Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.1:8.1.1 Bevoegdheden, taken en opleiding
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.1
8.1.1 Bevoegdheden, taken en opleiding
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200755:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De ‘harde aanpak’ en ‘positieve gedragsbeïnvloeding’; zie o.a. vorige hoofdstuk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de bevoegdheden en taken van politie, OM en rechtspraak (zie ook hoofdstuk 1) vallen zowel verschillen als overeenkomsten op. De belangrijkste overeenkomst ligt in het feit dat alle drie zijn gebonden aan het recht. Het spanningsveld tussen deze gebondenheid aan het recht en de wens recht te doen, wordt niet in gelijke mate door alle drie ervaren. De rechter ziet geseponeerde zaken in principe niet; officieren en met name politiemensen hebben wel zicht op mogelijk strafbare feiten die geen strafrechtelijke afdoening krijgen, bijvoorbeeld omdat wordt verwacht dat de rechter op basis van het beschikbare bewijs niet tot een veroordeling komt. Op basis hiervan ligt voor de hand dat politiemensen en officieren van justitie eerder dan rechters ervaren dat de instrumentele functies1 van het strafrecht onvoldoende uit de verf komen. Zij worden immers voortdurend geconfronteerd met situaties waarin sprake lijkt van feitelijke schuld, zonder dat juridisch schuld wordt vastgesteld. Een belangrijk verschil is ook dat de politie formeel geen recht spreekt, terwijl (in bepaalde gevallen) officieren van justitie en rechters wel strafrechtelijke sancties kunnen opleggen.
De politie heeft tot taak 24 uur per dag, onder voorwaarden, daadwerkelijk op te treden wanneer dat nodig is om rechtsorde en openbare orde te handhaven, of wanneer de burger een beroep doet op de bescherming of hulp van de politie. Vanuit deze executieve taken denken politiemensen bij het strafrecht in de eerste plaats aan de instrumentele oplossingen die het kan bieden. Een verschil is dat de politietaak zich niet beperkt tot strafrechtelijke handhaving. Ook handhaving van de openbare orde en hulpverlening behoren daartoe (zie art. 3 Politiewet 2012). Een belangrijk verschil tussen politiemensen en leden van de rechterlijke macht is verder dat de laatsten doorgaans geen acute beslissingen hoeven te nemen, maar daarvoor zo nodig enige tijd kunnen reserveren. Overigens hebben officieren van justitie en rechters door invulling te geven aan hun taken niet minder invloed op de levens van mensen, maar deze is minder zichtbaar in hun werk dan voor politiemensen.
Politie en OM hebben beide (deels) een executieve functie. Voor beide organisaties geldt dat beleidsdoelstellingen en aanwijzingen door de overheid worden bepaald en dat zij kunnen worden afgerekend op de prestaties die worden geleverd. Voor de rechtspraak geldt deze situatie niet of veel minder sterk. Zij wordt wel door de nationale overheid gefinancierd, maar heeft daarmee geen beleidsrelatie. Instrumentele doelen van veiligheidsbeleid behoren daardoor mogelijk eerder tot het perspectief van politiemensen en officieren van justitie dan tot dat van rechters.
Tot de taken van politie en OM behoort het doen van opsporingsonderzoek. Dat lijkt een belangrijk verschil met de rechter, maar deze heeft ook een ‘onderzoeksplicht’ tijdens het strafproces. Onderzoek verrichten is daarmee tot op zekere hoogte een overeenkomst, die zowel in dienst kan staan van de instrumentele als van de rechtsbeschermende functie van het strafrecht. De overeenkomst moge blijken uit het feit dat begrippen als ‘verdenking’ en ‘redelijk vermoeden’ niet zijn voorbehouden aan de opsporing. Rechters maken daar eveneens en soms langdurig gebruik van. Dit is bijvoorbeeld het geval als een rechter-commissaris bij het toekennen van bevoegdheden betrokken is of wanneer voorlopige hechtenis aan de orde is.
Door een verschil in opleiding zijn uitvoerende politiemensen en leden van de rechterlijke macht niet op hetzelfde niveau in staat om juridische begrippen te hanteren. Daarnaast zijn politiemensen behalve op basis van hun taak, ook door hun sterk op ‘werkend leren’ gerichte opleiding, meer op uitvoering gefocust en op actie gericht, dan op juridische reflectie. Gezien de aard van hun werk hebben ze daar bovendien weinig tijd voor.