Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/1.4.5
1.4.5 De standaard in het Engelse recht; Walford v. Miles
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299446:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
(1992) 2 AC 128, HL.
Vgl. voor een nadere analyse van Walford v. Miles, mede afgezet tegen het Nederlandse recht: Bollen 2005, p. 386 e.v.
Verhagen 1997.
Vgl. Bollen 2005, p. 388 e.v.
(1989) QB 433.
Verhagen 1997.
Vgl. met betrekking tot schrijvers die het aannemen van een algemene regel bepleiten met als uitgangspunt de verplichting om naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid casu quo betamelijk te onderhandelen ('a duty to negotatiate with care'): Collins 1997, p. 168-205; Cohen 1995, p. 202-205.
Bollen 2005, p. 392.
Vgl. Atiyah 2003, p. 101-107; Collins 1997, p. 168-205; Cohen 1995, op.cit., p. 29-31. Voor het Amerikaans recht, zie Farnsworth 1987, p. 217. Vgl. ook, meer in algemene zin, Atiyah 1979.
Walford v. Miles. Vgl. Farnsworth 1987, p. 230-236. Vgl. voor het Engelse recht ook Atiyah 2003, p. 103-107, die buiten 'misrepresentation' het bestaan van andere 'duties of care', de schending waarvan een delictuele aansprakelijkheid oplevert, aanneemt.
Vgl. Cohen 1995, p. 29-30; Farnsworth 1987, p. 229-233. Volgens Farnsworth gaat het hier misschien wel om de meest fundamentele grond voor precontractuele aansprakelijkheid. 'The duty to make restitution of benefits received dwing negotiations is perhaps the most fundamental ground for precontractual liability.', Farnsworth, 1987, p. 229.
(1984) 1 All ER 504.
Vgl. ook art. 1:103 van de draft Common Frame of Reference: 'A vallid unilateral promise or undertaking is binding on the person giving it if it is intended to be legally binding without acceptance.'
Verhagen 1997.
Vgl. Beatson 1995, p. 128 en p. 132.
In een uitspraak uit 1992 laat het House of Lords hier geen misverstanden over bestaan. In Walford v. Miles1 komt Lord Ackner tot het volgende oordeel, waarbij de overige Law Lords zich aansluiten.2 Lord Ackner stelt dat het concept van een verplichting om te goeder trouw te onderhandelen onmogelijk te hanteren is in de praktijk en strijdig is met de positie van tegenstanders die de onderhandelende partijen jegens elkaar innemen ("the concept of a duty to carry on negotiations in good faith is inherently repugnant to the adversarial position of the parties when involved in negotiations"). Elke partij is gerechtigd om haar eigen belangen te behartigen, zolang maar geen misleidende verklaringen ("misrepresentations") gedaan worden. Ter behartiging van deze belangen moet het een partij vrijstaan om te dreigen met terugtrekking uit de onderhandelingen, of om dit werkelijk te doen, in de hoop dat de wederpartij met een beter voorstel komt. Lord Ackner komt dan ook tot de conclusie dat tijdens het onderhandelingsproces beide partijen te allen tijde vrij zijn om zich uit de onderhandelingen terug te trekken, op elk moment en voor wat voor reden dan ook. Er is, zo concludeert Verhagen, geen verbintenis om door te onderhandelen zolang er een "goede reden" is om zich terug te trekken.3 Lord Ackner formuleert het als volgt:
"Each party to the negotionations is entitled to pursue his (or her) own interest, so long as he avoids making misrepresentations. To advance that interest he must be entitled, if he thinks it appropriate, to threaten to withdraw from further negotiations or to withdraw in tact in the hope that the opposite party may seek to reopen the negotiations by offering him improved terms.
(Walford) accepts that the agreement upon which he relies does not contain a duty to complete the negotiations. But that still leaves the vital question: how is a vendor ever to know that he is entitled to withdraw from further negotiations? How is the court to police such an 'agreement'? A duty to negotiate in good faith is as unworkable in practice as it is inherently inconsistent with the position of the negotiating party. It is here that the uncertainty lies. In my judgment, while negotiations are in existence either party is entitled to withdraw from these negotiations, at any time and for any reason. There can be thus no obligation to continue to negotiate until there is a `proper reason' to withdraw. Accordingly, a bare agreement to negotiate has no legal content."
Men dient zich door deze stellige uitspraken niet te laten misleiden omtrent de positie van de wederpartij van de afbrekende partij. Afgezien van de door Lord Ackner genoemde "misrepresentation", leidende tot een delictuele aansprakelijkheid, zijn er wel degelijk middelen beschikbaar in het Engelse recht om de afbrekende partij aansprakelijk te houden.4 In Interfoto Picture Library Ltd. v. Stiletto Visual Programmes Ltd.5overweegt Lord Justice Bingham:
"In many civil law systems, and perhaps in most legal systems outside the common law world, the law of obligations recognises and enforces an overriding principle that in making and carrying out contracts parties should act in good faith. This does not simply mean that they should not deceive each other, a principle which any legal system must recognise; its effect is perhaps most aptly conveyed by such metaphorical colloquialisms as "playing fair", "coming clean", or "putting one's cards face upwards on the table." It is in essence a principle of fair and open dealing 0. English law has, characteristically, committed itself to no such overriding principle but has developed piecemeal solutions in response to demonstrated problems of unfairness."
Het Engelse recht kent niet een allesoverheersend beginsel van goede trouw dat de onderhandelingen beheerst, maar het heeft wel individuele oplossingen ("piecemeal solutions") ontwikkeld voor situaties waarin gebleken is dat het aannemen van aansprakelijkheid op zijn plaats was.
Dit is inderdaad, Bingham L.J. geeft het al aan ("characteristically"), typerend voor de common law. Men is veelal afkerig van dogmatische benaderingen en van brede concepten zoals de redelijkheid en billijkheid.6 Men geeft er dikwijls de voorkeur aan om van geval tot geval het recht te ontwikkelen (ius in causa positum), zonder al te veel te veralgemeniseren.7 Maar, zoals Bollen8 het formuleert:
"Walford v Miles is een Europese klassieker die op het eerste gezicht een duidelijk illustratie lijkt van de kloof tussen het Engelse en de continentale rechtsstelsels. Wat deze zaak bij een nadere beschouwing laat zien, is dat het toch veelal zo is dat in alle rechtsstelsels eenzelfde gedrag als niet acceptabel wordt beschouwd. Er zijn weliswaar duidelijk verschillen in de manier waarop dit gedrag wordt aangepakt — de grond voor aansprakelijkheid kan verschillen, mogelijk zal zelfs de 'uitkost' van het geschil niet overal precies hetzelfde zijn -, in hoofdlijnen kent ieder stelsel zijn eigen instrumenten om het gedrag op redelijk identieke wijze te sanctioneren."
De "piecemeal solutions" waar het in het Engelse recht om gaat, zijn onder andere: onrechtmatige daad ("tort"), ongerechtvaardigde verrijking ("unjust enrichment") en het zogenaamde "promissory estoppel".9 Indien een partij tijdens de onderhandelingen een toezegging doet, bijvoorbeeld dat hij verder zal onderhandelen, die hij niet van plan is na te komen, komt op deze partij een delictuele aansprakelijkheid te rusten op grond van "misrepresentation".10
In Walford v. Miles vorderde de teleurgestelde partij een bedrag van £ 1 000 000, zijnde het voordeel dat uit het betreffende contract zou zijn voortgevloeid (onderhandeld werd over de overname van een onderneming voor een koopprijs van £ 2 000 000, terwijl de onderneming volgens eisers £ 3 000 000 waard was). Deze vordering werd afgewezen. Wel werd een vordering van £ 700 toegewezen, als vergoeding van de door deze partij tijdens de onderhandeling gemaakte kosten. De grondslag van deze vordering was "misrepresentation", die er in bestond dat de wederpartij in strijd met de waarheid had verklaard dat er niet met derden onderhandeld werd. Indien tijdens de onderhandelingen de afbrekende partij bepaalde voordelen heeft ontvangen, is het mogelijk dat deze worden teruggevorderd op grond van ongerechtvaardigde verrijking.11 In British Steel Corporation v. Cleveland Bridge & Engineering Co. Ltd.12 waren in de onderhandelingsfase goederen gefabriceerd en geleverd. Partijen hadden een "letter of intent" getekend, die echter niet uitmondde in een geldig contract, omdat partijen toen nog in onderhandeling waren over voorwaarden waarover uiteindelijk geen overeenstemming bereikt kon worden. De teleurgestelde partij had weliswaar geen contractuele vordering, maar wel een vordering tot vergoeding van de waarde van de geleverde goederen, gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Een fundament voor pre-contractuele aansprakelijkheid dat in Engeland (nog) niet volledig wordt erkend, maar wel in andere common law landen, is "promissory estoppel". Section 90 van de Amerikaanse Restatement on Contracts, Second bepaalt:
"A promise which the promisor should reasonable expect to induce action or forbearance on the part of the promisee or a third person and which does induce such action or forbearance is binding if injustice can be avoided only by enforcement of the promise. The remedy granted for breach may be limited as justice requires."
Een toezegging waarvan degene die deze toezegging doet redelijkerwijs kan verwachten dat daarvan een handelen of een nalaten door een ander het gevolg is, kan, ook al resulteert de toezegging niet in een contract, bindend zijn.13
In de beroemde Amerikaanse zaak Hoffman v. Red Owl Stores14 werd degene die tijdens de onderhandelingen een bepaalde toezegging deed (betreffende de kosten van participatie in het project waarover onderhandeld werd) aansprakelijk geacht voor de financiële gevolgen van het handelen van de wederpartij die vertrouwde op de toezegging (de wederpartij had, vertrouwende op de toezegging, zijn huidige onderneming verkocht, was reeds verhuisd etc.). Hoffman v. Red Owl Stores bevestigt dat een specifieke toezegging, die niet een aanbod inhoudt, kan leiden tot precontractuele aansprakelijkheid. Overigens ging het in deze zaak niet om de aansprakelijkheid van de afbrekende partij. Hoffman brak de onderhandelingen af, toen bleek dat Red Owl Stores de gedane toezegging niet kon waarmaken. In Engeland heeft de promissory estoppel doctrine (nog) slechts een beperkte betekenis. Het is niet uitgesloten dat dit in de toekomst anders zal zijn.15 Tenslotte, ondanks Walford v. Miles, waar de geldigheid van een contract om te onderhandelen ("contract to negotiate") werd afgewezen, wordt het toch mogelijk geacht dat onder omstandigheden een rechtsgeldige voorovereenkomst tussen de onderhandelende partijen kan bestaan.16