnemers, hetgeen misschien enige argwaan richting de getuigen heeft aangewakkerd. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevinding dat politieambtenaren die personen ondervragen ook geen waarheidsbias lijken te vertonen.12 In het verlengde van deze bevindingen ligt de interessante vraag hoe professionele beroepsrechters op dit punt presteren en of het in dit kader uitmaakt of men zich ziet geconfronteerd met een verdachte of een getuige. De wijze van betrokkenheid bij het strafbare feit zou een belangrijk verschil in perceptie kunnen meebrengen.
Er kan een aantal verklaringen worden genoemd voor het feit dat men over het geheel genomen slecht scoort als het gaat om leugendetectie. Allereerst wordt gelet op de verkeerde kenmerken en bestaat te weinig aandacht voor individuele verschillen in non-verbaal gedrag (bijvoorbeeld tussen autochtone en niet-autochtone Nederlanders). Daarbij komt dat eenvoudige leugens nauwelijks te doorgronden zijn. Pas als veel op het spel staat en de negatieve gevolgen van het betrapt worden groter zijn, wordt het makkelijker om leugens te herkennen. Dit omdat mensen meer hun best doen hun gedrag te controleren, meer emoties zullen ervaren en soms dieper moeten nadenken. Echter, dit type gedrag is niet altijd een indicatie voor leugenachtigheid. Emoties en diep nadenken kunnen ook worden tentoongespreid door personen die te goeder trouw verklaren. Er kan immers veel van afhangen om geloofwaardig over te komen, hetgeen aanleiding kan zijn voor betrokkenen om hun gedrag te controleren. Dit maakt dat het verschil in gedrag tussen personen die een ware verklaring afleggen en zij die een onware verklaring afleggen vaak erg klein is.13
Leugendetectie is vooral van belang als ‘harde’ objectieve gegevens ontbreken om de verklaring aan te toetsen. Hoewel mensen over het algemeen slecht presteren als het gaat om het ontmaskeren van personen die te kwader trouw zijn, kunnen de prestaties wel worden verbeterd.14 Personen scoren bijvoorbeeld over het algemeen beter als zij letten op vocale en verbale kenmerken, dan wanneer zij zich op andere, visuele kenmerken concentreren.15 Tevens is de vorm waarin de verklaring wordt aangeboden van invloed op de prestaties. Zo presteren personen die geconfronteerd worden met geluidsmateriaal beter dan personen die kijken naar beelden.16 Een saillant detail is dat personen die actief ondervragen niet beter presteren dan passieve waarnemers. Integendeel, actieve ondervragers zijn minder goed in staat om onware van ware verklaringen te onderscheiden.17