Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/4.3.2
4.3.2 Scheipar
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS350417:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 7 augustus 2002, JOR 2002/193 (Scheipar), rov. 3.5.
Hoge Raad 6 juni 2003, NJ 2003/486 (Scheipar), toelichting op cassatiemiddel sub 11.
Hoge Raad 6 juni 2003, NJ 2003/486 (Scheipar), rov. 3.5.2 en 3.5.3.
De eerste stap, de schakel bestaande uit de aandeelhoudersband tussen vennootschap en aandeelhouder/administratiekantoor, is gelet op de gelijkstelling van aandelen en certificaten in artikel 2:346 BW niet relevant; de houder van het aandeel, die het certificaat heeft uitgegeven, is het vertrekpunt.
a. Casus en oordeel
Alle aandelen in Scheipar B.V. werden gehouden door de Stichting Administratiekantoor Scheipar. De certificaten van de aandelen werden gehouden door Credit Lyonnais Luxembourg. Deze laatste hield, op grond van een “contrat fiduciaire” 50% van de certificaten voor rekening en op instructie van Issaurat en 50% van de certificaten voor rekening en op instructie van Pich. Deze overeenkomst, waarvan Ondernemingskamer en Hoge Raad de gelding aannamen, bepaalde dat:1
“le Fiduciaire het ‘actif fiduciaire (détiendra) en son nom mais pour compte du F[i] duciant)’ en dat ‘le Fiduciaire exercera tous les droits relatifs à la propriété de l’actif fiduciaire, conformément aux instructions données par le Fiduciant’.”
Het bestuur van de stichting werd gevormd door een trustvennootschap. Voor het uitoefenen van het stemrecht had het bestuur goedkeuring nodig van de raad van commissarissen, bestaande uit Issaurat en Pich. Issaurat deed een enquêteverzoek en werd door de Ondernemingskamer ontvankelijk verklaard. De Ondernemingskamer oordeelde dat:
“Issaurat en Pich hebben te gelden als de rechtstreeks en enig economisch rechthebbenden op de certificaten van de aandelen in de vennootschap en dat derhalve Issaurat heeft te gelden als certificaathouder als bedoeld in artikel 2:346 aanhef en onder b BW die bevoegd is tot het doen van een verzoek als in dit geding door hem gedaan.”
Mede daartegen richtte zich het cassatieberoep. Daarin werd onder meer aangevoerd:2
“Er is alle reden om personen die alleen een afgeleid (contractueel) recht op certificaten van aandelen hebben niet de bevoegdheid te geven om zelf een enquête aanhangig te maken. In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat een certificaat van een certificaat wederom is gecertificeerd, of dat daarop een pandrecht rust. In de visie van de OK zou ieder persoon in de keten dan de bevoegdheid hebben een enquêteprocedure uit te lokken.”
A-G Wesseling-van Gent concludeert:
“Gezien de achtergrond uit de Wet op het enquêterecht moet bij de vaststelling wie als certificaathouder in de zin van art. 2:346 sub b BW heeft te gelden, de vraag betrokken worden of op grond van deze beschermingsgedachte de economisch rechthebbende op certificaten als verschaffer van risicodragend kapitaal bescherming behoeft ten aanzien van het beleid en de gang van zaken in de vennootschap. Daarbij gaat het niet om een uitbreiding van de kring van bevoegden als bedoeld in art. 2:346 BW, welke uitbreiding in strijd zou zijn met de De Vries Robbé-beschikking, maar om de m.i. minder verstrekkende vraag of – kort gezegd – een economisch rechthebbende op certificaten gelijk kan worden gesteld met de certificaathouder van art. 2:346 sub b BW. (…) Nu het enquêterecht aan de certificaathouders is toegekend op de grond dat zij – als verschaffers van risicodragend kapitaal zonder zeggenschap – daaraan enige bescherming konden ontlenen en vaststaat dat Issaurat rechtstreeks en economisch rechthebbende op de certificaten is en anders dan Credit Lyonnais Luxembourg een van de twee eigenlijke kapitaalverschaffers is, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat hij als certificaathouder in de zin van art. 2:346 sub b BW kan worden aangemerkt.”
De Hoge Raad oordeelde:3
“Terecht wordt niet bestreden dat – naar in het oordeel van de Ondernemingskamer ligt besloten – de economisch rechthebbende op certificaten van aandelen gelijk gesteld moet worden met de certificaathouder als bedoeld in art. 2:346, aanhef en onder b. Indien aan de economische certificaathouder in zijn verhouding tot de juridische certificaathouder alle bevoegdheden toekomen met betrekking tot de zeggenschap en de certificaten geheel en al voor rekening en risico van de economische certificaathouder worden gehouden, brengt de strekking van het enquêterecht mee dat de daardoor aan de kapitaalverschaffer verleende bescherming door de economische certificaathouder kan worden ingeroepen. Anders dan het onderdeel betoogt is daartoe niet noodzakelijk dat tussen de economisch rechthebbende op de certificaten en de aandeelhouder een rechtstreekse contractuele band bestaat. De Ondernemingskamer is dus niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.” en: “De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, wijzen erop dat Issaurat en Pich hebben gekozen voor een juridische constructie die ertoe leidt dat zij samen zowel de zeggenschapsrechten als het economisch belang bij de gecertificeerde aandelen hebben behouden.”
b. Analyse
Dit oordeel kan als volgt worden ontleed. Enquêtebevoegdheid komt toe aan een partij die het economische belang houdt bij certificaten; de “economische certificaathouder” wordt gelijkgesteld met de certificaathouder en kan de bescherming inroepen die het enquêterecht biedt aan de kapitaalverschaffer. Daarvoor is niet noodzakelijk dat er een rechtstreekse contractuele band bestaat tussen de economisch rechthebbende op de certificaten enerzijds en de aandeelhouder anderzijds. De Hoge Raad eist evenmin dat er een contractuele band bestaat tussen de certificaathouder en de houder van het economisch belang. In dit geval was er een contrat fiduciaire, maar de Hoge Raad overweegt dat sprake was van “een juridische constructie” die ertoe leidde dat verzoeker het economische belang (en zeggenschap) hield. De Hoge Raad gaat niet in op de toelichting in het cassatiemiddel dat het oordeel van de Ondernemingskamer een zekere stapeling toelaat. De formulering van de Hoge Raad lijkt zo’n stapeling toe te staan. In dit geval ging het om de schakels (i) tussen aandeelhouder/administratiekantoor en certificaathouder;4 en (ii) tussen certificaathouder en belanghebbende onder het contrat fiduciaire. Wel is een voorwaarde dat de certificaten “geheel en al voor rekening en risico” van de economisch gerechtigde worden gehouden; het gaat dus om een partij die het gehele economische belang bij het certificaat houdt. Een andere voorwaarde is dat de economische rechthebbende in zijn verhouding (verhouding: ook dit is ruimer dan enkel een contractuele verhouding) tot de juridische certificaathouder alle bevoegdheden met betrekking tot de zeggenschap toekomen. Zowel het economische belang als de zeggenschap zijn dus relevant bij de vraag of een partij als economisch rechthebbende, en dus als enquêtebevoegd, valt aan te merken.