Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/114
114 Het controlerend aspect van prikkels
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Deci 1975. Zie in gelijke zin de ‘Overjustification Hypothesis’.
Zie noot 21.
Dit wordt ook wel ‘self-determination theory genoemd, zie hierover Deci & Ryan 1985; Deci & Ryan 2000, p. 227-268.
Frey & Osterloh 2005, p. 102.
Frey & Reto Jegen 2001, p. 594/595.
Verschillende studies, gepubliceerd in 1992 door professor in de Psychologie Jonathan L. Freedman en zijn collegae van de Universiteit van Toronto, bevestigen dat naarmate de prikkel die aangeboden wordt groter is, de taak die moet worden vervuld om de beloning te ontvangen als des te negatiever wordt gezien , waarbij het niet bleek uit te maken wat voor soort taak er werd uitgevoerd. Freedman, Cunningham & Krismer 1992, p. 357-368. Zie ook Kohn 1993.
James 2005, p. 549–566.
Dorff 2014 p. 138.
Zie Dorff 2014, p. 138; Deci, Koestner & Ryan 1999, p. 627-668.
Zie Dorff 2014, p. 139; Deci, Koestner & Ryan 1999.
Zie Dorff 2014, p. 139; Deci, Koestner & Ryan 1999.
Winter 2010, p. 5.
‘An incentive is not a reward, it’s an exercise of power’ (Grant 2012)
Het verminderen van de intrinsieke motivatie door het introduceren van extrinsieke prikkels wordt wetenschappelijk verklaard aan de hand van de cognitieve evaluatietheorie van Deci.1 Op basis van deze theorie hebben wetenschappers honderden onderzoeken verricht naar de invloed van extrinsieke prikkels op intrinsieke motivatie. Uit de meta-analyses van deze onderzoeken volgt dat prestatiebeloning de intrinsieke motivatie vermindert als het gaat om creatieve en complexe taken, vanwege het signaal dat extrinsieke prikkels afgeven over de zelfbeschikking en de eigenwaarde van de agent.2 Het crowding out effect komt volgens Frey en Jegen voort uit het controlerende aspect van een financiële prikkel. Hierdoor wordt de zelfbeschikking van de agent aangetast en krijgt de agent het idee dat zijn eigen intrinsieke motivatie niet wordt erkend, waardoor zijn gevoel van eigenwaarde afneemt, met als gevolg dat zijn intrinsieke motivatie afneemt.3 Het aantasten van het gevoel van zelfbeschikking en eigenwaarde zorgt ervoor dat de ‘locus of causality’ van het individu verschuift van binnenin naar buiten. De aandacht wordt verlegd van de handeling of opdracht zelf, naar de beloning (of eventuele sanctie).4 Dit laatste heeft eveneens tot resultaat dat de intrinsieke motivatie vermindert.5
Naarmate de prikkel groter is, wordt deze meer gezien als controlerend. Een verklaring hiervoor is dat naarmate de prikkel groter is, deze vanuit rationeel oogpunt gezien de verplichting opwerpt aan de agent dat hij zijn inspanning moet wijden aan de opgedragen taak, in plaats van aan zijn eigen voorkeuren. Of eenvoudiger: alles wat gepresenteerd wordt als een voorwaarde voor iets anders wordt altijd gezien als minder aantrekkelijk. Bij de ontvanger van de beloning leeft bewust of onbewust het gevoel: “If they have to bribe me to do it, it must be something I wouldn’t want to do.”6
Evenals Frey en Jegen komt James tot de conclusie dat een extrinsieke prikkel kan zorgen voor intrinsieke bevrediging als de prikkel competentie impliceert (crowding-in), maar dat het averechts werkt als de prikkel gezien wordt als controlerend (crowding-out).7 De vraag daarbij is welk type beloning een intrinsieke bevrediging tot gevolg heeft en welk type beloning een negatieve invloed uitoefent op de intrinsieke motivatie van de agent.8 Om deze vraag te beantwoorden wordt onderscheid gemaakt tussen drie type beloningen: (i) onverwachte beloningen en beloningen zonder verplichting, (ii) beloningen die afhankelijk zijn van het afronden van een opdracht en (iii) beloningen die afhankelijk zijn van zowel de kwaliteit als het afronden van de opdracht. Onderzoek naar deze drie verschillende type beloningen geeft een genuanceerder beeld van de invloed van extrinsieke prikkels op intrinsieke motivatie. De eerste soort beloningen – onverwachte beloningen en beloningen die worden aangeboden zonder enige verplichting – hebben geen effect op intrinsieke motivatie. Omdat de beloning niet afhankelijk is van de vraag of en hoe de functie wordt vervuld, blijft de zelfbeschikking van de agent intact en straalt de beloning niets anders dan competentie uit.9
Beloningen die afhankelijk zijn van het afronden van een bepaalde opdracht, maar die niet zien op de kwaliteit van het geleverde werk, worden over het algemeen gezien als controlerend. Dergelijke beloningen stralen ook competentie uit, omdat de agent geen recht heeft op de beloning als hij de opdracht niet afrondt. Het zelfbeschikkingselement neemt dus af terwijl het competentie-element toeneemt. Ondanks de toename van het competentie-element komt uit de verschillende onderzoeken naar voren dat de intrinsieke motivatie in zulke gevallen over het geheel afneemt. Het controlerend aspect heeft een grotere invloed op de intrinsieke motivatie dan de mate van competentie die de beloning uitstraalt.10
Opmerkelijk is dat de meest gevaarlijke beloningsvorm een beloning is die afhankelijk is van zowel het volbrengen van de opdracht als van de kwaliteit van de opdracht. Vanuit een theoretisch perspectief is het verre van duidelijk waarom deze beloningsvorm de intrinsieke motivatie zou doen verminderen. Deze beloningen zijn weliswaar het meest controlerend en hebben dus de meest negatieve invloed op de zelfbeschikking van de agent, maar stralen tevens de grootst mogelijke competentie uit. Uit de onderzoeken waarbij deze beloningsvorm werd onderzocht komt echter naar voren dat deze beloningen de intrinsieke motivatie het meest verminderen.11
In tegenstelling tot wat de intuïtie doet vermoeden, hebben beloningen die zowel zien op het volbrengen van de opdracht als op de kwaliteit van het geleverde werk dus een negatief effect op de intrinsieke motivatie van een bestuurder. De huidige beloningswijze van bestuurders is juist gebaseerd op dit type beloning. Daar komt nog bij dat de noodzaak voor pay-for-performance en daarmee de primaire rechtvaardiging voor prestatiegerelateerde beloning voortkomt uit de wens de bestuurder te controleren en te disciplineren. Door middel van zijn beloning moet de bestuurder immers ertoe gebracht worden te handelen in het belang van de aandeelhouders (of de vennootschap), hetgeen hij anders blijkbaar niet zou doen. Prestatiegerelateerde beloning geeft dan ook een sterk controlerend signaal af. Hetzelfde geldt voor het feit dat aandeelhouders erop staan dat bestuurders slechts betaald worden op basis van vooraf bepaalde, heldere en meetbare prestaties.12 Het aanwezige wetenschappelijke bewijs waarschuwt voor het gevaar van deze beloningsvorm vanwege de negatieve invloed die het controlerend aspect van financiële prikkels op de intrinsieke motivatie kan uitoefenen.