Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.2.2
6.2.2 Art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS493053:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Opmerkelijk is dat de NOB voorstelde om de redactie van bedoelde leden juist met behoud van het ‘redelijkheidscriterium’ op elkaar af te stemmen (dus om het redelijkheidscriterium in lid 2 te codificeren). Over de vraag of moet worden aangenomen dat daarmee afscheid is genomen van het redelijkheidscriterium kom ik nog te spreken (paragraaf 6.3.2.1.2).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10-11 (MvT).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 7, p. 18. In dezelfde zin: Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10-11 en 34 (MvT).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 34 (MvT).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 23 (MvT).
Heijnen 2017, paragraaf 3.
Anders dan een hernummering van lid 2 naar lid 7 onderging art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) met de invoering van het huidige art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) weinig modificatie.1 Het aanvankelijk door het Ministerie van Financiën ter internetconsultatie voorgelegde voorstel voor art. 29 lid 7 Wet OB 1968 (vanaf 2017) bevatte een woordelijk gelijke bepaling aan art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017), met dien verstande dat de tweejaarstermijn was vervangen door een éénjaarstermijn. Nadien werd de tekst van lid 7 nog op twee punten aangepast. Ten eerste werd met betrekking tot het tijdstip waarop de correctie moet worden doorgevoerd de frase ‘(…) op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat (…)’ vervangen door ‘(…) het tijdstip waarop komt vast te staan dat (…)’. Ten tweede werd verduidelijkt dat de correctie plaatsvindt in het geval dat de afnemer de vergoeding ‘geheel of gedeeltelijk’ heeft terugontvangen. Met de eerste wijziging werd gevolg gegeven aan het verzoek van enkele respondenten op de internetconsultatie (waaronder de NOB) om de bewoordingen van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 af te stemmen op de regeling voor oninbare vorderingen van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017).2
Met bedoelde wijzigingen heeft de wetgever de ‘correctie vooraftrek’ derhalve op één lijn willen brengen met de regeling voor het recht op teruggaaf van de leverancier.3 Dat de wetgever bedoelde regelingen als echte spiegelbeeldbepalingen beschouwt kan worden opgemaakt uit de parlementaire geschiedenis. Ik citeer uit de Nota naar aanleiding van het Verslag:4
“Het gaat hier inderdaad om twee aspecten van dezelfde vordering. Enerzijds verkrijgt de leverancier van de goederen of diensten één jaar na het opeisbaar worden van de niet-betaalde vordering recht op teruggaaf van de ter zake van de vordering reeds afgedragen btw en anderzijds moet de ondernemer die de goederen of diensten heeft ontvangen één jaar na het opeisbaar worden van de ter zake niet betaalde vordering de reeds in aftrek gebrachte voorbelasting corrigeren.”
Art. 29 lid 7 Wet OB 1968 vindt zijn basis in art. 184-186 Btw-richtlijn.5 Anders dan zijn tegenhanger (art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf 2017)) sluit deze bepaling echter niet naadloos aan bij de bewoordingen van de Btw-richtlijn. Zo heeft art. 29 lid 7 Wet OB 1968 het over het verschuldigd worden van btw ingeval de debiteur de vergoeding ‘niet of niet geheel zal betalen dan wel geheel of gedeeltelijk heeft terugontvangen’, terwijl art. 185 Btw-richtlijn spreekt van ‘geannuleerde aankopen’, ‘verkregen rabatten’ en ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’. Aangezien het met de invoering van art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) de uitdrukkelijke wens van de wetgever was om de nieuwe regeling ‘voor zover mogelijk’ te laten aansluiten bij de bewoordingen van de Btw-richtlijn,6 kan het als een gemiste kans worden ervaren dat de wetgever niet ook de redactie van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 heeft aangepast aan de bewoordingen de Btw-richtlijn, of op zijn minst aan die van art. 29 lid 1 Btw-richtlijn.7 Ik kom daarover nog te spreken in hoofdstuk 8.
Net als bij de regeling voor oninbare vorderingen voorziet de regeling voor onbetaalde schulden in een aanvullende correctie in het geval de ondernemer de vergoeding alsnog (dat wil zeggen: nadat hij een correctie op de voet van lid 7 heeft gemaakt) geheel of gedeeltelijk betaalt (art. 29 lid 8 Wet OB 1968 (vanaf 2017)). De parlementaire toelichting bij deze maatregel is erg summier. In de memorie van toelichting wordt enkel ingegaan op de wijze waarop de correctie moet worden gemaakt.8