Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.2.1:8.2.1 Persoonlijke ervaringen, persoonlijke opvattingen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.2.1
8.2.1 Persoonlijke ervaringen, persoonlijke opvattingen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200738:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook zijn leidinggevende geeft dat aan tijdens zijn interview voor dit onderzoek.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals aan het eind van de vorige paragraaf werd aangehaald, zijn er rechters die aangeven de instrumentele doelstelling van strafrecht zeer belangrijk te vinden. Er zijn niet veel rechters die instrumentaliteit op de voorgrond plaatsen, maar er zijn er wel die een bijdrage willen leveren aan het tegengaan van criminaliteit en ‘in het algemeen zeer bereid’ zijn ‘mee te denken, zover als de wet en het beleid mogelijkheden toelaten’. Onder rechters, maar ook onder officieren van justitie bestaan verschillen in opvatting over de strafrechtspleging. Verschillen ervaren zij ook zelf, zo blijkt uit de interviews (zie hoofdstukken 5 en 6). Zo zegt een rechter anders aan te kijken tegen eventuele schorsing van voorlopige hechtenis dan sommige collega’s. Meer dan op mogelijke negatieve neveneffecten van deze vorm van vrijheidsbeneming is zij gericht op (de ernst van) het strafbare feit dat is gepleegd: ‘Er werken hier allemaal mensen die [delinquente] jongens het liefst weer op het goede pad willen krijgen. Wat is hij jong en nog een tweede kans? Ik denk eerder [dan collega’s]: “Wat een ernstig feit, daar moet eens even goed wat aan gebeuren!”’ Deze rechter denkt er als voormalig bestuursrechter aan gewend te zijn geraakt, meer dan collega’s die niet in het bestuursrecht hebben gewerkt, oog te hebben voor de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van verdachte. Dit geldt voor zijn eigen gedrag, maar ook voor zijn eigen verantwoordelijkheid in het strafproces. Op basis van haar eerdere ervaring als bestuursrechter meent deze rechter dat een burger, de verdachte in dit geval, zich moet kunnen verweren in een juridische procedure:
‘Ook in het bestuursrecht is één van de procespartijen de overheid. In het bestuursrecht wil de burger iets van de overheid, waardoor op de burger een grote verantwoordelijkheid rust. Dat geldt ook in de procedure, door zaken aan te moeten voeren. Toen ik [bij de strafsector] kwam verwonderde ik me erover dat de verdachte zo lang achterover mag leunen. Hij heeft toch iets uit te leggen? Daar worstel ik wel mee, want het is een verdachte die iets overkomt van die overheid en die hoeft nergens aan mee te werken. Maar wanneer komt dat omslagmoment? Als je nu niet zegt dat het iemand anders was of wat je daar wel deed, dan mag ik ervan uitgaan dat je kwade bedoelingen had. Ik merk dat dit omslagpunt bij mij wat eerder ligt dan bij de klassieke strafrechtsjuristen. Eerder dan bij sommige collega’s dus. Bij collega’s die meer bestuursrecht hebben gedaan, merk ik dat die ook eerder dat omslagpunt hebben. Hallo, je bent als burger ook wel onderdeel van de samenleving die dit soort dingen niet wil hebben. Als er op een gegeven moment een sterke verdenking op jou rust, dan komt er een moment waarbij het bijna je burgerplicht is om nou eens uitleg te gaan geven. Dat is ingewikkeld gebied, want tegelijkertijd heb je ook je grondrechten en daarmee het recht om van die verplichting gevrijwaard te blijven en uitleg te geven over wat jij aan het doen bent.’
Dit voorbeeld geeft aan dat de wijze waarop functionarissen in het strafrechtsysteem daarnaar kijken, wordt beïnvloed door persoonlijke verhalen en door ervaringen eerder uit hun loopbaan. Zo lijkt een belangrijke verklaring voor de verschillende opvattingen onder rechters dat een aantal van hen, voordat ze tot de rechtspraak toetraden, bij het OM hebben gewerkt. Sommige rechters geven tijdens de interviews aan nog altijd het ‘opsporingsperspectief’ te ervaren vanuit hun eerdere baan:
‘Mijn officiersachtergrond maakt dat ik mezelf af en toe een halt moet toeroepen. “Hoezo voorwaardelijke gevangenisstraf? Dat is een rotzak! Het is een rotfeit! Opsluiten die vent!” Dat is een stemmetje dat er alleen maar zit omdat ik zolang zelf in de opsporing heb gezeten. Collega’s die dat niet hebben gedaan, die hebben dat stemmetje niet!’
Een groot deel van de politiemensen lijkt slechts weinig zicht te hebben op andere dan repressieve mogelijkheden, als sprake is van overlast of als strafbare feiten zijn gepleegd. Zij zien het strafrecht vaak als een onmisbaar, normerend onderdeel van de maatschappij en tevens als een noodzakelijk instrument om criminaliteit te stoppen. Maar sommige politiemensen wijken af van deze dominante opvatting in hun beroepsgroep. Zo is de visie van een wijkagent dat het strafrecht niet de oplossing, maar alleen ondersteuning aan de politie kan bieden om problemen in de wijk op te lossen. Strafrechtelijk optreden spreekt voor hem daarbij niet vanzelf. Door zijn functie van wijkagent in een grootsteedse achterstandswijk heeft hij zich een eigen beeld gevormd van criminaliteitsproblemen als gevolg van achterstandsproblematiek. Dit lijkt hem tot zijn meer algemene opvatting gebracht te hebben dat veiligheidsbeleid in de eerste plaats gericht moet zijn op het tegengaan van sociale achterstand, bijvoorbeeld door goede huisvesting, in plaats van op strafrechtelijk optreden.
‘[Mijn werkgebied] is aan de rand van de stad (...). Het scoorde in de veiligheidsindex een onvoldoende tot verleden jaar. De bewoners hebben vaak een uitkering, geen werk. Het zijn oude huizen, er is achterstand. Veel studenten met wat geluidsoverlast. Veel allochtone jongeren. Marokkaanse jongeren die vaak in de criminaliteit verdwijnen, omdat ze met z’n zessen in een kleine flat wonen, de was in de kamer hangt om te drogen en de oudere jongens de straat op worden geschopt. Wat ga je dan doen? Ze moeten toch ergens hun dure schoenen kopen, dus zitten ze vaak in het runnen van drugstoeristen, drugspandjes of diefstalletjes. Je hebt wrijving tussen oudere blanke bewoners en de allochtonen. Je hebt wel botsingen. Dat maakt het wel interessant om in te werken, maar ik zou er nooit willen wonen. We hebben wel een slag gemaakt. Je moet samenwerken met de gemeente en hulpverlenende instanties. Heel veel doorverwijzen en contact met elkaar. Bij drugs dealen op straat vind ik niet dat je daar met hulpverlening aan moet komen. Daar heb je strafrecht en Opiumwet nodig. Maar voor veel andere problemen is echt hulpverlening nodig.’
Een zeer ervaren officier van justitie is uitgesproken kritisch ten opzichte van de politie en ervaart dat hij zich kritischer opstelt dan collega’s.1 De reden van zijn afwijkende opvatting is dat hij na zijn studie Nederlands recht enige jaren politieman was. Hij vindt de professionaliteit bij de politie tekortschieten en meent dat de politie meer rekening moet houden met de privacy van burgers. Het realiseren van de rechtsbeschermende functie van strafrecht ervaart hij niet als een probleem, eerder als belangrijkste opdracht en dat laatste is een duidelijk verschil met veel van zijn collega’s. Op basis van zijn ervaringen in de ‘opvang’ (piketdienst) en tijdens ZSM-diensten, maakt hij zich zorgen over de toepassing van bevoegdheden door politiemensen. In zijn ervaring geven zij hem te veel weerstand wanneer hij gemotiveerd verzoeken afkeurt en ‘moet hij zich inhouden’ wanneer hem wordt gevraagd of ‘een smartphone misschien heimelijk mag worden uitgelezen’. Mede door de volgens hem sterke neiging van politiemensen om onder de regels uit te willen komen, vindt deze officier van justitie het noodzakelijk zich kritischer dan collega’s op te stellen bij de beoordeling van processen-verbaal en wanneer hij verzoeken krijgt van de politie: ‘Ik zit hier nu sinds 1993. Maar ik ken het politiewereldje. Daar is wel veel veranderd, maar ik weet welke cultuur daar speelt.’ Voor deze officier spreekt het allerminst vanzelf verzoeken van de politie tot het inzetten van strafrechtelijke mogelijkheden in te willigen, – integendeel. Nog te vaak wordt zijn negatieve beeld van de politie bevestigd, zoals bij het volgende incident:
‘Soms ben ik wel enige uren met telefoontjes bezig om uit te leggen waarom het allemaal niet kan qua bewijs en dergelijke. Ik had al gezegd dat [verdachte] uit de [inverzekeringstelling] moest: dat hij los moest, omdat er helemaal niks was. Maar [politiemensen] wilden hem houden. Nou, dan vraag ik: “Op welke titel zou hij dan nog de komende nacht moeten doorbrengen?” Dan wordt het stil aan de andere kant en krijg je te horen: “We moeten nog een bevel van de burgemeester uitreiken.” Maar wettelijk kan dat gewoon niet. En dan word ik ook een keer kortaf en heb ik gezegd: “En nou is het afgelopen met het gezeur, naar buiten met die meneer.” In de week erop zit je dan weer in je gewone werk en word je namens de wijkteamchef opgebeld, gewoon op een controlerende manier: “Waarom heeft u die meneer naar huis toe gestuurd?” Dan moet ik het voor de 55e keer uitleggen zo ongeveer.’
Een ‘harde aanpak’ lijkt voor één van de geïnterviewde rechters in grote mate een vanzelfsprekendheid geworden, meer dan voor veel van zijn collega’s. In zijn ogen is het bijvoorbeeld vanzelfsprekend om hard af te rekenen met recidivisten, ongeacht hun jeugdige leeftijd. Dit hangt volgens hem samen met zijn ervaring in de opsporing. In zijn perspectief ligt de nadruk op het gepleegde strafbare feit of op het negatieve gedrag van verdachten. Negatieve neveneffecten van (bijvoorbeeld) gevangenisstraf of het (positieve) feit dat een verdachte zich aan de voorwaarden van zijn schorsing heeft gehouden, leggen naar eigen zeggen als gevolg daarvan bij hem minder gewicht in de schaal dan bij collega’s. Het verschil tussen de straffen die deze rechter ‘graag oplegt’ en de gebruikelijke straffen ervaart hij als een probleem.
‘Het maakt voor mij enorm veel verschil of iemand een keer in de fout gaat: dat kan gebeuren en dan kan ik ook heel mild zijn. Als iemand meermalen dezelfde fouten maakt en de tussenliggende perioden worden korter, dan moet je doorpakken. Probleem is dan alleen wel dat de straffen die ik graag opleg wel behoorlijke straffen zijn (…). Ik heb laatst een jeugdbende (…) veroordeeld. Straffen tot vier jaar voor woninginbraak. Dan benadruk ik wat voor indruk het maakt op de buurt en wat voor een inbreuk zoiets betekent voor de mensen. Het professionele karakter [van de gepleegde feiten] wordt benadrukt in de strafmaatoverwegingen: uitstekend gemotiveerd vind ik zelf. Ik ben daar heel tevreden over. Het gerechtshof neemt alles over: de bewezenverklaring, de onrust in de buurt, de ernst van de feiten en dan volstaan ze met twaalf maanden gevangenisstraf. Die dingen begrijp ik dus niet. Ze leggen namelijk niet uit waarom ze zoveel lager uitkomen dan de eerste rechter en hanteren dezelfde argumenten als ik. Dat de samenleving dat niet begrijpt en dat politiemensen daar niets van snappen, begrijp ik ook. Tegen de tijd dat het gerechtshof uitgesproken is, zijn de boefjes al lang weer op vrije voeten. En de politie ziet ze alweer rondrijden in hun dure BMW’s, van ongetwijfeld gestolen sieraden. Daar zit wel wat naïviteit en ik roep alweer: rechters die in de praktijk meegedraaid hebben, het helpt echt!’
Een andere rechter verwijst expliciet naar eigen ondervinding om zijn sceptische denkbeelden over de strafrechtspleging te verklaren. Hij is kritisch over ‘de samenleving waarin we leven’, vanwege de populistische en punitieve opvattingen die hij daarin bemerkt. Hij denkt dat de strafrechtspleging hierdoor wordt beïnvloed, herkent zich er soms niet in en wil het zelf anders doen. Over collega’s die in zijn ogen te veel willen aansluiten bij het beeld dat het OM geeft van strafzaken, is hij evenzeer kritisch. Straffen vormen volgens deze rechter vaak geen oplossing. Zijn opvattingen over straffen zijn naar zijn zeggen sterk door criminologische theorieën beïnvloed en zouden zijn ingegeven door het feit dat hij zijn rechtenstudie in Utrecht deed, waar de opleiding destijds volledig in het teken stond van het gedachtengoed van Willem Pompe (zie ook hoofdstuk 1).
‘Ik denk dat straffen een ongelukkige oplossing is, eigenlijk geen oplossing. Als je niks meer kunt, dan ga je straffen. Mijn visie is wat gekleurd door mijn opleiding in Utrecht, waar ik ben ingevoerd geraakt in het denken van Pompe en bijvoorbeeld het sociologische family model. Waarin de stelling is: de samenleving is een huis waarin regels gelden en als die regels worden geschonden ten koste van anderen, dan moet je optreden. Dat optreden moet proportioneel zijn en desnoods duidelijk en bestraffend zijn. Maar de persoon moet niet blijvend aan gezichtsverlies lijden en moet ook weer terugkeren in de familie. De rest moet hem weer accepteren. Vanuit die optiek kijk ik naar straffen. Het is kennelijk nog steeds noodzakelijk in de samenleving waarin we leven, maar ik sta niet in mijn handen te klappen.’