Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.7.2
7.2.7.2 Bevorderen normconform overheidshandelen
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS621525:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8843, NJ 2002/518 m.nt. Schalken en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8641, NJ 2010/246 m.nt. Schalken (partiële niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens inbreuk op art. 6 EVRM door weigering gevolg te geven aan door de rechter bevolen oproeping van een CIE-informant), zij het dat het daarin gaat om een situatie na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Zie ook HR 8 september 1998, NJ 1998/879 m.nt. Schalken, zij het dat het daarin gaat om een vormfout in het voorbereidend onderzoek (hof kon OM niet-ontvankelijk verklaren wegens schending beginselen van behoorlijke procesorde nu OvJ aan verbalisanten had opgedragen bij RC en ter zitting bepaalde vragen niet te beantwoorden).
Stb. 2013, 138, inwerkingtreding Stb. 2013, 313.
Kamerstukken II, 2008/09, 32044, nr. 2. Zie ook Borgers 2012a, p. 411.
Als mijn zojuist geuite veronderstelling juist is en controle op vormfouten van die specifieke categorie particulieren met het oog op de mogelijke toepassing van bewijsuitsluiting geschiedt ter bevordering van normconform gedrag, zou dat een tweede voorbeeld zijn van het nastreven van dit doeleinde door de zittingsrechter met het controleren en reageren op vormverzuimen buiten art. 359a Sv. Het eerste en onomstreden voorbeeld hiervan biedt de hiervoor al genoemde zaak betreffende onderzoek door de AIVD. In HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336 m.nt. Schalken,oordeelde de Hoge Raad dat het feit dat dit onderzoek buiten art. 359a Sv valt niet wegneemt dat onder omstandigheden de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingesteld onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt. Redenen daarvoor kunnen volgens de Hoge Raad, kort gezegd, zijn dat (a) doelbewust met het oog op het buiten toepassing blijven van strafvorderlijke waarborgen geen opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt, (b) het optreden van de dienst een zodanige schending oplevert op fundamentele rechten van de verdachte dat geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, of (c) de mogelijkheden tot toetsing van de betrouwbaarheid van het materiaal zozeer zijn beperkt dat het gebruik van dat materiaal onverenigbaar is met datzelfde recht op een eerlijk proces. De taak die de zittingsrechter in dit verband heeft, is door de Hoge Raad nader beschreven in de volgende overweging:
‘Indien in dit kader in een strafzaak een onderbouwd beroep wordt gedaan op de onbetrouwbaarheid van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst verzameld materiaal zodat dit naar het oordeel van de verdediging niet tot bewijs kan dienen, dient de strafrechter de gegrondheid van die stelling te onderzoeken, waarbij de verdediging de gelegenheid moet hebben om de betrouwbaarheid van dat materiaal aan te vechten en te (doen) onderzoeken, eventueel door getuigen te doen horen, bijvoorbeeld door de rechter-commissaris. Daarbij dient de strafrechter rekening te houden met enerzijds de bijzondere positie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die veelal tot geheimhouding noopt, en anderzijds de verdedigingsrechten van de verdachte als bedoeld in art. 6, derde lid, EVRM.
De vraag hoe dit onderzoek dient te worden verricht en in welke gevallen, gelet op het fair trial-vereiste van art. 6 EVRM, de conclusie moet zijn dat het materiaal vanwege gebreken in de mogelijkheden om dat materiaal te toetsen en aan te vechten niet tot het bewijs kan worden gebezigd, valt niet in algemene zin te beantwoorden. Wel kan worden opgemerkt dat de rechter dient te streven naar compensatie van eventuele beperkingen van de rechten van de verdediging door andere — bij wat is aangevoerd passende — wegen te zoeken teneinde de betrouwbaarheid van het materiaal te onderzoeken. Bovendien is de aard van het materiaal van belang voor de beantwoording van de vraag of de betrouwbaarheid ervan in voldoende mate kan worden getoetst.’
Ook in deze zaak ligt de nadruk duidelijk op het waarborgen van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, waarbij de mogelijkheid van toetsing van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal natuurlijk cruciaal is.1 Opvallend – en voor zover mij bekend afgezien van de ‘portierszaak’ uniek – is evenwel de onder (a) genoemde mogelijke grond voor bewijsuitsluiting. Die grond correspondeert mede met het bevorderen van normconform overheidshandelen als doeleinde van de toepassing van bewijsuitsluiting.
Vermelding verdient hier nog de per 1 oktober 2013 in art. 482a, vierde lid, Sv neergelegde wettelijke bewijsuitsluitingsregel uit de Wet herziening ten nadele,2 die ertoe strekt te voorkomen dat particulieren onrechtmatige onderzoeksmethoden zullen toepassen om alsnog bewijs te vergaren tegen een gewezen verdachte.3