Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/112
112 Intrinsieke motivatie vs. extrinsieke motivatie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369049:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Opgemerkt zij dat dit een twistpunt is tussen – enigszins gechargeerd gesteld – de economische en de psychologische opvatting. Voor de psychologie is de intrinsieke motivatie superieur en kan deze niet vervangen worden door welke hoeveelheid aan extrinsieke motivatie dan ook. De economen trekken dit in twijfel. Zie ondere andere Kohn 1993 en Fehr & Falk 2002.
Kohn 1999, p. 257 (tweede druk, nieuw nawoord).
De Cremer 2010, p. 44-46.
Zie hiervoor, randnummer 98 e.v.
Beer & Katz 2003, p. 30-44. De Cremer 2010, p. 44-46.
Beer & Katz 2003, p. 30.
De Cremer 2010, p. 44-46. Ook Miller en Ratner komen tot de conclusie dat de rol die het eigen belang speelt bij de houding en het gedrag van anderen consistent wordt overschat, ook in die gevallen waar het eigen gedrag niet primair wordt beïnvloed door het eigen belang. Zie Miller & Ratner 1998, p. 53-62.
Zie randnummer 85.
De Cremer 2010, p. 44-46.
“If our goal is excellence, no artificial incentive can ever match the power of intrinsic motivation.”
(Kohn 1993)
Door geen onderscheid te maken tussen de twee vormen van motivatie gaat de pay-for-performancebenadering voorbij aan het kwalitatieve onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Vanuit andere disciplines wordt meer waarde toegekend aan intrinsieke motivatie dan aan extrinsieke motivatie. De vorm van de motivatie is belangrijker dan de hoeveelheid.1 Wat er daadwerkelijk toe doet is dus niet hoe gemotiveerd iemand is, maar hoe iemand gemotiveerd is.2 De voorkeur gaat daarbij uit naar iemand die intrinsiek gemotiveerd is zijn werk te doen, boven iemand die louter wordt gedreven door geld.3 Vanwege het mensbeeld dat door de pay-for-performancebenadering wordt gehanteerd, wordt de eerste persoon als non-existent weggezet.4
In de praktijk wordt de voorkeur voor een intrinsiek gemotiveerde bestuurder erkend en dat is niet het enige. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat bestuurders zelf van mening zijn dat hun eigen intrinsieke motivatie de drijvende kracht is achter hun inspanningen en zij niet het idee hebben dat prestatiebeloning hun gedrag heeft beïnvloed.5
“The most important reason cited for instituting bonuses is that bonuses motivate. At the same time, executives believe incentives only improve performance slightly, if at all. A more likely explanation for the use of bonuses may be to attract and keep executives; executives use theories about motivation as rhetoric to justify their actions.”6
Opmerkelijk genoeg leeft in de praktijk de perceptie dat ‘anderen’ zich juist wel laten drijven door extrinsieke prikkels in plaats van door hun intrinsieke motivatie. David de Cremer interviewde in 2010 vijftien bestuurders van Nederlandse banken die belast waren met het aannamebeleid van hun bank. De Cremer vroeg aan deze bestuurders welke bankier zij zouden kiezen om hun privévermogen te beheren.
Bankier type A, een bankier die alleen wordt gemotiveerd door zijn persoonlijke financiële prikkel of bankier type B, een bankier die een oprechte interesse heeft in bankieren en intrinsiek gemotiveerd is om zijn klanten te dienen. Alle bestuurders kozen ervoor hun geld naar bankier B te brengen. Vervolgens vroeg De Cremer de bestuurders hoe belangrijk bonussen waren voor hun eigen motivatie en prestatie en vroeg hij hen in hoeverre zij dachten dat bonussen belangrijk waren voor de motivatie en prestatie van andere bankiers. De bankbestuurders waren van mening dat financiële prikkels in hun eigen geval niet direct noodzakelijk zijn. Zij waren wel overtuigd van de voordelen van het bezoldigen met bonussen om anderen te motiveren hun werk goed te doen.7
De gedachte dat iemand zelf geen bonus nodig heeft om goed te presteren, maar anderen wel geprikkeld moeten worden door een variabele bezoldiging wordt in de sociale psychologie aangeduid met de al eerder aangehaalde term self-serving bias.8 Wij hebben een positiever beeld van onszelf dan van anderen. Door deze self-serving bias ontstaat de mythe dat het aansporen van anderen met financiële prikkels noodzakelijk is. Ondanks een persoonlijke voorkeur voor een intrinsiek gemotiveerde bestuurder en een eigen intrinsieke motivatie om te presteren, wordt in de praktijk dus tegen beter weten in vertrouwd op extrinsieke financiële prikkels om anderen tot betere prestaties te brengen. Deze ‘zelfgecreëerde mythe’ over wat voor soort bezoldiging nodig is om bestuurders en werknemers te laten presteren leidt er zelfs toe dat bankbestuurders werknemers aannemen aan wie zij hun eigen geld liever niet zouden toevertrouwen.9