Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/4.2.5.2
4.2.5.2 Algemene voorwaarden
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186578:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Het is niet zo dat algemene voorwaarden steeds objectief moeten worden uitgelegd. Zie HR 30 november 2001, JOR 2002/43 (Océ/Asea Brown Boveri), r.o. 3.5.1, HR 9 juli 2004, NJ 2005/496 (Hoevers/Van Dijk), HR 14 oktober 2005,NJ 2006/117 (Delta Lloyd), r.o. 5.2, HR 23 december 2005, JOR 2006/117, NJ 2010/62 (Van Olphen/De Rooij), r.o. 3.6, Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 54, Hijma 2010, nr. 23 en vgl. Van Rossum, in: Wessels & Jongeneel 2017, p. 66 e. v.
Art. 6:238 lid 2 eerste zin BW.
Zie Hijma 2010, nr. 23a en Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 52.
Zie over dit beperkte verschil Heering 200, Hijma 2010, nr. 23b en Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 52.
Pavillon 2015, p. 134, Asser/Sieburgh 6-III 2018/479, Valk, in: Schelhaas & Valk 2016, p. 53 en LOVCK-rapport 2014, p. 27.
Art. 6:238 lid 2 BW. De verwijzing naar artt. 6:236 en 237 BW beperkt de toepassing daarvan tot overeenkomsten met consumenten. Zie ook HR 9 september 1994,NJ 1995/285 (Trouwborst/Tollenaar & Wegener), r.o. 3.3 en 3.4.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/464, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6, p. 1518 e.v., 1524 e.v. en vooral p. 1535, Hijma 2010, p. 12 e.v. De onderliggende Europese Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten PbEG L 95/ 29 spreekt nog ruimer van “alle bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld”, zie art. 3 van die richtlijn.
Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/467-468, MvT Inv. en MvA II Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6, p. 1527, Rb. Arnhem 19 mei 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AQ5066 (IDM Financieringen) en Jongeneel, in: Wessels & Jongeneel 2017, p. 105 e.v., i.h.b. p. 110. Een achterstelling kan wel een kernbeding zijn als de vordering door de achterstelling wijzigt in een kapitaalinstrument, zoals bij een qualifizierte Rangrücktritt naar Oostenrijks recht, die overeenkomt met qualifizierte Rangrücktritt naar Duits recht. Zie OGH 24.8.2017, 4 Ob 110/17f.
De verwijzing naar artt. 6:236 en 237 BW in art. 6:238 lid 2 BW beperkt de toepassing van art. 6:238 lid 2 BW tot overeenkomsten met consumenten.
Zie ook Loos 2018, par. 21a en Asser/Sieburgh 6-III 2018/500.
MvA II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6, p. 1654. Zie HvJ EG 20 januari 2005, nr. C-464/01, NJ 2006/278 (Gruber), Asser/Sieburgh 6-III 2018/499 e.v., Loos 2018, par. 24, Hijma 2010, p. 43 en Wissink, in: Wessels & Jongeneel 2017, p. 245.
Zie HvJ EG 20 januari 2005, nr. C-464/01, NJ 2006/278 (Gruber), HvJ EU 14 november 2017, nr. C-4498/16, NJ 2018/139 (Schrems/Facebook), HvJ EU 19 november 2015, nr. C-74/15, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcau), HvJ EU 14 september 2016, nr. C-534/15, ECLI:EU:C:2016:700 (Dumitras), Hijma 2010, p. 43 en Loos 2018, par. 24-26.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten PbEG L 95/29.
HvJ EG 20 januari 2005, nr. C-464/01, NJ 2006/278 (Gruber), r.o. 39 tot 42. Zie ook Loos 2005. Het EEX-verdrag is voluit het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De argumentatie van het Hof is sterk geënt op de EEX- Verordening, maar vergelijkbare argumenten kunnen worden geformuleerd voor de Richtlijn 93/13/EEG waarop de regeling van algemene voorwaarden is gebaseerd.
Hof van Justitie 14 maart 1991, nr. 361/89, Jur. 1991, p. I-1189 (Di Pinto), r.o. 15 en 16. De colportage-richtlijn is Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB 1985, L 372).
Zie ook HvJ EU 19 november 2015, nr. C-74/15, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcau), r.o. 26, HvJ EU 14 september 2016, nr. C-534/15, ECLI:EU:C:2016:700 (Dumitras), r.o. 32 en Loos 2005, p. 772.
Hof van Justitie 14 maart 1991, nr. 361/89, Jur. 1991, p. I-1189 (Di Pinto), r.o. 15 en 16. Zie ook Loos 2005.
Zie par. 4.2.5.1.
123. Als de bedingen van een achterstellingsovereenkomst kwalificeren als algemene voorwaarden kan dat gevolgen hebben voor de geldigheid en de uitleg van de achterstellingsovereenkomst.1 Algemene voorwaarden moeten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.2 Bedingen die dat niet zijn, zijn vernietigbaar.3 Als een beding in redelijkheid voor tweeërlei uitleg vatbaar is en de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden een consument is, maar niet vernietigbaar wegens onduidelijkheid,4 dan moet dat beding zo nodig ambtshalve5 ten nadele van de gebruiker van de algemene voorwaarden worden uitgelegd.6 Dit is een zeldzame wettelijke regel voor de uitleg van een overeenkomst en daarmee dwingender dan enkel een gezichtspunt.
Het ligt echter niet voor de hand dat deze regel van toepassing is op achterstellingsovereenkomsten. Weliswaar voldoen de achterstellingsovereenkomsten opgenomen in de standaarddocumentatie voor mkb-financieringen aan de definitie van algemene voorwaarden in artikel 6:231 aanhef en sub a BW,7 en zijn die geen kernbeding,8 maar een aandeelhouder van een mkb-onderneming die zijn eigen vordering achterstelt kwalificeert doorgaans niet als consument zoals bedoeld in artikel 6:236 en 6:237 BW.9
Dit is duidelijk als het gaat om de achterstelling van een lening verstrekt door een holdingvennootschap of beheersmaatschappij. Dergelijke vennootschappen zijn geen consumenten.
Het ligt genuanceerder als de ondernemer in privé schuldeiser is van de achtergestelde vordering op zijn vennootschap. Dan beschikt de ondernemer met de achterstelling over zijn privévermogen, terwijl zijn zakelijke activiteiten in de vennootschap zijn ondergebracht. De ondernemer handelt dan echter met de achterstelling ten behoeve van zijn onderneming, ook al betreft het zijn privévermogen.10 Beroepsmatig handelen is niet beperkt tot de handelingen van de rechtspersoon waarin de onderneming gedreven wordt.
Bij de beoordeling of de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden optreedt als consument of niet is de aard van de prestatie waarover gecontracteerd wordt samen met de gerechtvaardigde verwachtingen van de gebruiker van de voorwaarden beslissend.11 Bezien vanuit de bedongen prestatie is het helder dat de aandeelhouder die zijn vordering achterstelt niet als consument optreedt.12 Bedrijfsfinancieringen en het achterstellen van vorderingen zijn geen prestaties waarover consumenten plegen te contracteren.
Ook richtlijnconforme uitleg wijst erop dat een ondernemer die zijn vorderingen op zijn eigen bedrijf achterstelt beroepsmatig handelt. Het Europese Hof moest tweemaal oordelen over sterk gelijkende consumentenbegrippen in andere instrumenten dan de richtlijn waarop de regeling van algemene voorwaarden is gebaseerd.13 In beide gevallen legde het hof die consumentenbegrippen zeer beperkt uit. Overeenkomsten ten aanzien van een goed dat zowel zakelijk als privé wordt gebruikt zijn pas consumentenovereenkomsten in de zin van het EEX-verdrag wanneer het zakelijk gebruik ‘onbetekenend’ van aard is.14 Voor toepassing van de colportage-richtlijn vallen handelingen van een ondernemer ter voorbereiding op de verkoop van zijn onderneming onder ondernemingsactiviteiten, ook al strekken die verkoopactiviteiten ertoe dat hij zelf niet langer zal ondernemen.15 De omschrijvingen van consumenten in deze instrumenten lijken sterk op de beschrijving consumenten in de richtlijn over algemene voorwaarden. Dit is een reden om ook het begrip consument in de artikelen 6:236 en 6:237 BW beperkt uit te leggen, en directeur-grootaandeelhouders van vennootschappen in het mkb niet als consument te kwalificeren.16 Weliswaar hebben ondernemers in het midden- en kleinbedrijf doorgaans niet meer kennis hebben van overeenkomsten van achterstelling dan een consument, maar het Europese Hof was in het hierboven genoemde Di Pinto- arrest niet gevoelig voor dit argument.17
De achterstellingsovereenkomsten waarmee aandeelhoudersleningen in het mkb worden achtergesteld hoeven dus doorgaans niet verplicht contra proferentem te worden uitgelegd. Uitleg contra proferentem is ook in deze context slechts een gezichtspunt.18