Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.7
5.2.4.7 i3 en Ergo Buildings (2023)
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3); en Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/183 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Ergo Buildings).
Zie Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2022, JOR 2022/175 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Omines); en Hof Amsterdam (OK) 28 april 2022, JOR 2022/176 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Flevo Berry).
Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.3; en Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/183 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Ergo Buildings), r.o. 3.5.
Ik meen dat bestuurders deze openheid ook onderling dienen te betrachten en jegens de raad van commissarissen. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, NJ 1984/481 m.nt. J.M.M. Maeijer (Linders/Hofstee), waarin in algemene zin is overwogen dat in voorkomende gevallen zo groot mogelijke openheid dient te worden betracht, en dus niet slechts jegens de aandeelhouders.
Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.58; en Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/183 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Ergo Buildings), r.o. 3.10.
Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.58.
Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.20.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), r.o. 3.19 en 3.20.
Zie ook mijn noot onder JOR 2020/203 (Fuelplants), onder 10.
Ten slotte wil ik stilstaan bij twee beschikkingen die de Ondernemingskamer wees op 6 april 2023, i3 en Ergo Buildings,1 waarin het belang van transparantie bij tegenstrijdig belang-transacties (wederom) is benadrukt. Voor zover relevant, zagen beide beschikkingen op (i) vennootschappen waarin de meerderheidsaandeelhouder tevens enig bestuurder was; en (ii) die bestuurder verschillende transacties was aangegaan waarbij hij een tegenstrijdig belang had; en (iii) waarbij hij niet de vereiste zorgvuldigheid had betracht. Ergo Buildings betrof een eerstefasebeschikking waarin de Ondernemingskamer concludeerde dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid; i3 betrof een tweedefasebeschikking waarin wanbeleid was vastgesteld.
Naast de wettelijke onthoudingsregel, legde de Ondernemingskamer daarbij, onder verwijzing naar de overzichtsbeschikkingen Omines en Flevo Berry,2 de nadruk op de gedragsnorm uit Linders/Hofstee:
“Indien een bestuurder geconflicteerd is, dient deze zich te onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de desbetreffende transactie. Ook overigens is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij dienen de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden te worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn.”3
Die “zo groot mogelijke openheid” diende (mede4) te zijn gericht jegens de aandeelhouders. De Ondernemingskamer vervolgde met haar inmiddels bekende overweging:
“Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan art. 2:8 BW meebrengen dat het bestuur in besloten verhoudingen gehouden is uit eigen beweging of op vragen van de aandeelhouder ook buiten het verband van de algemene vergadering transparantie te betrachten en de aandeelhouder ruimhartig van informatie te voorzien over de vennootschap, haar groepsmaatschappijen en de daarmee verbonden onderneming.”5
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden deed een dergelijke informatieplicht zich voor. In i3 expliciteerde de Ondernemingskamer dat het op de weg van de vennootschap lag om haar aandeelhouders vooraf te informeren:
“Die omstandigheden brengen mee dat (de bestuurder van) i3 gehouden was om tegenover Vanestate en Dolbeco eigener beweging en voorafgaand aan de te nemen besluiten transparantie te betrachten; dat is ook het geval indien, zoals i3 aanvoert, Vanestate en Dolbeco zich passief opstelden. Petrias ([A]) heeft dat structureel nagelaten.”6 (onderstr. PH)
Aanleiding hiervoor lijkt te zijn geweest dat de Ondernemingskamer vaststelde dat een tegenstrijdig belang-transactie plaatsvond buiten medeweten van de overige aandeelhouders, die deze pas achteraf vernamen, en dan nog in versluierde termen.7 Daarmee betrachtte de bestuurder tevens meerderheidsaandeelhouder niet de vereiste zorgvuldigheid. Ik meen dat deze overweging zo moet worden gelezen dat de aandeelhouder tijdig dient te worden geïnformeerd, zodanig dat hij voldoende gelegenheid heeft om zijn positie te bepalen en zo nodig stappen zou kunnen ondernemen om zijn positie te beschermen. Behoudens gevallen waarin dit het belang van de vennootschap onevenredig zou kunnen schaden,8 zal de aandeelhouder derhalve reeds vooraf moeten worden geïnformeerd. Hoewel een dergelijke proactieve informatieplicht van de vennootschap reeds volgde uit eerdere beschikkingen,9 is dat niet eerder zo uitdrukkelijk door de Ondernemingskamer bevestigd.