Ondernemingsrecht 2026/20
Themanummer Nederlands-Caribisch en Surinaams recht
Karel Frielink, datum 18-02-2026
- Datum
18-02-2026
- Auteur
Karel Frielink1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD46586:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mr. dr. K. (Karel) Frielink is advocaat en rechtswetenschapper te Curaçao en gastredacteur van Ondernemingsrecht/Financieel recht voor dit themanummer.
F.B.M. Kunneman, ‘Governance van overheidsgelieerde entiteiten in de Dutch Caribbean, een balans na 15 jaar’, Ondernemingsrecht 2026/21.
G.E.R. Adipoera, ‘Het aansprakelijkheidsregime van bestuurders en commissarissen bij Surinaamse overheidsrechtspersonen’, Ondernemingsrecht 2026/22.
C. de Bres, ‘Het Caribisch enquêterecht: concordantie met een twist’, Ondernemingsrecht 2026/23.
K.R. Filesia & S.M. Altena, ‘De stichting particulier fonds in de Caribische rechtspraktijk’, Ondernemingsrecht 2026/24.
S.H. Barten & M. Bergervoet, ‘De trust en de vennootschap met afgescheiden vermogens’, Ondernemingsrecht 2026/25.
J.J.A. Hamers, ‘Het Nederlands-Caribische personenvennootschapsrecht; een juridische lofzang met enkele kritische noten’, Ondernemingsrecht 2026/26.
G.N. Best, ‘Nieuwe wettelijke kaders voor de Surinaamse bankensector’, Ondernemingsrecht 2026/27.
Ver van het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is met het Nederlands recht vergelijkbaar recht van kracht. Het gaat om Aruba, Curaçao en Sint Maarten als autonome landen binnen het Koninkrijk, om Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) als bijzondere openbare lichamen, en om Suriname. Suriname heeft er als onafhankelijk land voor gekozen om per 1 mei 2025 een geheel nieuw Burgerlijk Wetboek in te voeren, naast een nieuwe Handelsregisterwet en een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wetgeving van Curaçao is daarbij zoveel mogelijk als voorbeeld gehanteerd. Ook wat betreft bijvoorbeeld de Centrale Bankwet 2022 en de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2023 heeft de wetgever van Suriname over de landsgrenzen heen gekeken.
In dit themanummer zijn bijdragen bijeengebracht waarin aandacht wordt besteed aan het personenvennootschapsrecht, het rechtspersonenrecht en het financieel recht. Daarmee wordt uiteraard geen volledig beeld geschetst van de wetgeving en ontwikkelingen in deze jurisdicties, maar kan wel een indruk worden verkregen. Bovendien zijn er wettelijk geregelde fenomenen die in Nederland niet voorkomen, zoals de stichting particulier fonds (op de BES-eilanden en in Curaçao en Sint Maarten) en de trust (in Curaçao, Sint Maarten en Suriname), terwijl in Curaçao een voorstel van wet in voorbereiding is voor een vennootschap (NV of BV) met afgescheiden vermogens (VAV). Het gaat daarbij om een rechtsvorm geïnspireerd door (Anglo-Amerikaanse) rechtsvormen als de segregated cell company, protected cell company en variable capital company.
Frank Kunneman2 bespreekt de governance van overheidsgelieerde entiteiten in de Dutch Caribbean, en laat zien dat de formele structuren vaak niet opwegen tegen hardnekkige culturele en institutionele patronen. Bestuurlijke integriteit zou wat hem betreft geen uitzondering maar een vanzelfsprekendheid moeten zijn, zodat wordt gehandeld vanuit een eigen, volwassen overtuiging: “Dáár ligt de ware onafhankelijkheid.” Verder besteedt hij aandacht aan legal transplants en small island jurisdictions.
Gerrold Adipoera3 behandelt het aansprakelijkheidsregime van bestuurders en commissarissen bij Surinaamse overheidsrechtspersonen op basis van het op 1 mei 2025 in Suriname ingevoerde Burgerlijk Wetboek. Hij bepleit de analogische toepassing van de regeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van het Surinaamse Boek 2 op bestuurders en commissarissen van overheidsrechtspersonen. Chris de Bres4 bespreekt het Caribisch enquêterecht en gaat in op de aanmerkelijke verschillen met de Nederlandse regeling. Hij bespreekt zes uitspraken in Caribische enquêteprocedures die een bijzonder verloop hebben gekend en/of een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van het enquêterecht aan beide zijden van de oceaan.
Katherine Filesia en Sabine Altena5 behandelen de stichting particulier fonds in de Caribische rechtspraktijk. Zij gaan uitgebreid in op voor de praktijk aanzienlijke knelpunten, met name op het gebied van zeggenschap, toezicht, opvolging en transparantie. Verder doen zij voorstellen om de structuur van de SPF te moderniseren en in lijn te brengen met de behoeften van de praktijk. Sebastiaan Barten en Maike Bergervoet6 bespreken de Curaçaose trust en het voorstel van wet voor een vennootschap met afgescheiden vermogens. Zij zien die vennootschap, waarin per afgescheiden vermogen zowel activa als passiva kunnen worden gerangschikt en waarin verhaal en een eventueel faillissement per vermogen expliciet worden geregeld, als een mogelijk alternatief voor de trust.
Jos Hamers7 bespreekt het Nederlands-Caribische personenvennootschapsrecht, waarbij hij pleit voor samenwerking en afstemming binnen het Koninkrijk. De regelingen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten bevatten volgens hem belangrijke vernieuwingen, waaronder het opheffen van het verschil tussen beroep en bedrijf, de daaruit voortvloeiende uitbreiding van de aansprakelijkheid van maten in de openbare vennootschap/maatschap en de mogelijkheid van omzetting in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid.
Met de bijdrage van Gaetano Best8 over Surinaams financieel recht wordt het themanummer afgesloten. Zijn conclusie, dat formele onafhankelijkheid weinig toegevoegde waarde heeft als de onafhankelijkheid van geest bij bestuurders en commissarissen ontbreekt, sluit naadloos aan bij de analyse van Kunneman.