Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/405
405 Unbilligkeit für die Gesellschaft
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371442:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De beide vereisten beïnvloeden elkaar dan ook. Stenzel 2012, p. 250/251. Een te lichtvaardige toepassing schaadt niet alleen het rechtsverkeer, maar geeft een bestuurder eveneens een prikkel om het openbaar maken van een verslechtering van de toestand van de vennootschap zo lang mogelijk uit te stellen.
Deze beperking vloeit voort uit de wens aan te sluiten bij de ‘Treuepflichten’ die gelden tussen organen binnen de vennootschap. De aanpassingsbevoegdheid dient dan ook te worden geplaatst in het belang van de onderneming en niet in een welzijn dat de onderneming overstijgt. Meyer 2012, p. 277/278.
Meyer 2012, p. 274.
Zo moet bijvoorbeeld geenszins worden aangenomen dat ieder ernstig nadelig gevolg voor de werknemers vanwege een verslechterde situatie er automatisch voor zorgt dat het nakomen van de bezoldigingsafspraken als onbillijk jegens de vennootschap aan te merken is. R. Stenzel, 2012, p. 254. Ook gaat het om de vennootschap en niet om het concern waar de vennootschap onderdeel van uitmaakt. Meyer 2012, p. 275.
BT-Drucks. 16/12278, p. 6. “Es kommt dabei nicht nur auf die ‘Unbilligkeit’ für die Gesellschaft an.”
Meyer 2012, p. 285.
Meyer 2012, p. 278.
Indien er sprake is van een verslechtering van de toestand van de vennootschap, dan moet daar vervolgens uit voortvloeien dat het nakomen van de bezoldigingsafspraken onbillijk is voor de vennootschap. Of hiervan sprake is, zal moeten worden bezien aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij eveneens de achtergrond voor de verslechtering van de toestand van de vennootschap dient te worden meegenomen.1
De eis dat nakoming van de bezoldigingsafspraken onbillijk moet zijn voor de vennootschap zorgt voor een beperking van de reikwijdte van dit artikellid.2 Het gaat dus niet zozeer om een meer algemeen onbillijkheidsoordeel, maar een onbillijkheid vanuit het perspectief van de vennootschap. Vereist is aldus dat de totale bezoldiging op enige wijze een last is die dusdanig drukt op het vermogen en de liquiditeit van de vennootschap dat doorgaan met het betalen van die bezoldiging voor haar onbillijk is.3 Van een dergelijke onbillijkheid is niet snel sprake.4
Het handelen van het bestuur is ook een omstandigheid voor de beantwoording van de vraag of aan toepassing van § 87(2) AktG wordt toegekomen. Zo is het nakomen van de bezoldigingsafspraken onbillijk wanneer het bestuur ‘plichtwidrig’ gehandeld heeft. Dergelijk handelen is echter niet vereist. Er kan ook sprake zijn van een onbillijkheid jegens de vennootschap wanneer het bestuur “kein pflichtwidriges Verhalten vorzuwerfen ist, die Verschlechterung der Lage der Gesellschaft jedoch in die Zeit seiner Vorstandsverantwortung fällt und ihm zurechenbar ist.”5 Duidelijkheid over in welke mate de verslechtering van de toestand de bestuurder moet kunnen worden toegerekend bestaat er niet.6
Dat het nakomen van de bezoldigingsafspraken onbillijk moet zijn voor de vennootschap betekent overigens niet dat geen rekening gehouden wordt met de bestuurder. Staat de onbillijkheid jegens de vennootschap vast, dan moet deze onbillijkheid vervolgens nog worden afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de bestuurder.7