Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.1
5.2.1 Inleiding
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972052:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:107/217 lid 2 BW, waarover uitgebreid hoofdstuk 4.
Zie bijvoorbeeld Handboek 1968, p. 327; en Slagter 1968, p. 140. Vgl. Van Limburg Stirum 1829, p. 110-111; en Mulder (diss.) 1884, p. 30-31.
Zie Van Schilfgaarde 1976, p. 151; en, explicieter, Van Schilfgaarde 1981, p. 160.
Zie Asser/Maeijer 2-III 1994, nr. 256.
Zie Timmerman 1991, p. 51.
Zie Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 69. Later lijkt zij hier, onder verwijzing naar de strenge bewoordingen van de Hoge Raad in ASMI, op te zijn teruggekomen (zie Vletter-van Dort 2012, p. 214).
Zie Handboek 1976, p. 323. Vgl. Handboek 1968, p. 327, waarin Van der Grinten opmerkte dat de vennootschapsleiding ‘in het algemeen’ niet gehouden zal zijn een aandeelhouder buiten vergadering inlichtingen te geven. Daarmee leek de deur op een kier te staan.
Zie Sanders 1972, p. 42.
Zie Pitlo/Löwensteyn 1978, p. 223-224.
Zie Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, NJ 1984/481 m.nt. J.M.M. Maeijer (Linders/Hofstee) en HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), waarover par. 5.2.2 hierna.
Terzijde merk ik nog op dat het informatierecht buiten vergadering ook in de ‘reguliere’ civiele rechtspraak – dus buiten het enquêterecht – verschillende malen aan bod is gekomen. Dit betrof overwegend gevallen waarin een aandeelhouder, doorgaans in kort geding, toegang vorderde tot informatie van de vennootschap; zogeheten ‘informatievorderingen’. Ik kom hier op terug in par. 8.2 hierna.
De vraag of de redelijkheid en billijkheid een grondslag kan bieden voor een ‘eigen’ informatierecht van individuele aandeelhouders buiten het verband van de aandeelhoudersvergadering lijkt lange tijd onderbelicht te zijn gebleven in de academische discussie. Zie ik het goed, dan is dit leerstuk als zodanig nauwelijks in de literatuur of rechtspraak aan bod gekomen vóór de wettelijke verankering van het recht op inlichtingen in 1971.1 In oudere literatuur volstonden auteurs in het algemeen met een korte vermelding van het recht op inlichtingen van de algemene vergadering, dat toen nog gestoeld was op het ongeschreven recht.2 Ook in de rechtspraak uit deze periode lijkt het informatierecht buiten vergadering geen rol van betekenis te hebben gespeeld.
De codificatie van het recht op inlichtingen heeft kennelijk de academische interesse in het informatierecht van aandeelhouders opgewekt. In de jaren daarna hebben verschillende auteurs aandacht besteed aan het informatierecht van aandeelhouders buiten het verband van de aandeelhoudersvergadering. Onder meer Van Schilfgaarde,3 Maeijer,4 Timmerman5 en (aanvankelijk) Vletter-van Dort6 hebben betoogd dat individuele aandeelhouders wellicht ook buiten vergadering bepaalde voor hen van belang zijnde inlichtingen konden verkrijgen op grond van artikel 2:8 BW, waarbij over het algemeen terughoudendheid op zijn plaats werd geacht. Begrijp ik hen goed, dan hebben onder meer Van der Grinten,7 Sanders8 en Löwensteyn9 betoogd dat het informatierecht van aandeelhouders beperkt was tot het recht op inlichtingen van de algemene vergadering. Dat zou betekenen dat aandeelhouders buiten de aandeelhoudersvergadering in het geheel geen (eigen) informatierecht zou toekomen, ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid. Meer uitvoerige beschouwingen van het informatierecht buiten vergadering zijn echter uitgebleven.
Het informatierecht buiten vergadering heeft zich hoofdzakelijk ontwikkeld in de rechtspraak. Met name het enquêterecht heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde zich een informatieplicht in gevallen van tegenstrijdig belang, welke zich in latere rechtspraak heeft ontwikkeld tot een bredere zorgplicht die onder omstandigheden noopt tot informatieverstrekking aan aandeelhouders buiten vergadering.10 Het uitgangspunt blijft dat aandeelhouders in beginsel geen recht hebben op informatie buiten het verband van de algemene vergadering. Onder omstandigheden kan artikel 2:8 BW echter een juridische grondslag bieden voor een informatierecht buiten vergadering. Aandeelhouders ontlenen hun informatierecht in die gevallen aan een zorgplicht van de vennootschap die onder omstandigheden noopt tot informatieverstrekking. In het navolgende geef ik een nadere toelichting op deze rechtspraak, waarbij ik mij beperk tot de meest richtinggevende uitspraken.11