Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/15
15 Inleiding
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365325:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De Britse econoom Alfred Marshall merkte de verschuiving van eigendom en zeggenschap al op in 1890 evenals William W. Cook een jaar later in 1891, zie Hovenkamp 1991, p. 357; Ook Robbert Somers Brookings schreef reeds in 1925 over ‘the separation of ownership and management’; Brookings 1925. In Duitsland wees Erwin Steinitzer al in 1908 op de uiteenlopende belangen van de ‘direkten Interessenten’ van de vennootschap, zie Steinitzer 1908.
Berle & Means 1932, p. 70.
Berle & Means 1932, p. 84.
Het bezoldigingsvraagstuk doet zijn intrede wanneer de scheiding van eigendom en zeggenschap binnen de naamloze vennootschap zich aan het einde van de 19e en begin 20e eeuw voltrekt. De meest invloedrijke schrijvers over dit onderwerp zijn de jurist Adolf A. Berle Jr. en de econoom Gardiner C. Means geweest. Hoewel zij niet de eersten waren die de scheiding tussen eigendom en zeggenschap opmerkten, heeft hun gezamenlijke werk, “The Modern Corporation and Private Property” uit 1932, waarin zij de eerste contouren van deze scheiding in de Verenigde Staten uitvoerig beschrijven, grote invloed gehad op de wijze waarop naar de naamloze vennootschap en haar actoren wordt gekeken.1 Berle en Means onderscheiden vijf typen beursvennootschappen, afhankelijk van het spreidingspercentage van aandelen onder de aandeelhouders en de allocatie van de zeggenschap.
“Five major types can be distinguished, though no sharp dividing line separates type from type. These include (i) control through almost complete ownership, (ii) majority control, (iii) control through a legal device without ownership, (iv) minority control and (v) management control”2
Ze wijzen in hun werk op een nieuw fenomeen dat de kop op heeft gestoken, namelijk de beursvennootschap waarin de zeggenschap volledig bij de raad van bestuur ligt, doordat de aandeelhouders zozeer verspreid zijn, dat geen enkele aandeelhouder voldoende aandelen houdt om daadwerkelijk invloed uit te kunnen oefenen op het bestuur van de vennootschap.3