NJB 2023/394:Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (van in casu Tweede-Kamerlid P.H. Omtzigt), art. 285 lid 1 Sr: in een geval als het onderhavige is vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. In casu kon het hof oordelen dat daarvan sprake was, onder meer erop gelet dat Omtzigt op de openbare weg werd aangesproken en is gevolgd door een groep van circa tien personen waarvan de verdachte deel uitmaakte, en voorts dat (i) de verdachte Omtzigt op enig moment fysiek de weg heeft versperd door voor hem te gaan staan, waarbij de verdachte Omtzigt met luide stem heeft toegesproken terwijl hij met zijn gezicht intimiderend dicht tegen het gezicht van Omtzigt kwam, waarna Omtzigt kenbaar heeft gemaakt dat hij zich niet prettig voelde in de ontstane situatie, (ii) de verdachte nadat Omtzigt zijn weg vervolgde de woorden: ‘Vieze vuile kankerhond, ik zal je doodslaan mongool!’ in de richting van Omtzigt heeft geroepen, en (iii) Omtzigt een dag later via internet op de hoogte is geraakt van deze uitlating van de verdachte.