Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/105
105 Zelfzuchtig én pro-organisatorisch
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369048:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dawkins 1989, p. 4. Zie in dezelfde zin Dorff 2012, p. 53/54; Stout 2014, p. 15.
Gecontroleerde omgevingen zijn nodig voor onderzoekers om daadwerkelijk inzicht te verkrijgen in het gedrag dat mensen vertonen onder bepaalde omstandigheden doordat steeds een omstandigheid kan worden toegevoegd of kan worden weggenomen.
Voor verschillende overzichten van dergelijke onderzoeken zie onder andere Stout 2014, p. 16; Dorff 2014, p. 54, noot 83; Stout 2003, p. 10, noot 23.
Stout 2014, p. 16.
Stout 2014, p. 19.
Dat altruïstisch gedrag een veelvoorkomend verschijnsel is, komt tevens naar voren in andere experimenten die de af- of aanwezigheid van altruïstisch gedrag testen zoals de ‘ultimatum game’ en de ‘dictator game’. Zie bijvoorbeeld Camerer & Thaler 1995, p. 209 waarin de experimenten worden beschreven.
Stout 2014, p. 19.
Voor het vinden van een antwoord op de vraag hoe bestuurders zich nu daadwerkelijk gedragen ligt het voor de hand om te kijken naar empirische bevindingen over het handelen van de mens, in plaats van te steunen op ongefundeerde aannames over zelfzuchtig of pro-organisatorisch gedrag.
Voor mijn definitie van pro-organisatorisch of altruïstisch gedrag sluit ik aan bij de definitie van altruïsme die Richard Dawkins hanteert in zijn boek The Selfish Gene:
“It is important to realize that the above definitions of altruism and selfishness are behavioural, not subjective. I am not concerned here with the psychology of motives. I am not going to argue about whether people who behave altruistically are ‘really’ doing it for secret or subconscious selfish motives. Maybe they are and maybe they aren’t, and maybe we can never know, but in any case that is not what this book is about. My definition is concerned only with whether the effect of an act is to lower or raise the survival prospects of the presumed altruist and the survival prospects of the presumed beneficiary.”
Pro-organisatorisch gedrag benader ik derhalve als gedrag dat hogere kosten met zich brengt voor degene die handelt dan de waarde van enig direct persoonlijk voordeel, waarbij het niet gaat om emotionele maar om materiële kosten en materieel voordeel.1 Het gaat daarbij zowel om actief als om passief pro-organisatorisch gedrag (denk bij een voorbeeld van passief gedrag aan het niet maken van misbruik van een bepaalde situatie). De Homo economicus die ten grondslag ligt aan de pay-for-performancebenadering zal nooit een dergelijke vorm van altruïstisch gedrag vertonen.
Het gedrag van mensen is uitvoerig onderzocht met experimenten in diverse gecontroleerde omgevingen.2 De afgelopen vijftig jaar hebben gedragswetenschappers talloze experimenten uitgevoerd om te testen wat mensen doen in die situaties waarbij het eigen belang, in de zin van materiële winsten of verliezen, conflicteert met de belangen van anderen.3 Uit deze experimenten blijkt dat mensen zich frequent en in uiteenlopende gevallen altruïstisch gedragen, zelfs als ze te maken hebben met vreemden die ze nooit meer tegen zullen komen.
Voor het bestuderen van zelfzuchtig of altruïstisch gedrag worden in de regel spellen met een sociaal dilemma gebruikt. Het sociale dilemmaspel is gebaseerd op het ‘prisoner’s dilemma’. In tegenstelling tot het prisoner’s dilemma is het echter niet beperkt tot een experiment met slechts twee mensen. Evenals bij het prisoner’s dilemma wordt aan iedere speler gevraagd om te kiezen tussen een coöperatieve strategie waarmee de andere spelers geholpen worden en een strategie waarbij de speler voor zichzelf kiest en hij of zij zijn of haar inkomsten maximaliseert. De speler maximaliseert dus, net als bij het prisoner’s dilemma, altijd zijn of haar inkomsten door geen coöperatief gedrag te vertonen. De groep ontvangt echter de grootste totale inkomsten als alle leden samenwerken.
Een gebruikelijk voorbeeld is een ‘group contribution game’. Een groep van een bepaald aantal spelers, stel 4, wordt samengesteld en iedere speler ontvangt een beginbedrag, bijvoorbeeld € 100. De spelers kunnen deze € 100 houden of alles of een deel ervan in een gezamenlijke pot storten. Al het geld dat in de pot wordt geïnvesteerd zal vermenigvuldigd worden met een bepaald nummer dat minder is dan het aantal spelers, bijvoorbeeld 3, en zal vervolgens evenredig verdeeld worden over het aantal spelers dat mee doet met het experiment (dus eveneens aan de spelers die niet ingelegd hebben). De ‘beste’ individuele strategie is om de € 100 te houden en daarnaast te hopen dat de anderen irrationeel handelen en wel inleggen zodat dat jij ook nog een deel krijgt van het verdriedubbelde investeringsbedrag. Als jij bijvoorbeeld jouw € 100 houdt en de andere drie al hun geld inleggen, dan eindig jij met € 325 (jouw € 100 plus € 225, namelijk ¼ van de totale investeringssom van € 900). Een rationeel persoon dat volledig gericht is op zijn eigen materiële eigen belang zal in dit geval samenwerken noch investeren, waardoor iedere Homo economicus weg zal lopen met € 100. Als iedereen mee zou werken en zou investeren dan zou iedereen € 300 ontvangen. Het rationeel najagen van ieders eigen belang zorgt er dus voor dat zowel de groep als ieder individueel lid van de groep slechter af is.4
Gedragswetenschappers hebben de resultaten gepubliceerd van honderden onderzoeken waarbij personen onderzocht werden van verschillende leeftijden en achtergronden uit verschillende culturen van over de gehele wereld. Een rationeel persoon die louter uit is op het maximaliseren van zijn eigen materiële belang (lees: de Homo economicus) zou bij een dergelijk spel nooit coöperatief gedrag vertonen. Echte mensen blijken geneigd te zijn om wel samen te werken. Uit onderzoek van de afgelopen vijftig jaar blijkt dat mensen in het algemeen in 50% van de gevallen coöperatief handelen.5 Dit resultaat is gedurende de afgelopen vijf decennia gelijk gebleven.6
Uit deze onderzoeken blijkt, dat mensen in veel gevallen altruïstisch gedrag vertonen, dat zij normaliter een bepaalde mate van altruïstisch gedrag van anderen verwachten, en tevens dat zij verwachten dat andere mensen ook altruïstisch gedrag van anderen verwachten. Deze onderzoeken laten derhalve zien dat de louter op het eigen materiële belang gerichte Homo economicus een incompleet en misleidend mensbeeld is.
Het feit dat in het algemeen in 50% van de gevallen altruïstisch wordt gehandeld, ondersteunt echter zowel de vaststelling dat mensen niet te allen tijde hun eigen belang voorop stellen als de vaststelling dat ze vaak wel in hun eigen belang handelen. Als mensen immers altijd altruïstisch handelen, als mensen meer in de buurt zouden komen van stewards, dan zouden we in 100% van de gevallen altruïstisch gedrag tegenkomen.7