Beleidsbepaling en aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.3.3.1:4.3.3.1 Feiten
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.3.3.1
4.3.3.1 Feiten
Documentgegevens:
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254438:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Gelderland 24 augustus 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8218 (niet gepubliceerd).
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4081.
Hof Amsterdam 17 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5365.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de procedure ging het, samengevat, om het volgende. De VDP-groep hield zich bezig met de verkoop, het onderhoud en het repareren van auto’s van (voornamelijk) het merk BMW. Twee broers stonden samen aan het hoofd van de vennootschappen en hielden samen 95% van de aandelen. De groep had drie belangrijke financiers, te weten de ING, BMW en de vader van beide broers. De groep leed al twee jaar verlies, toen de fiscus in mei 2005 een boekenonderzoek startte met betrekking tot de periode 2000-2004. Vlak voordat de fiscus in februari en maart 2006 rapporteerde over zijn bevindingen, vond op 4 januari 2006 een bespreking plaats tussen de broers en de drie financiers. Daarbij werd besloten de vennootschappen te saneren; twee dagen later heeft ING het krediet opgezegd. De rapportages van de fiscus hebben geleid tot naheffingsaanslagen.
Op voordracht van ING werd X, een gespecialiseerd insolventieadviseur, aangesteld om het saneringstraject te begeleiden. Het eerste gesprek tussen X en een van de broers vond plaats enkele dagen nadat tot de sanering was besloten. Daarbij werden afspraken gemaakt met X, althans zijn persoonlijke vennootschap over de honorering. Op 11 januari, 9 februari en 17 maart 2006 zijn achtereenvolgens de activa van verschillende vennootschappen uit de groep verkocht aan een derde respectievelijk aan BMW. Uit de opbrengst van deze transacties werden BMW en ING volledig voldaan, ontving ook vader (indirect) substantiële bedragen en werd het honorarium van X betaald. De curator heeft het over 372.725 euro aan X en 249.900 euro aan vader. Vervolgens werden op voorstel van X in april 2006 de namen van een aantal vennootschappen in de groep gewijzigd en werden de statutaire zetels van de vennootschappen verplaatst naar een slooppand. Eén van de broers werd als statutair bestuurder vervangen door een derde, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had. Op 10 mei 2006 werd een van de vennootschappen op eigen aangifte failliet verklaard, met benoeming van mr. Libosan tot curator. De curator trof geen activa aan, maar wel substantiële vorderingen van de fiscus. Het bestaan van een fiscale eenheid, en de daarmee gepaard gaande hoofdelijke aansprakelijkheid, stelde de curator in staat om ook het faillissement van de andere vennootschappen aan te vragen.
De curator heeft aangifte gedaan tegen X wegens faillissementsfraude. X is daarnaast door de Ontvanger aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 lid 3 jo. lid 5 aanhef en onder b IW, als (mede)beleidsbepaler. Rechtbank Gelderland heeft de bezwaren van X ongegrond verklaard.1 Drie dagen nadat het Hof Amsterdam in de procedure tussen de curator en X arrest had gewezen, wees het Hof Arnhem-Leeuwarden op 18 mei 2016 arrest in de belastingprocedure, oordeelde dat X niet als (mede)beleidsbepaler kon worden aangemerkt in de zin van de WBA, en wees de vordering van de Ontvanger af.2 X is ten slotte ook strafrechtelijk vervolgd, maar bij arrest van Hof Amsterdam van 17 december 2014 vrijgesproken van bedrieglijke bankbreuk.3