Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.2:9.2.2 Mogelijke gevolgen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.2.2
9.2.2 Mogelijke gevolgen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200838:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide beschrijving: Kort, Fedorova & Terpstra (2014).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit dit onderzoek bleek de grote onvrede onder politiemensen over strafrechtelijke reacties. Zo bleek uit de uitgevoerde enquête dat de helft van de Nederlandse politiemensen zegt geen of weinig vertrouwen meer te hebben in het strafrechtsysteem. Een gebrek aan kennis over het strafrechtelijk vervolg speelt hierbij een rol. Bijna de helft van de in dit onderzoek geënquêteerde politiemensen zegt alleen zicht te hebben op wat de politie zelf doet. Zelfs van de rechercheurs blijkt twee derde geen zicht te hebben op het functioneren van rechters.
Gezien het beperkte zicht dat politiemensen hebben lijkt het erop dat enkele negatieve ervaringen al een groot effect hebben op de opvattingen van politiemensen over het functioneren van het strafrecht. Desalniettemin lijkt een gebrek aan vertrouwen in het strafrecht om meerdere redenen bedreigend voor het functioneren, het aanzien en de legitimiteit ervan. Zo blijkt de onvrede onder politiemensen niet alleen gevolgen te hebben voor de wijze waarop zij over hun werk denken en de mate waarin zij zich daarbij betrokken voelen, maar ook voor de uitvoering van het politiewerk en voor de relatie van politiemensen met het OM.1
Het blijkt dat de onvrede van politiemensen over het uitblijven van een in hun ogen adequaat strafrechtelijk vervolg zich soms vertaalt in een andere wijze van uitvoering van het politiewerk. Zo proberen ze het ontbreken van een (in hun ogen) adequate strafrechtelijke reactie te compenseren door regels op een andere wijze te interpreteren dan oorspronkelijk de bedoeling was. Soms ook worden regels toegepast voor een ander doel. Bij pogingen het ontbreken van een in hun ogen adequate strafrechtelijke reactie te compenseren, komt het dus weleens tot een ‘creatieve’ toepassing van regels en bevoegdheden. Vaker proberen politiemensen, onder meer via contacten met het OM, officieren van justitie en rechters te overtuigen van de noodzaak van een (bepaalde) strafrechtelijke reactie.
Hier en daar wordt zichtbaar dat de onvrede over het functioneren van het strafrecht concrete gevolgen kent. De onvrede kan reacties oproepen die haaks staan op een neutrale en professionele instelling van de politie, zoals het laten lopen van bepaalde (opsporings)activiteiten omdat ze vermoedelijk toch geen strafrechtelijk vervolg krijgen. Ook strategieën waarbij politiemensen het ‘recht’ min of meer in eigen hand nemen kunnen het gevolg zijn: ze zullen dan de in hun ogen ontbrekende, adequate strafrechtelijke reactie op hun eigen manier proberen te compenseren. Maar op die manier kunnen de problemen alleen maar groter worden.
Politiemensen zeggen dat eerder boetes worden opgelegd, dit om te compenseren dat in de regel strafrechtelijk optreden niet plaatsvindt of inadequaat zou blijven. Een beperkt deel van de politiemensen zegt in het afgelopen halfjaar weleens te hebben meegemaakt dat een collega geweld gebruikte omdat hij of zij wist dat het via het strafrecht niet zou lukken het probleem aan te pakken. Belangrijk is te benadrukken dat het grootste deel van de politiemensen ondanks een gebrek aan vertrouwen in het strafrecht, toch in grote mate ‘gewoon’ hun werk blijft doen. Dit onderzoek heeft geen aanwijzingen gevonden dat Nederlandse politiemensen op grote schaal ‘straatrecht’ toepassen. In buitenlands onderzoek naar de politie werd dat soms wel aangetroffen, bijvoorbeeld in het verleden door Westley (1970) in de Verenigde Staten, of meer recent door Fassin (2013: 198) bij de politie in de banlieues van Parijs. Daar brengt de politiecultuur een op straffen gerichte morele code met zich mee die het recht lijkt te verdringen als kader van het politieoptreden. Politiemensen lijken in die context van het recht vervreemd te zijn geraakt (vgl. Hertogh, 2011). Dit onderzoek geeft geen aanwijzingen dat hiervan in de Nederlandse situatie ook sprake zou zijn. Niettemin draagt onvrede met het strafrecht onder politiemensen er vermoedelijk toe bij dat zij hun werk los gaan zien van het strafrechtelijk vervolg, met als risico dat politiemensen in toenemende mate hun eigen maatregelen zullen treffen.
Dit onderzoek maakte duidelijk dat veel politiemensen geen of weinig zicht hebben op het strafrechtelijk vervolg op hun werkzaamheden. Dit duidt op grote beperkingen in het functioneren van de strafrechtsketen. Ondanks alle pogingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan om de onderdelen van deze keten beter op elkaar af te stemmen, lijkt het er sterk op dat de samenwerking binnen de keten nog steeds problematisch is. Ten tijde van dit onderzoek ontbrak adequate terugkoppeling naar de politie; onder meer leren van fouten wordt daardoor bemoeilijkt. Mogelijk leidt dit ertoe dat politiemensen vaak slechts een beperkt zicht hebben op en een vertekend beeld krijgen van de achterliggende functies van het strafrecht. Voor de hand ligt dat voor hen sterk de nadruk komt te liggen op instrumentele aspecten, waardoor ze weinig oog houden voor de waarborgen en rechten van de verdachte.
Politiemensen kunnen vervreemd raken van het recht. Een risico hiervan is dat politiemensen uit onvrede met strafrechtelijke reacties in de toekomst mogelijk vaker hun toevlucht zullen zoeken in toepassing van geweld en een ruime toepassing van bevoegdheden. Daarnaast kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de wijze waarop door hen gebruik wordt gemaakt van sociale media. Voorkomen moet worden dat hiermee uit onvrede met het strafrecht een publieke ‘schandpaal’ wordt gecreëerd.
Uit dit onderzoek blijkt dat de meest voorkomende reactie op de onvrede niets doen is. Hier werd al eerder op geduid. Politiemensen besluiten in voorkomende gevallen om het strafrecht niet meer in werking te stellen, omdat hun verwachting is dat het maar weinig effect zal hebben. Hoewel veel politiemensen betrokken blijven bij hun werk, roept de onvrede ook andere reacties op die vragen met zich meebrengen. Sommige van die reacties kosten erg veel tijd, zo blijkt uit de interviews. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om contacten met OM-medewerkers en het opstellen van sfeerverbalen om rechters te overtuigen van de ernst van bepaalde problematiek. Onduidelijk is hoe effectief dit is, maar ook andere vragen worden opgeroepen. Zoals de vraag naar checks and balances in het strafrecht: staan magistraten wel op voldoende afstand, of staan ze inderdaad op te grote afstand, zoals politiemensen menen? Zijn magistraten voldoende bezig met de inhoudelijke problematiek? Houdt de politie wel het juiste evenwicht tussen instrumentele doelen en de regels? Wordt vanuit het OM voldoende uitleg gegeven over strafrechtelijke overwegingen? Is er voldoende aandacht voor onvrede met strafrechtelijke uitkomsten binnen de politie?