De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/119:119 Het belang van pro-organisatorisch handelen
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/119
119 Het belang van pro-organisatorisch handelen
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Dorff 2014.
Frey & Meier 2002, p. 1-40.
Stout 2014. Zie Dorff 2014, p. 144. Frey & Osterloh 2005, p. 101/102.
“It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker that we expect our dinner, but from their regard to their own interest.”
Smith 1776, p. 140. Zie ook Brennan 1994, p. 38.
Noreen wijst onder meer op economen als Arrow, Becker, Harsanyi, Kurz en Hirshleifer, zie Noreen 1988, p. 359-369.
Arrow 1975, p. 15.
McKean 1975, p. 31.
Dorff 2014, p. 145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu kan iemand zich afvragen waarom altruïstisch gedrag en sociale normen van belang zijn bij ondernemingen. Ondernemingen draaien immers om het verdienen van geld. De samenwerking tussen actoren binnen een onderneming is echter een stuk complexer.1 Frey en Meier wijzen op de hoeveelheid aan empirisch bewijs dat ondersteunt dat de meeste mensen bereid zijn ten koste van hun directe eigen belang bij te dragen aan het algehele succes van hun onderneming.2 Pro-organisatorisch gedrag ziet dan ook op een breed spectrum van handelingen die van belang zijn voor de prestaties van de onderneming, zoals bijvoorbeeld harder en eerlijker werken dan iemand op basis van (de letter van) zijn contract verplicht is.3
De gedachte achter het inzetten van financiële prikkels om de prestaties te verbeteren rust op het economisch paradigma dat handelen in het eigen belang leidt tot optimale uitkomsten. Dit paradigma kent haar fundament in de bekende uitspraak van Adam Smith in zijn Wealth of Nations over het eigen belang van de slager, de brouwer en de bakker dat ervoor zorgt dat een ieder dagelijks wordt voorzien van een maaltijd.4 Ten onrechte wordt deze gedachte, die naar mijn mening eerder betrekking heeft op de situatie tussen bijvoorbeeld de onderneming en haar afnemers, één op één toegepast op de relatie van de verschillende actoren die opereren binnen een onderneming. Adam Smith wijst juist op de noodzaak om het eigen belang in een dergelijke context te minimaliseren, zo blijkt uit een andere passage uit de ‘Wealth of Nations’ van Adam Smith die zelden geciteerd wordt:
“A man ought to regard himself, not as something separated and detached, but as a citizen of the World, a member of the vast commonwealth of nations…and to the interest of this great community, he ought at all times to be willing that his own little interest be sacrificed.”5
Eric Noreen laat zien dat de waarde van pro-organisatorisch gedrag en deugdzaam handelen door enkele van de meest gedistingeerde economen als essentieel wordt gezien voor het efficiënt functioneren van markten.6 Hij wijst onder meer op de volgende uitspraken van Arrow en McKean:
“It can be argued that the presence of what are in slightly old fashioned terminology called virtues in fact plays a significant role in the operation of the economic system […][T]he process of exchange requires or at least is greatly facilitated by the presence of several of these virtues (not only truth, but also trust, loyalty, and justice in future dealings). Now virtue may not always be its own reward, but in any case it is not usually bought and paid for at market rates.”7 (Arrow)
“Unwritten agreements and trust (that is, confidence in each other’s voluntary compliance) […] [play] pervasive roles in business and social intercourse. Written agreements in business hit only the highspots of agreements; like the bulk of an iceberg, an enormous portion of such mutual understandings is unseen (MacCaulay) […] Many small, yet in the aggregate highly significant, instances of trust exist […] without the pressure of competition or the threat of a lawsuit.”8 (McKean)
De introductie van financiële prikkels stimuleert juist het eigen belang en zorgt voor een onderdrukking van deze ‘virtues’ die zo essentieel zijn voor het goed functioneren van een onderneming.
Dorff verwoordt het veranderende perspectief dat optreedt vanwege het introduceren van financiële prikkels door te stellen dat iemand wiens primaire doel het verdienen van de volgende bonus is, zijn werk op een andere manier zal benaderen dan iemand die gericht is op het verbeteren van de organisatie. Volgens hem dient de bezoldiging dan ook zodanig gestructureerd te worden om bestuurders aan te zetten zoveel mogelijk na te denken over hoe ze het best hun bestuursfunctie kunnen vervullen in plaats van hoe ze het best de volgende bonus kunnen binnenhalen. Vaste beloningen zoals een salaris verbergen de koppeling tussen de te vervullen taak en het verdienen van een beloning voor die taak. Werknemers zijn op de hoogte dat ze uiteindelijk werken voor hun bezoldiging, maar met gegarandeerde beloningen is de beloning losgekoppeld van individuele opdrachten. Prestatiebeloningen daarentegen zijn direct gekoppeld aan specifieke prestaties, die de koppeling tussen werk en de potentiële beloning juist benadrukken. Dit is ook precies de reden dat (financiële) economen aannemen dat deze vorm van bezoldiging de prestaties zal doen verbeteren. Ironisch gezien heeft deze koppeling juist het tegenovergestelde effect, onder meer door het pro-organisatorisch handelen te ondermijnen en de aandacht af te leiden van de eigenlijke taak.9