Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.7.2
7.3.7.2 Geen bewijslevering noodzakelijk
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940730:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, p. 480-481. Zie ook Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 105, alsmede de jurisprudentie- en literatuurverwijzingen aldaar (noten 291 en 292).
Dit is vaste jurisprudentie, zie HR 20 februari 1935, B. 5798, HR 8 januari 1936, B. 6036 en HR 14 januari 1953, BNB 1953/83, HR 18 mei 1960, BNB 1960/194, en ook HR 4 juni 1986, BNB 1986/250, HR 26 november 1986, BNB 1987/32 en HR 2 maart 1994, BNB 1994/164. Zie ook Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 105-106 en de jurisprudentieverwijzingen aldaar.
Feteris 2007, p. 480.
Feteris 2007, p. 481.
Zie Haas & Jansen 2015, alsook de noot van Hofstra onder HR 9 september 1987, BNB 1988/1 en de noot van Van Leijenhorst onder HR 14 november 2003, BNB 2004/47, alsmede de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Zie voorts HR 13 november 2007(strafkamer), NJ 2007, 627. Vgl. ook Koopman 1996, p. 92.
Zie Feteris 2007, p. 480 en de verwijzingen in noot 564 en Pechler 2009, p. 144. In het verleden was dat anders, zie Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 106.
Zie paragraaf 10.4.2 en paragraaf 10.4.3 betreffende het arrest uit 2013 waarin de richtlijnen die de Hoge Raad heeft gegeven voor de extrapolatie bij boetes in KBLux-(achtige) gevallen (HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207). Vgl. ook HR 11 januari 2011 (strafkamer), NJ 2011/116. Zie voorts de noot van Pechler bij HR 28 juni 2013, BNB 2013/207, punt 4, alsmede Haas & Jansen 2015.
Zie over hoor en wederhoor nader paragraaf 7.3.7.3.1 hierna.
HR 22 juli 1985, BNB 1985/250.
De rechter kan door opleiding of ervaring immers deskundig zijn op een bepaald gebied. Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2022, V-N 2022/16.4, r.o. 4.7. Voorts valt te denken aan de omstandigheid dat de rechter persoonlijk op de hoogte is van de kenmerken (ligging, overlast, indeling) van een bepaalde locatie, of dat de rechter in een door hem behandeld dossier per toeval waardevolle informatie aantreft voor een andere zaak die eveneens door hem wordt berecht.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 hierna onder ‘Processuele gelijkheid van partijen: hoor en wederhoor’. Zo mag de rechter de belastingplichtige niet overvallen met een ambtshalve beslissing omtrent bijvoorbeeld de ontvankelijkheid. Zie voorts paragraaf 7.3.7.3.3 over de ambtshalve bewijsvoering.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.10.3.2.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2020, V-N 2020/53.22.
In het strafrecht is de eigen waarneming van de rechter expliciet erkend als wettig bewijsmiddel (art. 339 lid 1 Sv), zij het dat die waarneming dan wel ter terechtzitting moet zijn gedaan (art. 340 Sv). Naar mijn mening kunnen in fiscalibus ook andere waarnemingen, bijvoorbeeld tijdens een descente (zie art. 8:50 Awb), in aanmerking komen. Zie voor een voorbeeld de zaak die leidde tot HR 28 januari 2022, V-N 2022/9.27.6.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2020, V-N 2020/53.22.
Zie voor een voorbeeld waarin een waarneming van de laatstgenoemde categorie aan de orde kwam Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2020, V-N 2020/53.22. Het Hof accordeerde de eigen waarneming van de rechtbank onder verwijzing naar art. 8:69 lid 3 Awb.
Van bepaalde bewijsmiddelen is het enkel benoemen als zodanig voldoende. Daadwerkelijke bewijslevering is niet nodig, omdat de bewijsgronden op voorhand uit het bewijsmiddel volgen. Soms is zelfs het nemen van initiatief door de belastingplichtige (of, in voorkomende gevallen, de inspecteur) niet noodzakelijk, omdat de rechter de betreffende bewijsmiddelen zelfstandig kan aanwijzen als (bewijs)gronden waarop zijn beslissing rust.1 Veelal worden hierbij de categorieën algemene ervaringsregels, feiten van algemene bekendheid2 en de eigen wetenschap van de rechter onderscheiden.3
Feiten van algemene bekendheid zijn feiten die zozeer voor ieder normaal ontwikkeld mens kenbaar zijn en boven iedere discussie verheven zijn, dat alle procespartijen van het bestaan daarvan uit moeten gaan.4 Ook het bestaan van een algemene ervaringsregel mag niet voor discussie vatbaar zijn.5 Voorts pleegt wel als eis te worden gesteld dat de relevante gegevens zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen moeten zijn te achterhalen.6 Alles overziende meen ik, dat aan alle categorieën vergelijkbare beperkingen moeten worden gesteld. Dat geldt ook voor de categorie eigen wetenschap van de rechter, in gevallen waarin die eigen wetenschap in wezen bestaat uit een algemene ervaringsregel of een feit van algemene bekendheid. In zoverre heeft de eigen wetenschap van de rechter dan geen zelfstandige betekenis (meer).7 De andere twee categorieën worden in de recente jurisprudentie en de literatuur in feite door elkaar gebruikt: het maken van een gekunsteld onderscheid is dan ook niet erg zinvol.8
De vrije bewijsleer brengt met zich, dat de inspecteur en de belastingplichtige geheel vrij zijn om zich te bedienen van algemene ervaringsregels of feiten van algemene bekendheid. Ook de rechter kan dat doen. Als hij overweegt om algemene ervaringsregels of feiten van algemene bekendheid, die niet door een van de partijen naar voren zijn gebracht, aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, doet de rechter er goed aan om uitdrukkelijk hoor en wederhoor toe te passen.9 Zo nodig zal de rechter ook de bron moeten kunnen noemen, zodat gecontroleerd kan worden of het inderdaad gaat om een algemeen toegankelijke bron.10 Als niet duidelijk is dat de gegevens uit een voor een ieder toegankelijke bron kenbaar zijn, lijdt de uitspraak aan een motiveringsgebrek.
Behalve de eigen wetenschap die in feite neerkomt op een algemene ervaringsregel of een feit van algemene bekendheid, is het ook denkbaar dat de rechter (als individu) bijzondere eigen kennis heeft van een bepaald feit.11 Dergelijke zuivere eigen wetenschap van de rechter kan naar mijn mening niet zonder meer als bewijsmiddel dienen. Daarvoor bestaan twee belangrijke redenen. In de eerste plaats dient de rechter het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen en daarmee de processuele gelijkheid van partijen te waarborgen. Dit beginsel richt zich ook rechtstreeks tot de rechter zelf.12 De rechter die overweegt om zich te bedienen van een zuiver feit van eigen wetenschap, zal dat feit daarom steeds vooraf met beide partijen moeten delen en hen ook de gelegenheid moeten bieden om zich daarover uit te laten. In de tweede plaats geldt als uitgangspunt dat partijen de omvang van rechtsstrijd en dus de grenzen van het geschil bepalen. Het is de rechter verboden om ambtshalve de feitelijke gronden van een partijstandpunt aan te vullen, omdat hij dan buiten de rechtsstrijd treedt. Dit weerbarstige leerstuk is allesbehalve uitgekristalliseerd,13 maar de rechter begeeft zich ook om deze reden op glad ijs als hij zuivere eigen wetenschap wil toepassen. Indien hij uiterst behoedzaam te werk gaat, heeft hij evenwel die ruimte (art. 8:69 lid 3 Awb geeft de bevoegdheid om ambtshalve de feiten aan te vullen).14
Ten slotte noem ik nog de eigen waarneming van de rechter. Hierbij doel ik op de zintuiglijke waarneming van fysieke verschijnselen. Naar mijn mening kleven de hiervoor genoemde bezwaren daar in mindere mate aan, omdat een waarneming nu eenmaal naar zijn aard op individueel niveau plaatsvindt en vanwege het persoonlijke karakter niet voor debat (hoogstens voor commentaar) vatbaar is.15 In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan waarnemingen tijdens een descente (art. 8:50 Awb). Ook voor dergelijke, ‘echte’ eigen waarnemingen van de rechter geldt naar mijn mening dat het beginsel van hoor en wederhoor voorschrijft dat partijen moeten kunnen reageren op de waarneming.16
De raadpleging van Google Maps door de rechter kan een eigen waarneming vormen (Streetview),17 maar evengoed een feit van algemene bekendheid opleveren (de afstand tussen twee locaties over de weg).