Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.3
8.1.3 Het perspectief van officieren van justitie
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200819:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tegenwoordig hebben officieren van justitie meestal geen betrokkenheid meer bij een bepaald werkgebied.
Dit verschil is het sterkst wanneer het een ‘bulkzaak’ betreft of wanneer de enige betrokkenheid van een officier bij een zaak is dat hij deze op zitting moet brengen, in de rol van ‘zittingsofficier’ en niet in een eerder stadium betrokken is geweest bij de betreffende zaak (zie hoofdstuk 5).
Soms zijn officieren bijvoorbeeld getuige van een politieverhoor, ook voeren ze in een deel van de gevallen zelf gesprekken met verdachten (via videoverbinding), slachtoffers van criminaliteit (wanneer zij daarom verzoeken) en met nabestaanden van dodelijke slachtoffers. Echter officieren van justitie benadrukken dat politiemensen meer dan zij in aanraking komen met de emoties van bijvoorbeeld slachtoffers en getuigen.
Dergelijke principes zijn uitgebreid beschreven door Georg Simmel, die simpelweg begon met uiteen te zetten welke sociale mogelijkheden ontstaan wanneer sprake is van een triad, in plaats van een dyad: hij dacht dat zich belangrijke sociologische ontwikkelingen voordoen wanneer een groep van twee personen zich transformeert door toevoeging van een derde persoon (Ritzer, 2000: 33-34).
In reactie op opvattingen van politiemensen over het strafrecht zeggen officieren regelmatig dat de politie en de rechterlijke macht ‘verschillende werelden’ zijn. Net als politiemensen menen ook officieren van justitie dat ‘wat je ziet en meemaakt op straat’ verschilt van ‘de juridische werkelijkheid die ervan gemaakt wordt’. Daarbij denken officieren van justitie vaak ook zelf een aan hun functie gebonden ‘perspectief’ te hanteren. Zowel in vergelijking met politiemensen als met rechters worden verschillen ervaren. De aanwezigheid van ‘juridische kennis’ of een ‘juridische blik’ leidt volgens officieren tot een belangrijk verschil met politiemensen in de manier waarop tegen het functioneren van het strafrecht wordt aangekeken. De emoties en informatie waarmee officieren van justitie in aanraking komen leidt volgens hen eveneens tot een verschil in perspectief, met zowel politiemensen als rechters. Ten opzichte van met name rechters lijkt er ook een verschil te zijn in de mate waarin de institutionele context het perspectief bepaalt. Hieronder wordt hierop nader ingegaan.
Werksituatie
Politiemensen beschikken niet over een specialistische juridische opleiding zoals een officier van justitie of een rechter. Daarbij lijkt de behoefte aan het realiseren van street justice (Sykes, 1986) voor degenen die een beroep op hen doen voor hulp, juridische overwegingen uit hun blikveld te verdringen. Officieren blijken dat ook zo te zien: niet alleen hebben zij in vergelijking met politiemensen meer juridische kennis in huis, ook zeggen ze te beschikken over een sterker ontwikkelde ‘juridische blik’. Zo menen officieren beter onderscheid te kunnen maken tussen intuïtie en feiten en zouden ze ‘beter getraind en opgeleid zijn in het betrekken van de belangen van de verdachte in de oordeelsvorming’. Ook zijn officieren beter op de hoogte van juridische eisen die tijdens het strafproces aan bod kunnen komen. Een jeugdofficier meent dat de politie vaak terecht zorgen heeft over bepaalde verdachten, maar vaak niet in staat is deze zorg in juridische termen om te zetten, zodat er in het strafrecht iets mee kan gebeuren:
‘[Politiemensen] zien en horen wat er gebeurt, maar dat is niet altijd voldoende om te zeggen dat iemand ook een bepaald feit heeft gepleegd. Maar ze hebben vaak gelijk en denken waarschijnlijk terecht: die jongens voelen zich alleen maar groter worden en komen er maar mooi mee weg. Ze zeggen bijvoorbeeld: “We weten dat die met die omgaat en aan het afglijden is. We willen dat aanpakken en een plan maken. Heel hinderlijk, de buurt klaagt en wat gaan we doen?” We hebben [bijvoorbeeld iemand] die ergens heeft lopen vernielen. Er zijn twee jongens gezien en de tweede jongen is niet bekend. Dan kan de politie best zeggen: “Ja, maar Pietje is altijd bij Jantje. En diezelfde dag is hij ook nog wel met Jantje gezien en had hij ook nog wel hetzelfde aan als wat door de getuige is gezien. Daarom kan het bijna niet anders dan dat hij ook bij die vernieling was. Ze trekken altijd samen op.” Ik geloof best dat ze altijd samen zijn, maar is dat voldoende om te zeggen dat zij ook samen die vernieling gepleegd hebben? Dat denk ik niet.’
Weliswaar ervaren officieren van justitie een verschil in perspectief met politiemensen op grond van hun grotere juridische deskundigheid en een meer getrainde ‘juridische blik’, maar dit is niet het hele verhaal. De rechtsbeschermende functie van strafrecht, het belang van controle en reflectie en mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ bij delinquenten, spelen een belangrijke rol in hun perspectief op het strafrecht. Echter, in de praktijk ervaren officieren van justitie beperkte mogelijkheden hier aandacht aan te besteden. Ook ervaren zij soms veel druk van politiemensen, zoals een officier van justitie tijdens haar ZSM-diensten. Zij wordt regelmatig benaderd door politiemensen die menen dat verdachten preventief gehecht moeten worden (zie ook hoofdstuk 4).
‘Tot mijn verbazing wordt hier verschrikkelijk veel voorgeleid. Als je maar ergens een grond kan vinden wordt de verdachte voorgeleid. Ik heb geleerd in mijn opleiding: je moet ook bedenken welk doel je [met voorlopige hechtenis] hebt. Bovendien zet je druk op je onderzoek en neem je een voorschot op wat nog gaat komen. Bij het vorige arrondissement waar ik werkte was ik gewend alleen voor te geleiden in gevallen waarin dat noodzakelijk leek. Hier kreeg ik mot op ZSM: “Daar heb je die officier weer die niet wil voorgeleiden.” Je wordt als een soort kuiken afgeschilderd. Ik had dus regelmatig discussie hierover met de politie en soms kwam het hoge woord eruit: “Zonder voorgeleiding hebben we geen zaak en dus geen poppetjes.”’
In de interviews valt op dat officieren van justitie de werkdruk bij het OM regelmatig als hoog ervaren: ‘De werkdruk is hoog, tijd is een probleem. Je hebt altijd te weinig tijd. Je moet keuzes maken. Sommige dingen blijven langer liggen dan gewenst is, [de voorbereiding van] zittingen bijvoorbeeld.’ De werkomstandigheden voor officieren van justitie lijken daarmee tenminste bij een deel van de werkzaamheden weinig ruimte te bieden voor controle op punten die hun magistratelijke rol raken. Het volgende voorbeeld geeft dit aan: ‘We werken allemaal onder tijdsdruk: maandag- en vrijdagochtend heb je veel voorgeleidingen. Dan merk je weleens druk: toch even snel die dossiers scannen. Daardoor kun je belangrijke elementen missen.’
Officieren menen dat de werkdruk onder invloed van organisatorische veranderingen binnen het OM is toegenomen. Niet alleen de caseload van de officier is van invloed, ook organisatorische knelpunten zouden hieraan bijdragen. Een officier van justitie:
‘Wat de organisatie betreft merk ik wel dat we steeds minder tijd hebben om ons werk te doen. Dat geeft spanning op de kwaliteit. Moet het een zes of een acht zijn, met een zesje red je het ook. Ik vind wel dat je je verantwoordelijkheid kunt waarmaken, maar je moet soms op zitting wel wat meer uitleggen. Het schiet tekort bij de administratie. Wij moeten controleren of alles gedaan is wat verwacht wordt: uitbrengen van dagvaardingen op tijd en zo. Het zijn geen heel belangrijke dingen, niet over of je een zaak wel kunt bewijzen, maar wel of je ze goed kunt afdoen. Is iedereen geïnformeerd en van stukken voorzien? Dat is weleens lastig, dat die kwaliteit soms niet op orde is. De [inhoudelijke] kwaliteit van zaken, daarin zie ik geen verschil met vroeger. Die kwaliteit is gewoon goed.’
Ook kan werkdruk volgens een officier van justitie bijdragen aan een op productie gericht, ‘procesmatig’ perspectief van collega’s: hoe kunnen zaken vlot worden afgehandeld? Door een in zijn ogen te beperkte hoeveelheid beschikbare tijd per zaak is er in het perspectief van de officier te weinig ruimte voor achterliggende problematiek en blijft ook het blikveld van andere OM-medewerkers noodzakelijkerwijs beperkt tot de vraag hoe een zaak snel afgesloten of een sanctie opgelegd kan worden.
‘Ik bekommer me eigenlijk amper om de executie van de straffen. Telkens komt er weer iets anders binnen en dan gaan we weer naar de volgende zaak. Maar je moet ook zorgen dat iemand iets blijvends meeneemt en niet alleen maar een tijd opgesloten zit.’
Volgens deze officier wordt nog te weinig (in samenwerking met anderen) gekeken naar noodzakelijke voorwaarden om het gedrag van de verdachte positief te beïnvloeden:
‘De procesoriëntatie, die kennen we al heel lang. Ik denk dat er ook wat breder gekeken moet worden. Ik denk dat de idee van ZSM goed was, maar dat het in de praktijk overeenkomt met hoe het ging, alleen dan wat sneller.’
Sommige officieren van justitie wijzen op meerdere factoren waardoor volgens hen de blik van het OM nogal eens gefixeerd wordt op een ‘harde aanpak’ (zie hoofdstuk 2). Mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ zouden vaak weinig aandacht krijgen. Het veelvuldige gebruik van richtlijnen en de nadruk op snelheid binnen ZSM (waarbij wel diverse overlegpartners van het OM aan tafel zitten) zijn factoren die door officieren van justitie worden genoemd: ‘Het is vaak heel erg: iemand is fout, richtlijn toepassen, klaar.’ Ook andere partijen als gemeenten en Veiligheidshuis, zijn hier volgens officieren van invloed, doordat ze er in veel gevallen vanuit zouden gaan dat het strafrecht wel de oplossing zal bieden voor veiligheidsproblemen.
‘Het OM werkt erg procesgedreven en daarbij gaat het veel minder over de context van strafbare feiten. (…) Wij eisen, vorderen en bevelen. Dat is heel directief. Dat is van oudsher, maar ik denk dat het niet meer zo functioneel is. Ik vind dat de macht die wij hebben verantwoordelijkheid geeft, niet om solistisch op te treden, maar om te kijken hoe zit het met schulden, de uitkeringssituatie, werk, de psychische situatie. De leefgebieden zouden veel meer meegewogen moeten worden bij de vraag hoe het strafrecht kan helpen om weer een rechte lijn te krijgen. Het Veiligheidshuis werkt vaak ook niet zo, gek hè?’
‘Als iemand de hele dag voor zich uit zit te staren, dan is de kans groter dat hij weer terugvalt in crimineel gedrag en verslaving. Vrijwilliger bij de kringloop of wasknijpers in elkaar zetten, er moet iets gebeuren. Maar je merkt dat gemeenten niet altijd even genegen zijn om daarin een positie in te nemen. Dat zie je breder in de maatschappij, men kijkt graag richting de strafrechtsketen en zegt: “Pak het maar keihard aan.” Maar hoe effectief is dat?’
Soms wordt ook door rechters genoemd dat bij hen de werkdruk tijdens politierechterzittingen tot een ongewenste routinematige behandeling van zaken zou leiden. Toch ervaren rechters die eerder officier van justitie zijn geweest een groot verschil in beschikbare tijd voor het nemen van beslissingen. Daarnaast zeggen veel rechters op basis van hun ervaringen met officieren in de zittingszaal, zich zorgen te maken over de hoge werkdruk en achterliggende organisatorische knelpunten binnen het OM (meer dan over soortgelijke problemen binnen de rechtspraak).
Emoties
In de meeste gevallen zijn officieren van justitie voor een belangrijk deel afgeschermd van emoties die een rol spelen in strafzaken. Als ze daarmee in aanraking komen, is dat meestal indirect via contacten met politiemensen. In veel gevallen is de directe confrontatie met de gevolgen van criminaliteit, het gedrag van verdachten en de wens van burgers om daartegen iets te doen of gedaan te krijgen, immers het werk van de politie (zie hierboven).1 Geïnterviewde officieren van justitie denken dat er op basis hiervan een verschil is in de intensiteit waarmee politiemensen en officieren van justitie in aanraking komen met de emoties die een rol spelen bij criminaliteit en strafrecht, zowel bij slachtoffers, getuigen en verdachten, als bij politiemensen zelf.2
Nadat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden worden geuite gevoelens en gedragingen van alle betrokkenen meestal na verloop van (enige) tijd en slechts gedeeltelijk, mondeling, telefonisch of ‘via het papier’, dus indirect op officieren van justitie overgebracht. Ze staan op afstand van het gepleegde delict en eventuele slachtoffers. Ze voelen zich er daardoor normaalgesproken emotioneel niet bij betrokken. De werksituatie van officieren van justitie lijkt op basis hiervan door een zekere mate van distantie gekenmerkt te worden.
Vanwege hun geringere betrokkenheid, komt volgens officieren van justitie in hun opvattingen over strafrecht minder nadruk te liggen op de instrumentele functie van strafrecht dan onder politiemensen. Ze lijken daardoor meer gericht op criminal justice dan op street justice (vgl. Sykes, 1986). Op dezelfde wijze lijkt in het perspectief van officieren meer ruimte te zijn voor de doelstelling van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’.3
‘De politie zit met slachtoffers en getuigen aan tafel. Ik niet. Ik hoor het via via aan de telefoon, maar ik zit niet met die mensen aan tafel. Ik snap wel dat politiemensen vanuit hun emotie eerder zeggen “dit kan toch niet”.’
‘Als ik politieman was en ik moest voor de derde keer bij iemand de buurman weghalen, omdat die staat te krijsen, dan zou ik ook denken: “Ik zou willen dat ik die vent definitief kon weghalen hier, want zijn buren zijn degenen met wie ik echt medelijden heb.” Als ik dat als officier moet beoordelen, moet ik nagaan of die man terecht is weggehaald, maar ik zie die buren niet.’
Ook de tijd die is verstreken sinds een delict is gepleegd, vermindert de emotionele betrokkenheid daarbij, zo meent een officier van justitie. De mate waarin de belangen van de verdachte doordringen neemt volgens hem toe met het verstrijken van de tijd: ‘Gaandeweg, naarmate je [gevoelsmatig] meer afstand krijgt van het slachtoffer en het delict, gaat de harde kant er iets meer af, en komt er meer bij je binnen van wat in het belang van de verdachte is.’ Ook is na verloop van tijd, als er een rechtszitting wordt gehouden, de situatie van de verdachte vaak anders dan ten tijde van de aanhouding en het opsporingsonderzoek: de fase waarin de politie zich nog met de verdachte bezighield. Officieren van justitie zien deze verandering wel, betrokken politiemensen vaak niet.
‘Ik vind een taakstraf niet altijd passend. Het hangt ook een beetje af van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Je kan wel een keiharde officier willen zijn, maar als het weer iets beter gaat en er is weer wat perspectief [voor de verdachte], dan is het niet goed om daar dwars doorheen te fietsen [met een gevangenisstraf]. Dan kun je beter gaan werken. Op zitting is het leven van de verdachte vaak weer een paar maanden verder en in tussentijd zijn er soms [positieve] ontwikkelingen. De politie ziet vaak niet het eindresultaat. Voor hen houdt het op als de zaak wordt ingezonden. De reclassering, het psychologisch rapport - ook dat zijn elementen die de politie mist. Men zit niet in de zittingszaal om te kijken wat er gebeurt.’
Officieren en rechters zouden een ander perspectief op strafzaken krijgen dan politiemedewerkers, doordat ze daarmee vaak op een later moment in aanraking komen. Het verschil is niet alleen dat persoonlijke omstandigheden van de verdachte en mogelijkheden tot gedragsverandering dan duidelijker zijn gerapporteerd, maar ook dat deze beter tot hen zouden doordringen. Tegelijkertijd geven officieren van justitie tijdens interviews aan zelf een verschil in perspectief te ervaren met rechters. Rechters zouden merkbaar minder met emoties in aanraking komen dan officieren. Een rechter haalt zijn informatie uit het strafdossier en krijgt als het ware een momentopname via het strafproces, maar lijkt (nog) minder krachtige indrukken op te doen dan de officier van justitie. Onder meer door contact met de politie en soms met slachtoffers, denken officieren van justitie in een deel van de gevallen sterker dan rechters betrokken te zijn bij de ernst van gepleegde strafbare feiten, of bij het ‘onrecht’ dat slachtoffers is aangedaan. Een officier vat de situatie als volgt samen:
‘Voor ons is het makkelijk praten achteraf. Voor [politiemensen] leeft het meer dan voor ons. Zij hebben vaak het slachtoffer gesproken, de verdachte verhoord, het onrecht gevoeld. Wij hebben dat een graadje minder en de rechtbank nog een graadje minder.’
Tot de werkomstandigheden van officieren van justitie behoort volgens sommige van hen nadrukkelijk een ‘klassieke rolverdeling’: een verhouding tussen officier en rechter die vooraf gegeven lijkt en min of meer vastligt. Op basis hiervan is het in de ogen van een officier voornamelijk aan de rechter om op negatieve neveneffecten van straf en op mogelijkheden voor ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ te letten. De officier van justitie is in de eerste plaats een aanklager die namens de samenleving met zijn strafeis kan laten zien dat het niet acceptabel is om strafbare feiten te plegen. Morele verontwaardiging daarover moet erin doorklinken.
‘Een meneer heeft iemand helemaal kapot gereden en moet gewoon een tijdje gaan zitten, al was het maar om de norm te bevestigen. Als je dit doet, dan moet je een tijdje zitten. Het hof neemt uiteindelijk mijn overwegingen over en zet de dader vier maanden in de cel. Ik weet ook wel dat iemand daar niet beter van wordt, maar het gaat erover: welke reactie laat je zien aan de maatschappij en wat betekent het voor de slachtoffers? Het is de klassieke rolverdeling. Ik vind dat ook helemaal niet erg. Het zou zorgelijk zijn als de rechtbank standaard over onze eisen heen zou gaan. Het wordt van ons verwacht om de toon te zetten.’
Werkomstandigheden bepalen ook de wijze waarop officieren van justitie aankijken tegen hun eigen rol bij het realiseren van de rechtsbeschermende functie van strafrecht. Zo meent een officier van justitie dat een volgens haar onduidelijk tapgesprek, niet door haar maar door een rechter moet worden beoordeeld – simpelweg omdat de officier de eindbeslissing niet hoeft te nemen. In het volgende voorbeeld is de vraag of kan worden geconcludeerd dat de verdachte op de plaats delict is geweest.
‘Als iemand onder de tap zit en iets vaags zegt, dan zegt de politie bijvoorbeeld: “Daar kan je uit afleiden dat hij [op de plaats delict] is.” Dan zeg ik: “Dat zou ik er ook wel uit willen afleiden, maar hij zegt het niet letterlijk dat hij ergens staat.” Daar heb je heel sterk te maken met overtuiging, die een rechter ook moet krijgen. De overtuiging van de politie klopt vaak en als officier zit ik daar tussenin. Ik hoor van [politiemensen] hoe zij het lezen en begrijpen, maar uiteindelijk lezen de rechters alleen van het papier.’
Deze officier van justitie beschouwt zichzelf hier niet als een mogelijk eindstation, maar als een soort tussenpersoon tussen politie en rechter in. De positie van de officier (veelal is deze niet verantwoordelijk voor de eindbeslissing) brengt deze mogelijkheid met zich.4 Maar een officier van justitie kan hier ‘als een rechter’ besluiten om het twijfelachtige tapgesprek weg te laten. Niet bekend is hoe de rechter in dit voorbeeld heeft geoordeeld.
Door de overtuiging van politiemensen (deels) te volgen laat de geïnterviewde officier van justitie nog niet een situatie ontstaan zoals in Packers crime control model wordt beschreven (zie hoofdstuk 2). Hierin wordt weliswaar sterk afgegaan op de het oordeel van de politie over een strafzaak, maar wordt ook de rol van de rechter zoveel mogelijk beperkt.
Officieren van justitie willen ‘basiswaarborgen niet loslaten’, maar zo menen sommigen van hen, het is van belang de interpretatie van de politie of het ‘opsporingsperspectief’ bij de beoordeling van bewijs te betrekken. Ook het volgende citaat maakt dit duidelijk. Hoewel een geïnterviewde officier meent dat de politie tot probabilistisch redeneren (zie hoofdstuk 4) is geneigd en soms ervaart te veel op het oordeel van politiemensen te zijn afgegaan, meent hij toch dat zijn beoordeling van bewijs niet los gezien kan worden van het samenwerken met politiemensen. Daarbij impliceert het element overtuiging in het bewijsrecht volgens hem een zekere oordeelsruimte op basis van intuïtie en common sense en kunnen politiemensen van invloed zijn op het uiteindelijke oordeel. Vervolgens kan de confrontatie met de rationele, kritische blik van rechtbank of collega’s binnen het OM cynisch maken over het functioneren van het strafrecht.
‘Ik heb weleens beroep ingesteld en dat beroep later toch ingetrokken. Dan ben ik aanvankelijk te veel meegegaan met de gedachte [van de politie]: “Die gozer moet het wel zijn.” Maar het zat er toch niet in, kijkend naar de overwegingen van de rechtbank. Soms moet ik daar ook door de advocaat-generaal op worden gewezen. Dat komt voor. (…) Het heeft soms te maken met loyaliteit naar de politie, waarbij niet is gezegd dat ik iets doe om de politie tevreden te stellen, maar ik ga weleens mee in hun gevoel over de zaak. Het is geen hogere wiskunde: je kunt het niet in de computer stoppen. Het gaat om de weging. Haal ik hieruit de overtuiging dat de verdachte iets gedaan heeft? Dat is het vak. Maar hier kan je bij mij ook wel enig cynisme bespeuren: je kunt bij een bepaalde combinatie een vrijspraak scoren, waar je weet dat een andere combinatie tot een veroordeling was gekomen.’
Kortom, in de werkomstandigheden van officieren van justitie zitten elementen die ertoe kunnen bijdragen dat de rechtsbeschermende functie van strafrecht en mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ sterker in hun opvattingen tot uiting komen dan bij politiemensen het geval is. En tegelijkertijd ervaren ze factoren waarvoor het tegenovergestelde geldt.
Informatie
Het werk van de officier van justitie beperkt zich in een deel van de zaken niet, zoals bij de zittingsrechter het geval is, tot het strafdossier en de rechtszaal. Door hun rol van ‘leider onderzoek’ (met name bij TGO’s) hebben officieren vaak het gevoel over meer informatie te beschikken dan rechters. In hun ogen is zelfs regelmatig ‘het belangrijkste verschil [met een rechter] de informatie die je binnenkrijgt’, aangezien dit ‘bepalend is voor je focus’. Ze zijn dan over een groot deel van het opsporingswerk geïnformeerd en krijgen hieruit meer informatie over verdachten dan rechters. Daarbij kan het gaan om informatie uit (eerder) opsporingsonderzoek, achtergrondinformatie over criminele delicten en mogelijke verbanden daartussen. Al is een deel van deze informatie voor de voorliggende strafzaak niet direct relevant, toch menen sommige officieren dat hun perspectief op de zaak erdoor wordt beïnvloed. Officieren wijzen er verder op dat zij (weliswaar anticiperend op het oordeel van de rechter) verantwoordelijk zijn voor het vormen van strafdossiers, hetgeen een ander gezichtspunt zou opleveren dan dat van de rechter, die er alleen over oordeelt.
‘Wij zijn als officieren geneigd om, als je een onderzoek hebt gedraaid, het complete plaatje erbij te betrekken en willen de zaak rondmaken. Wij zijn in de voorbereiding bezig om de zaak te bouwen en de rechter krijgt een dossier waar hij over moet oordelen.’
Ook ervaringen die de politie met verdachten heeft opgedaan, maken onderdeel uit van het ‘opsporingsperspectief’ dat officieren van justitie bij zichzelf herkennen.
‘Ik ken het onderzoek veel beter dan de rechtbank het ooit zal kennen. Ik ken de gebeurtenissen uit de eerste hand van de politie. De rechtbank krijgt een afgeslankte versie van het geheel, alleen wat relevant is komt in het dossier. Ik weet vaak nog veel meer. Dingen die al wel spelen, maar die ik nog niet kan vrijgeven, waarvan we denken, de verdachte heeft dat en dat ook gedaan maar dat kunnen we niet bewijzen. (…) Je zit tussen de politie en rechtbank in, zo voelt dat heel vaak. Ik moet de politie af en toe een beetje afremmen en de rechtbank van veel overtuigen.’
‘Ik krijg dezelfde verdachte vaker in beeld dan de rechter, mede doordat er ook wel onderzoek wordt gedraaid zonder resultaat. En wat ik zie, is weer een klein deel van wat de politie ziet. Ik weet van bepaalde daders die telkens weer in beeld komen, maar dat het niet lukt om opsporingsonderzoek te doen. Je weet gewoon dat deze persoon strafbare feiten pleegt, het lukt alleen niet om het bewijs te vergaren om met een zaak naar zitting te kunnen. Dat beïnvloedt wel je beeldvorming. Als zo iemand uiteindelijk op zitting staat en de verdachte houdt een verhaal wat niet in het plaatje past dat jij hebt, dan wil je wel gaan roepen: “Luister, ik ken deze verdachte al jaren!”’
Bij een deel van de opsporingsonderzoeken zijn officieren van justitie langdurig en nauw betrokken. Het geeft hen soms het gevoel dat rechters ‘een dimensie missen’. Hoewel veel feitelijke informatie normaalgesproken bij de rechtbank terechtkomt, lijkt de rechter volgens officieren van justitie een ander perspectief te hanteren bij het beoordelen van een strafdossier of een ‘vordering voorlopige hechtenis’. Een officier legt het verschil met zijn eigen perspectief als volgt uit:
‘Als officier lees je andere dingen, krijg je andere informatie binnen en heb je andere contacten dan de rechter op zitting. (...) Een rechter (...) zit met de verdachte in de zittingszaal en praat vooral met de verdachte. De rol van het slachtoffer is daarbij beperkt. De officier zit er tussenin [tussen de belangen van slachtoffer en verdachte]. De officier spreekt ook met de politie over een zaak en ook wel met slachtoffers in een wat zwaardere zaak, dus heeft rechtstreekse contacten.’
Officieren van justitie ontwikkelen op grond van hun werksituatie (waarin ze nauw samenwerken met politiemensen) en de informatie waarmee ze worden geconfronteerd, een perspectief op het strafrecht dat gemakkelijker lijkt aan te sluiten bij de instrumentele dan bij de rechtsbeschermende functie ervan. Vanuit dit ‘opsporingsperspectief’ lijkt het strafrecht voor hen eerder onwenselijke hindernissen op te roepen dan voor rechters (vgl. Packer, 1964). Ook levert het beeld dat men via het ‘opsporingsperspectief’ van een verdachte krijgt en het beeld dat de rechter krijgt op basis van zijn voorkomen en gedrag tijdens de zitting, een ervaren verschil in perspectief op. Hierdoor lijkt in de ogen van sommige officieren van justitie de rechter vaak te mild gestemd over wat de verdachte te verwijten valt.
‘Rechters staan niet met de neus op de feiten en dat geeft ruimte voor een zekere naïviteit. Een verdachte is charmant tijdens de zitting en dan is het in de ogen van de rechters ook al gauw een aardige man en lijken de feiten minder ernstig. Maar die leuke man is in feite een enorme engerd. (…) De rechter ziet de verdachte in een lamswollen truitje voor zich zitten en de politie herkent hem bij wijze van spreken niet meer. Dit is niet de persoon die we lange tijd hebben gevolgd, die wij destijds hebben aangehouden, waarmee wij gesproken hebben en allerlei dingen over hebben gehoord. Sommige verdachten doen dat erg goed.’
Enkele officieren menen dat het simpelweg volgen van de strafrichtlijn door hun werksituatie te veel voor de hand ligt. Niet alleen door tijdsdruk is dat zo (zoals eerder genoemd), maar ook doordat er volgens hen vaak te weinig informatie voorhanden is. Een officier van justitie die wenst dat er naast juridische aandacht, meer contextuele aandacht komt (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 182), schetst hoe de werksituatie van officieren van justitie in zijn ogen zou moeten veranderen om te zorgen dat zij hun blikveld verbreden. Zo zou meer aandacht voor daders er volgens hem ook toe kunnen leiden dat door officieren eerder aan mediation wordt gedacht, in plaats van aan een strafrechtelijke afdoening. Verder zouden volgens hem meer slachtoffergesprekken moeten worden gevoerd.
‘We moeten niet alleen juridisch kijken, de vraag is ook: Wat betekent zo'n zaak eigenlijk? Als een politieman- of vrouw beschrijft hoe hij ‘s nachts om drie uur iemand vanachter een container vandaan ziet springen, dan moet je eigenlijk voelen hoe dat is. Ik vind dat we dat als OM te weinig doen en ik ben op zoek hoe we dat nou meer kunnen toevoegen aan de juridische beoordeling, die je volgens mij altijd moet blijven maken. Ik denk dat vaak de neiging ontstaat om informatie weg te filteren, om maar tot de juridische essentie te kunnen komen. (…) Kijk niet alleen hoe het juridisch in elkaar zit, op een procesmatige manier, maar wees ook nieuwsgierig naar wat er om het feit heen gebeurd is. Informeer of de buren gehoord zijn, ga het slachtoffergesprek aan. Denk eens aan mediation, maar laat vooral veel meer de inhoud bepalend zijn.’
Officieren van justitie blijken vaak geen tijd te hebben om een verdachte te zien die mogelijk moet worden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Hun perspectief beperkt zich daarmee tot de informatie van de politie, die om voorgeleiding heeft gevraagd. Vervolgens blijken officieren van justitie normaalgesproken ook niet bij de voorgeleiding aan de rechter-commissaris aanwezig te zijn. Zowel informatie van de verdachte of zijn advocaat en overwegingen van de rechter bereiken de officier mogelijk slechts in beperkte mate of helemaal niet.
Hun eigen perspectief relateren officieren van justitie niet alleen aan de emoties en informatie waarmee ze in aanraking komen, maar ook denken zij verhoudingsgewijs meer aandacht te moeten hebben voor het strafbare feit en minder voor de persoon en de omstandigheden van de verdachte of voor zijn toekomst.
‘Vanuit mijn officiersblik kijk ik er anders naar dan de rechter denk ik. (...) Als iemand [een verdachte] met een behandeling is begonnen bijvoorbeeld. Dan vind ik soms het feit zo ernstig, dat een behandeling daarvoor dan toch moet worden onderbroken en de dader een tijdje moet zitten. Dat zijn zaken die toch wel regelmatig een verschil opleveren in de beoordeling van de strafmaat. Ik vind dat moeilijk te verklaren. Je zou bijna kunnen denken dat wij als officieren nog wat meer op vergelding zijn gericht. (...) Bepaalde factoren weeg je af en soms slaat het dan door naar de andere kant. Dan moet hij echt maar even zitten en daarna zijn behandeling oppakken en verder met zijn leven et cetera. Dat is iets wat ik ook wel bij veel collega’s proef.’
Uit de interviews met officieren blijkt ook dat zij een individuele strafzaak regelmatig wensen te beschouwen als een voorbeeld van een algemener crimineel verschijnsel. De individuele strafzaak wordt net als vaak door politiemensen gebeurt, ook door officieren soms geïnterpreteerd vanuit een bekend ‘type’. Dat sommige officieren zijn gespecialiseerd in het onderzoeken en vervolgen van bepaalde delicttypen, draagt hier mogelijk aan bij. Zo lijken officieren van justitie door van typificaties uit te gaan te weten wat er aan de hand is. Deze geven houvast tot er aanleiding is om het geschetste beeld bij te stellen (Terpstra, 2008; zie ook hoofdstuk 4).
Informatie over de sociale context brengt in het volgende voorbeeld een officier tot een andere interpretatie van de feiten in het strafdossier dan de rechters. Het feit dat de aangeefster in de prostitutie zit zou door het gerechtshof niet zijn gekoppeld aan de mishandeling door haar partner, waardoor mensenhandel over het hoofd gezien zou zijn. Echter, ‘wie weet hoe mensenhandelaren werken’ beschikt in de ogen van deze in mensenhandelzaken gespecialiseerde officier van justitie over het benodigde perspectief en zou tot een ander oordeel zijn gekomen:
‘Op basis van een soort papieren dossier werd geconcludeerd dat dit meisje het [werken in de prostitutie] zelf wilde en dat daarnaast sprake was van een beetje huiselijk geweld. Bijna letterlijk zeggen ze dat, terwijl het meisje aangifte heeft gedaan en de rechtbank wel bewijs had gevonden. Dit soort zaken, daar word ik heel droevig van. Dan weet je niet wat er allemaal achter [prostitutie] schuilgaat.’
Behalve in individuele gevallen krijgen criminaliteit en overlast ook als algemene verschijnselen nadrukkelijk de aandacht van officieren van justitie. Mogelijk nieuwe verschijnselen of trends behoren volgens meerdere officieren op de voet te worden gevolgd. Daarbij hebben zij bijvoorbeeld het gevoel dat ‘de maatschappelijke context enorm verandert’, dat ‘er in zijn algemeenheid een verharding van de criminaliteit’ optreedt, of zou ‘de jeugd tegenwoordig [menen] dat ze alles mogen roepen en mogen doen’. De criminaliteit in het werkgebied van het betreffende parket speelt hierbij een belangrijke rol. Zo wordt tijdens interviews in één van de grote steden vaak genoemd dat hard moet worden opgetreden tegen het grote aantal liquidaties dat in de voorafgaande periode heeft plaatsgevonden.
Volgens officieren is het in toenemende mate de taak van het OM aan de rechter uit te leggen waarom een zaak bij de rechter wordt aangebracht en is daarvoor nodig de ‘context’ te betrekken waarbinnen crimineel gedrag voorkomt. In het volgende voorbeeld is een officier van justitie van mening dat de strafrechtspleging een duidelijke reactie moet geven op de problemen die criminele groepen uit het buitenland veroorzaken:
‘Ik vind dat je moet uitleggen aan de rechter waarom je met een zaak op zitting staat. Soms is dat niet zo evident, maar wel belangrijk. Ik had een steekpartij op zitting. Daar waren enkele Polen bij betrokken. Die komen hier naartoe als een soort gelukszoekers. Ze gebruiken veel alcohol en zijn ver weg van familie: daar zit een hele wereld omheen. Met die context hebben we te maken als [stad].’
Ook (tamelijk) op zich staande zaken worden door officieren soms in het perspectief geplaatst van een bredere ontwikkeling. Steeds dient volgens hen expliciet duidelijk te worden gemaakt wat wel en niet kan, in de hoop dergelijke ontwikkelingen met behulp van het strafrecht te keren of af te remmen. Soms denken officieren het perspectief van de rechter te kunnen verbreden naar een meer algemeen perspectief op criminaliteit en overlast. Een officier geeft verschillende voorbeelden waar dat zou zijn gebeurd. Steeds gaat het hierbij om pogingen van het OM aan de rechters duidelijk te maken welke criminaliteitsproblemen verergeren en in aanmerking moeten komen voor een steviger strafrechtelijke aanpak.
‘De rechters volgen het OM. Het OM heeft geïnvesteerd in mensenhandel, vervolgens zijn er speciale mensenhandelkamers gekomen. Je ziet zelfs voor moord- en doodslag de eisen in de afgelopen jaren hoger liggen. Dat heeft naar mijn overtuiging te maken met het liquidatiegeweld dat we hier (...) zien. Er komen hogere eisen uit en dat probeer je te onderbouwen. Een rechtbank kan zijn ogen daar niet voor sluiten. Die gaan mee, mede doordat in hoger beroep onze visie wordt bevestigd.’
Politieke en institutionele context
De werkomstandigheden voor officieren van justitie zijn niet los te zien zijn van de organisatie waar ze onderdeel van uitmaken. Hun perspectief op de strafrechtspleging lijkt hier mede door te worden bepaald. Zo is het OM onderdeel geworden van uiteenlopende samenwerkingsverbanden, met daaraan gekoppeld de notie dat ‘het strafrecht problemen niet alleen gaat oplossen’. De samenwerkingsverbanden die het OM is aangegaan hebben echter niet alleen geleid tot relativering van de repressieve kant van het strafrecht. Ze betekenen ook dat officieren hiervoor tijd moeten vrijmaken en meer betrokken zijn geraakt bij bestuurlijke doelen. Een officier denkt dat hieraan te wijten is dat ‘de klassieke magistraat uitsterft’ en ‘dat in de jaren tachtig en negentig de officier nog meer op afstand stond’. De afstand van de concrete aanpak van criminaliteit vermindert volgens deze officier ook door het tegenwoordig veel uitgebreider ingevulde gezag over de opsporing (vgl. Lindeman, 2012: 211): ‘Er was minder overleg tussen politie en officier, ook driehoeksoverleggen stelden minder voor. De klassieke officier kreeg een zaak op zijn bureau, ging daar juridisch wat van vinden en eventueel naar zitting.’ Door deze ontwikkelingen in de institutionele context waarin ze werken, lijken officieren van justitie steeds meer door (veiligheids) beleid en daarmee ook door de instrumentele functie van strafrecht in beslag te worden genomen.
‘We hebben nu als credo [binnen het OM]: betekenisvolle interventies. Daar sta ik ook wel achter. Dat is voor mij de reden om bij het OM te gaan werken: om erachter te komen waarom iemand iets doet en daar iets van te maken. Ofwel iemand te straffen én te zorgen dat hij het niet meer doet, en ook te zorgen dat slachtoffers verder kunnen met hun leven. Dat we daarbij nadruk blijven leggen op een aantal specifieke onderwerpen die in de maatschappij leven, vind ik positief. Onder Opstelten kwamen daar alleen maar prioriteiten bij, maar die gedachte vind ik positief. (…) Moet jihadisme daar ook onder vallen? Alle bootjes die aan komen varen, we worden in Europa overspoeld met ellende. Die prioriteit is dus heel positief.’
Tijdens de interviews gingen officieren en ook rechters soms uitgebreid in op organisatorische veranderingen binnen het OM. Deze staan in hun optiek vooral in het teken van door de overheid afgedwongen bezuinigingen en bedrijfsmatige sturingsprincipes. Opvallend is dat sommige officieren van justitie daardoor zorgen hebben over de kwaliteit van het werk dat ze kunnen afleveren. ‘Er moeten keuzes worden gemaakt’, zegt een officier erover. Mogelijk dat officieren van justitie hierdoor noodgedwongen minder oog hebben voor de rechtsbeschermende functie van het strafrecht. Zo menen sommigen van hen dat de werkomstandigheden mogelijkheden om het werk op een kritische wijze uit te oefenen te veel beperken. Een kwaliteitsofficier meent dat een grotere kans op fouten soms voor lief genomen moet worden:
‘Ik vind wel dat de druk op officieren echt groter is geworden. Ze hadden het vroeger ook al wel druk, maar ik vind dat de grenzen zijn bereikt en het gaat nu al ten koste van de kwaliteit, dat merk je wel. Op een gegeven moment houdt het op en moeten ze ook stoppen [met bezuinigen]. De voorgeleidingsverbalen voor de RC: het is een uitzondering, maar dan ook echt een uitzondering als de officier die van tevoren heeft gelezen. Toen ik [eerder] veel zaken deed was dat volstrekt ondenkbaar en had je het hele PV gelezen. Vaak wordt de vordering bij de RC gemaakt op basis van telefonische informatie van de politie. Dat is hartstikke fout en levert veel nadere vorderingen en reparatiewerk op. De complexe organisatie, zeker hier (…) in een heel groot gebied, betekent simpelweg dat je de kwaliteit niet meer kunt leveren. Het verminderde eigenaarschap van zaken is hiervan een consequentie. (…) Veel meer dan vroeger heb je overdrachtsmomenten en die gaan altijd gepaard met kwaliteitsverlies. We proberen dat te ondervangen met kwaliteitssystemen, met een acht wekenoverleg bijvoorbeeld. Daarbij bespreken we voor alle meervoudige kamer-zaken acht weken voor de zitting de inhoudelijke, maar ook de administratieve componenten van de zaak helemaal voor. Zodat we de zaak zo compleet mogelijk op de zitting krijgen.’
Controle en reflectie staan, net als een goede werkrelatie met politiemensen, onder druk van een streven naar meer efficiëntie. Dit geeft een nieuwe dimensie aan het inzicht dat officieren van justitie ‘werkers’ zijn die beschikbare informatie terugbrengen tot een ‘beslisbare’ omvang (vgl. Van de Bunt, 1985; zie hoofdstuk 2). Efficiëntie is niet alleen noodzakelijk, maar ook een noodzakelijk kwaad.
‘Allereerst is tijd een belemmerende factor bij ons. Daardoor kan ik wat minder in de zaken duiken dan ik zou willen. We zitten met een groot parket. Ik vond het prettig werken om mijn politiemensen te kennen en ook de verdachten die veel in beeld kwamen. Omdat dat de relatie met de politie goed houdt. Dat kan nu niet en dat is voor politie en officieren minder optimaal. Je weet niet hoe politiemensen hun werk doen. Ze weten dat andersom ook niet, en krijgen telkens iemand anders aan de lijn. Ik vind het fijn dat ik mijn jeugdzaken wel in een klein gebied heb, waarbij ik merk ook ingespeeld te raken op politiemensen. Bij de één moet ik meer daar aan denken en bij die moet ik het meer zo vragen. Organisatorisch is het lastiger werken in zo’n groot gebied.’
Het is lastig het perspectief van de officier van justitie in zijn algemeenheid kort samen te vatten: er zijn onderlinge verschillen en verschillende factoren spelen een rol. Juridische kennis en uitgebreidere, soms specialistische informatie over de verdachte leiden om te beginnen tot een belangrijk verschil in perspectief met politiemensen: zowel de rechtsbeschermende functie van strafrecht, als het belang van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ spelen hierdoor voor officieren een belangrijker rol dan voor de meeste politiemensen. Ook hun geringere emotionele betrokkenheid (bij bijvoorbeeld de gevolgen van criminaliteit) lijkt een verschil op te leveren met politiemensen, waardoor officieren van justitie zich eerder richten op criminal justice dan op street justice (vgl. Sykes, 1986). De instrumentele functie van strafrecht is minder dominant. In het perspectief van officieren van justitie lijkt daarnaast meer ruimte te zijn voor de doelstelling van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’.
Een deel van de officieren van justitie meent op basis van de hen beschikbare informatie over een completer beeld van de strafzaak en van de verdachte te beschikken dan rechters hebben. Ook politiemensen hebben vaak deze overtuiging (zie hoofdstuk 4). Daarnaast ervaren officieren van justitie dat hun perspectief mede wordt bepaald door de overtuigende manier waarop politiemensen informatie presenteren en door hun eigen betrokkenheid bij de opsporing. Beide elementen komen samen in het door officieren zelf gebruikte begrip ‘opsporingsperspectief’: veel informatie en indrukken die hiervan onderdeel uitmaken, maken geen onderdeel uit van het formele strafproces en horen daarin grotendeels ook niet thuis. Dit perspectief past beter bij de instrumentele functie van strafrecht dan bij de rechtsbeschermende functie ervan. In plaats dat die waarborgfunctie tot het uiterste wordt gevoerd lijkt het eerder rechtvaardig om verdachten met de instrumentele kant van strafrecht in aanraking te brengen. Rechters lijken vanuit dit perspectief onnodige hindernissen op te werpen of in een ‘andere werkelijkheid’ te zitten.
Het ligt voor de hand dat officieren van justitie op basis van het opsporingsperspectief eerder een ‘harde aanpak’ van criminaliteit voorstaan. De rechter krijgt een ander beeld van de verdachte op basis van het strafproces. Hij deelt grotendeels niet in het opsporingsperspectief en wordt juist sterker beïnvloed door wat verdachte en/of verdediging hem te zeggen hebben. Ook ervaren officieren van justitie regelmatig sterke invloed van hun aanklagersrol. Daarbij past het in hun ogen niet uitgebreid stil te staan bij mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ van de delinquent, maar dient de strafeis voornamelijk tot het (namens de samenleving) tot uiting brengen van morele verontwaardiging over gepleegde strafbare feiten.
Officieren van justitie lijken zich meer dan rechters te oriënteren op doelstellingen van veiligheidsbeleid. Mogelijk is de oorzaak daarvan dat ze daar voor een deel van de tijd mee bezig zijn, door hun betrokkenheid bij bijvoorbeeld bestuurlijke overleggen en samenwerkingsverbanden (zie ook: Lindeman, 2012; 2017).