Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.6:6.3.6 Toegenomen voorzichtigheid?
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.6
6.3.6 Toegenomen voorzichtigheid?
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200825:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de hierboven beschreven verschillen in opvatting over bewijsbeoordeling komt tot slot de vraag op in hoeverre rechters het beeld van politiemensen en officieren van justitie bevestigen en menen dat zij in de loop der tijd voorzichtiger zijn geworden met de bewijsbeoordeling. Op basis van de interviews met rechters kan op deze vraag geen simpel antwoord worden gegeven. Veel rechters denken dat de voorzichtigheid bij de beoordeling van bewijs onder invloed van diverse in Nederland bekend geworden gerechtelijke dwalingen is toegenomen. Soms ook wordt dit ervaren als een tijdelijk effect. Een deel van de rechters herkent zich helemaal niet in het beeld dat rechters tegenwoordig eerder zouden twijfelen en vrijspreken.
‘Ik kan me herinneren, toen je de combinatie van de Schiedammer Parkmoord en Lucia de B. net had gehad, dat collega’s schertsend zeiden: “We komen helemaal niet meer tot bewijs!” Dat waren dan grapjes aan de lunchtafel. Maar er is wel een fase van [toegenomen voorzichtigheid] geweest. Dat heeft een tik gegeven op grotere zaken. Je zag dat rechters begonnen terug te deinzen en zich afvroegen: “Is deze optelsom nog wel voldoende?” Ik heb daar zelf geen last van gehad, maar ik weet dat het onder collega’s wel speelde.
‘Bij twijfel hak je minder snel de knoop door, dat effect zie je tegenwoordig sterker. Ik had vandaag bijvoorbeeld een zaak waarbij opzet een rol speelde. De verdachte zei dat hij echt niet van plan was geweest om te stelen, hij wilde iets anders doen. Door zijn verhaal was ik er niet van overtuigd dat hij de opzet had om te stelen. In zijn geval zei ik: “Niet valt uit te sluiten dat het verhaal van de verdachte klopt.” Dat vond de officier ook te voorzichtig. Die had een ander verhaal en dat zou ook kunnen.’