Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.3.1.1
5.3.3.1.1 Ad hoc informatierechten
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971924:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie naast de in par. 5.2 besproken beschikkingen inzake Linders/Hofstee, Zwagerman, Bosal, Fuelplants, Allure Energie, i3 en Ergo Buildings bijvoorbeeld ook Hof Amsterdam (OK) 12 juli 2017, ARO 2017/154 (De Leege Landen), r.o. 3.8; Hof Amsterdam (OK) 15 december 2020, JOR 2021/178 m.nt. P.L. Hezer (Multihulp), r.o. 3.11; en Hof Amsterdam (OK) 15 oktober 2021, ARO 2021/180 (Veldman Beheer), r.o. 4.13.
Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun); en Hof Amsterdam (OK) 18 oktober 2013, ARO 2013/160 (Slotervaart), r.o. 3.8.
Zie Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/141 m.nt. E. Schmieman (Dialoc), r.o. 3.8: “De Ondernemingskamer stelt voorop dat (het bestuur van) een vennootschap tegenover haar minderheidsaandeelhouder(s) een bijzondere zorgvuldigheid in acht dient te nemen en deze(n) in ruime mate en op controleerbare wijze inzicht dient te verschaffen indien transacties worden aangegaan waarvan op voorhand niet zonder meer duidelijk is dat zij in het belang van de vennootschap zijn onderscheidenlijk die onder op het eerste gezicht niet voor de hand liggende voorwaarden worden aangegaan of tot voor de vennootschap nadelige gevolgen hebben geleid dan wel het risico van belangenvermenging in zich bergen.” Zie voor een verstrekkend voorbeeld Hof Amsterdam (OK) 14 september 2020, ARO 2020/169 (TAF), r.o. 3.14 e.v., waarin het ging om “een zeer ingrijpende beslissing om het vermogen van TAF, dat kort voordien nog zeer liquide was, om te zetten in niet vrij verhandelbare obligaties met een looptijd van 10 jaar, uitgegeven door een recentelijk opgerichte vennootschap zonder activiteiten of vermogen, daarbij geen enkele zekerheid te bedingen en ook overigens op onaantrekkelijke voorwaarden”.
Zie in dit verband ook Wolf (diss.) 2013, p. 369; en Haanschoten 2023.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 26 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:258 (Signa Sports United), r.o. 3.5, waarin het ging om een de-SPAC transactie; Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), r.o. 3.19 e.v., waarin het ging om een herstructurering; en Hof Amsterdam (OK) 23 februari 2023, ARO 2023/39 (MvV), r.o. 3.15, waarin het onder meer ging om een materiële liquidatie. Vgl. in verband met dit laatste ook Hof Amsterdam (OK) 22 april 2016, ARO 2016/99 (Leaderland), r.o. 4.19; en Rb. Amsterdam (vzr.) 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7409, r.o. 4.6. Zie voorts Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6, waarin in algemene bewoordingen wordt verwezen naar “belangrijke beslissingen (…) die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de toekomst van de onderneming.”; en Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.7, waarin werd verwezen naar “belangrijke zaken die de (financiële positie van) Steenfabriek c.s. betreffen (zoals het beleggingsbeleid en de impact van investeringen of van de gestegen gasprijzen)”.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 20 december 2018, ARO 2019/75 (Parlevliet), waarin onder meer is verzocht om informatie over het niet voldoen aan de deponeringsplicht van de jaarrekeningen; en Hof Amsterdam (OK) 13 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1756 (Sequa), waarin vragen opkwamen over de accountantscontrole.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 20 oktober 2016, ARO 2017/45 (Ekopon), par. 4.4; en Hof Amsterdam (OK) 20 februari 2012, ARO 2012/28 (Mojo Theater), r.o. 3.7.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 15 maart 2005, JOR 2005/88 (Emba), r.o. 3.25; Hof Amsterdam (OK) 2 augustus 2005, ARO 2005/153 (De Hasker Appelhof), r.o. 3.5 e.v.; Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282 (Jeezet/Synpact), r.o. 3.10; en Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.7.
Zie Hof Amsterdam (OK) 23 februari 2023, ARO 2023/39 (MvV), r.o. 3.15.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, JOR 2009/129 m.nt. G. van Solinge (Butôt), r.o. 3.7, waarin het overigens zag op gerechtigden tot een onverdeelde nalatenschap waartoe bepaalde certificaten voor aandelen behoorden (zie par. 5.2.3.1 hiervoor). Vgl. Hof Amsterdam (OK) 15 december 2020, JOR 2021/178 m.nt. P.L. Hezer (Multihulp), r.o. 3.11, waarin het de aandeelhouder lijkt te worden aangerekend dat hij bij zijn toetreden geen due diligence had verricht.
Zie HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.7.2, inzake een voorgenomen aandelenoverdracht; en Rb. Midden-Nederland 9 juni 2021, JOR 2022/29 m.nt. R.A.F. Timmermans, r.o. 3.32, inzake een emissiebesluit.
Zie Rb. Den Haag 6 april 2022, RO 2022/37, r.o. 4.3.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 21 december 2021, ARO 2022/27 (Holwerda), r.o. 3.3 e.v. In de rechtspraak omtrent uitkoop- en uittredingsvorderingen zijn verzoeken om informatie benodigd om de aandelen te waarderen steeds afgewezen bij gebrek aan voldoende belang vanwege de betrokkenheid van een onafhankelijke waarderingsdeskundige. Zie in het kader van uitkoopvorderingen Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2022, ARO 2022/141 (Boonstra Beheer), r.o. 3.18; Hof Amsterdam (OK) 1 november 2022, ARO 2022/217 (Fuikebrug), r.o. 3.6; en Hof Amsterdam (OK) 18 december 2018, JOR 2019/104 m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon), r.o. 2.32, en, in het kader van uittredingsvorderingen, Rb. Gelderland 14 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5344 (Mecus/Helisa), r.o. 4.17; en Hof Amsterdam (OK) 19 mei 2020, ARO 2020/138 (Bakker Beheer/Haasnoot Beheer), r.o. 3.46. Zie anders, in het kader van een contractuele exit-regeling: Rb. Rotterdam (vzr.) 6 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8406, waarin een dergelijke vordering wel is toegewezen omdat de aandeelhouder “zich een redelijk beeld moeten kunnen vormen van de financiële situatie van [de vennootschap], om de juistheid van hetgeen in het kader van de waardering van de aandelen aan de bindend adviseur wordt voorgelegd te kunnen beoordelen” (r.o. 4.2), maar overigens ook een contractuele grondslag voor de toegang tot informatie bestond. Zie voorts Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17634, waarin een vordering tot inzage in de administratie is toegewezen waarmee de aandeelhouder onder meer beoogde zich “beter [te kunnen] voorbereiden op de discussie over de waarde van zijn aandelen in de Holding, een discussie die zijns inziens op korte termijn gevoerd dient te worden.” (r.o. 4.6). Vgl. Rb. Limburg (vzr.) 2 februari 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:816, waarin de informatievordering niet inhoudelijk is beoordeeld.
Zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2024, nr. 195; Bier 2012.
Zie Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17634. Voor zover ik uit dit vonnis kan opmaken, was in deze casus nog geen sprake van enig zicht op een gedwongen of consensuele overdracht van aandelen. De Rechtbank heeft daarmee in mijn ogen een te lage drempel toegepast.
Vgl. Rb. Gelderland 14 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5344 (Mecus/Helisa), r.o. 4.17; Hof Amsterdam (OK) 1 november 2022, ARO 2022/217 (Fuikebrug), r.o. 3.6; Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2022, ARO 2022/141 (Boonstra Beheer), r.o. 3.18; Hof Amsterdam (OK) 19 mei 2020, ARO 2020/138 (Bakker Beheer/Haasnoot Beheer), r.o. 3.46; en Hof Amsterdam (OK) 18 december 2018, JOR 2019/104 m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon), r.o. 2.32.
Vgl. HR 13 december 1991, AA 1993/0054 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (UVO-Lopik), p. 59: “De waardering van de aandelen in ‘AvdB bv’ tot slot zal blijken respectievelijk gemakkelijk kunnen worden vastgesteld aan de hand van de (door een externe accountant gecontroleerde) jaarrekening respectievelijk van een op diezelfde grondslag gemaakt tussentijds rapport.”
In zowel Duitsland als in de VS wordt daarentegen wel aangenomen dat een aandeelhouder recht heeft op toegang tot informatie om zijn aandelen te waarderen (zie onder meer Teichmann 2023, p. 130 resp. Geis 2019, p. 427).
Zie ook Geis 2019, p. 428: “[A] shareholder’s right to demand information for share valuation can raise difficult issues. (…) Moreover, the scope of data is potentially vast and especially sensitive: a shareholder might conceivably demand market forecasts, competitive analysis, customer profitability assessments, future investment plans, and so on.”
Zie o.a. Geis 2019, p. 450.
Ik sta hier nader bij stil in mijn nog te verschijnen bijdrage ‘Shareholder inspection rights and the valuing of shares’, die zal verschijnen in: M. Olaerts en B. Kemp (red.), Twenty Years European Company Law: Developments and Challenges in European Company Law.
Vgl. Haanschoten 2023, p. 342, waar in dit verband wordt gesproken over ‘bijzondere informatierechten’ als ‘de stam van de zorgplichtboom’. Zie ook Suetens-Bourgeois (diss.) 1969, p. 374-375.
In de rechtspraak zijn met name voorbeelden te vinden van concrete situaties of gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot een ad hoc informatierecht. Dit betrof situaties of gebeurtenissen die invloed kunnen hebben op de aard van de vennootschap, de financiële of zeggenschapsrechtelijke belangen van de aandeelhouder en/of zijn positie binnen de vennootschap. Ik geef enkele voorbeelden uit de rechtspraak:
transacties of andere aangelegenheden waarbij sprake is van (de schijn van) tegenstrijdige belangen1 of die (anderszins) bijzondere zorgvuldigheid vergen van de vennootschapsleiding omdat zij (mogelijk) nadelig zijn voor de (minderheids)aandeelhouders2 of de vennootschap;3,4
(andere) belangrijke transacties of aangelegenheden die een materiële impact (kunnen) hebben op de vennootschap en/of de met haar verbonden onderneming;5
het niet (meer) voldoen aan bepaalde wettelijke verplichtingen door de vennootschap;6
een verslechtering in de financiële situatie van de vennootschap;7
de strekking van, en de beweegredenen voor, het gevoerde reserverings- en dividendbeleid alsmede eventuele wijzigingen daarin;8
informatie over de gronden waarop een aandeelhouder als bad leaver kwalificeerde voor de toepassing van een zogeheten leaver-regeling;9
informatie over de (financiële) toestand van de vennootschap bij het toetreden van een aandeelhouder;10
een verschuiving van de zeggenschapsverhouding binnen de vennootschap;11
informatie die nodig is om externe financiering te kunnen verkrijgen voor de aankoop van aandelen die zijn aangeboden onder een statutaire aanbiedingsregeling;12 en
in bepaalde gevallen,13 informatie die nodig is voor de waardering van aandelen.
Onder (i) t/m (iv) gaat het om situaties waarin de aandeelhouder beschermd dient te worden tegen, of gewaarschuwd voor, omstandigheden die (mogelijk) het belang of de aard van de vennootschap raken. Benadeling van de aandeelhouder ligt dan eveneens op de loer, zij het indirect. De aandeelhouder dient tegen die (potentiële) benadeling te worden beschermd en dient daarom tijdig te worden geïnformeerd.
De situaties genoemd onder (v) en (vi) houden rechtstreeks verband met de economische belangen van de aandeelhouder. De aandeelhouder heeft een rechtstreeks financieel belang bij het gevoerde dividend- en reserveringsbeleid. Om die reden dient dit beleid kenbaar te zijn voor de aandeelhouder en te worden gemotiveerd, waarbij de aandeelhouder op dezelfde wijze op de hoogte wordt gehouden over wijzigingen daarin.14 De aandeelhouder kan zo nodig ingrijpen indien de vennootschapsleiding op onredelijke gronden de aandeelhouders dividend zou onthouden, bijvoorbeeld door alle winst te reserveren zonder dat het vennootschappelijk belang dit vergt. Hetzelfde geldt ook indien de aandeelhouder een aanbiedingsplicht activeert, te meer indien hij zijn aandelen dan tegen een korting moet aanbieden. De aandeelhouder moet in voorkomende gevallen in staat worden gesteld om vast te stellen dat de leaver-regeling op juiste wijze is toegepast.
Onder (vi) t/m (ix) wordt verwezen naar situaties waarin de positie van de aandeelhouder op het spel staat. Hij heeft er belang bij te weten in wat voor vennootschap hij kapitaal zal verschaffen, en wat de gevolgen zouden zijn van zijn toetreden (zie onder (vi)). Indien partijen een bepaalde machtsverhouding binnen de vennootschap hebben beoogd, dan heeft de aandeelhouder ook belang bij instandhouding van die machtsverhouding (zie onder (viii)). Ook heeft de aandeelhouder er belang bij om in staat te worden gesteld in te gaan op een aanbieding van aandelen, te meer indien hij daardoor wordt beschermd tegen verlies van invloed indien zijn medeaandeelhouder op het aanbod in zal gaan (zie onder (ix)).
De laatste categorie, onder (x), strekt op het eerste oog tot bevordering van het vermogensrechtelijke belang van de aandeelhouder door hem in staat te stellen zijn aandelen te waarderen in het kader van een mogelijke vervreemding daarvan. De aangehaalde rechtspraak betreft echter – op een enkele uitzondering na15 – steeds een (consensuele of gedwongen) verkoop aan de overige aandeelhouder(s) met vertegenwoordiging in het bestuur. Toegang tot informatie die nodig is voor de waardering van aandelen waarborgt dan een level playing field tussen koper en verkoper. De aandeelhouder wordt zo beschermd tegen een informatievoorsprong van de koper, al kan die bescherming ook anderszins in het exit-proces worden gewaarborgd, bijvoorbeeld door de betrokkenheid van een onafhankelijke waarderingsexpert die toegang krijgt tot alle benodigde informatie.16 Daarbuiten heeft de aandeelhouder in beginsel geen (voldoende) belang bij toegang tot informatie die nodig is voor de waardering van zijn aandelen, anders dan bijvoorbeeld jaarrekeningen en andere financiële verslaggeving en informatie die mogelijk wordt verstrekt of openbaar wordt gemaakt.17, 18 Daarbij moet worden bedacht dat de waardering van aandelen toegang vergt tot (commercieel) gevoelige informatie.19 Het risico op misbruik ligt dan op de loer,20 en een dergelijk verstrekkend informatierecht dient in het Nederlandse systeem niet te lichtvaardig te worden aangenomen.21
Uit het voorgaande overzicht volgt dat het ad hoc informatierecht buiten vergadering in de rechtspraak steeds dient ter bescherming van de belangen van aandeelhouders.22 De aandeelhouder dient tijdig te worden geïnformeerd (althans, gewaarschuwd) over de betreffende situatie of omstandigheid, zodat hij in staat is zijn positie te bepalen en – zo nodig: in rechte – zijn belangen te beschermen. Hieruit volgt eveneens dat het informatierecht slechts ziet op, en daarmee ook in omvang is beperkt tot, informatie van de vennootschap betreffende de specifieke situatie of gebeurtenis waartegen de aandeelhouder dient te worden beschermd. Slechts in zoverre kan het belang van de aandeelhouder toegang tot informatie rechtvaardigen.