De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/473:473 Terugvorderen
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/473
473 Terugvorderen
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364170:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De introductie van de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot terugstorten van het te veel betaalde deel van de bonus is evenmin een nieuwe bevoegdheid. Sinds jaar en dag kan een dergelijke vordering worden ingesteld op grond van art. 6:203 BW. Sterker nog, bij het ontwerpen van artikel 2:135 lid 8 BW is aangesloten bij het reeds bestaande art. 6:203 BW, waardoor de maatstaf voor het succesvol toepassen van dit laatste artikel exact gelijk is aan de maatstaf die geldt voor art. 2:135 lid 8 BW, met dien verstande dat art. 2:135 lid 8 BW zich beperkt tot op basis van onjuiste financiële informatie onverschuldigd betaalde bonussen, terwijl art. 6:203 BW betrekking heeft op iedere vorm van onverschuldigde betaling. De terugvorderingsbevoegdheid levert juridisch gezien dus weinig tot niets nieuws op. Met recht kan de vraag gesteld worden waarom lid 8 van art. 2:135 BW eigenlijk is ingevoerd.
Mijns inziens zijn er drie pluspunten te onderkennen. Het feit dat expliciet in boek 2 BW genoemd wordt dat een bonus op grond van onverschuldigde betaling kan worden teruggevorderd, geeft immers een duidelijk signaal af aan de raden van commissarissen. Het terugvorderen van onverschuldigde bonussen is door het opnemen van art. 2:135 lid 8 BW de norm geworden, waarvan raden van commissarissen bij uitzondering af mogen wijken. Daar komt bij dat wordt geëxpliciteerd dat de bevoegdheid tot terugvordering niet afhangt van het antwoord op de vraag of de bestuurder op de hoogte was van het feit dat de bonus onterecht is toegekend. Hierdoor worden aan de raden van commissarissen handvatten gegeven voor de afweging of er voldoende grondslag is voor terugvordering van (een deel van) de bonus. Ik wil wel inzien dat deze vereenvoudiging van het afwegingskader de kans enigszins vergroot dat bonussen worden teruggevorderd.
In het verlengde hiervan zou ik willen betogen dat de individuele leden van een raad van commissarissen, die niet overgaat tot het terugvorderen van een onverschuldigd betaalde bonus, vanwege de explicitering van deze bevoegdheid in art. 2:135 lid 8 BW eerder persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden. In het bijzonder bij ‘financial restatements’ dienen raden van commissarissen alert te zijn en na te gaan of de gewijzigde cijfers invloed hebben op een reeds uitgekeerde bonus.
Ten derde geeft de mogelijkheid om een bijzondere vertegenwoordiger aan te stellen, aan de algemene vergadering een nieuwe bevoegdheid om te bewerkstelligen dat een onterecht uitgekeerde bonus daadwerkelijk wordt teruggevorderd.
Een verdergaande toegevoegde waarde kan ik, ondanks de hooggespannen opgewekte verwachtingen, niet ontwaren. De ‘oplossing’ die de invoering van de claw back bevoegdheid biedt, kan mijns inziens dan ook niet de bombarie rechtvaardigen die met de invoering ervan gepaard is gegaan.