RI 2016/42
Bestuurdersaansprakelijkheid. Is de bestuurder geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is? (Eiser/Velenturf q.q.)
HR 12-02-2016, ECLI:NL:HR:2016:233
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 februari 2016
- Magistraten
Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot
- Zaaknummer
14/06102
- Conclusie
A-G mr. J.B.M.M. Wuisman
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS923169:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2016:233, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑02‑2016
ECLI:NL:PHR:2015:2290, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑11‑2015
- Wetingang
Art. 2:248 BW
Essentie
Bestuurdersaansprakelijkheid.
Is de bestuurder geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is?
Samenvatting
B B.V. (hierna: B) en C B.V. (hierna: C) zijn in 2007 een (kosten)maatschap aangegaan. Eiser tot cassatie (hierna: eiser) is bestuurder van B. De maatschap is een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot het pand waarin B en C ieder de advocatenpraktijk uitoefenen. De naam van B is gewijzigd in A B.V. (hierna: A). Op 1 november 2008 is de maatschap ontbonden. C heeft de uitoefening van de praktijk gestaakt. De praktijk van A is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.