Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.6.2:4.6.2 Officieren van justitie en rechters op afstand van verdachten en slachtoffers
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.6.2
4.6.2 Officieren van justitie en rechters op afstand van verdachten en slachtoffers
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200791:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het beeld overheerst dat officieren van justitie en rechters over het algemeen wel goede juridische professionals zijn, maar dat zij bepaalde inzichten missen. Politiemensen denken over meer directe kennis over verdachten en slachtoffers te beschikken, omdat zij daarmee door hun werkzaamheden zelf intensief in contact komen. Politiemensen menen dat sprake is van een verschil in perspectief van waaruit feiten en ‘schuld’ worden waargenomen en beoordeeld.
Van de rechter wordt verwacht onbevooroordeeld naar voorgelegde feiten te kijken. Voor veel politiemensen lijkt dit nu juist het probleem te zijn. Rechters, hetzelfde geldt voor sommige officieren van justitie, zouden wel juridisch deskundig zijn, maar in de regel over te weinig ‘straatkennis’ beschikken. Wanneer het hieraan ontbreekt lijken puzzelstukken te ontbreken en zouden daders, motieven en andere patronen onvoldoende worden herkend:
‘Als een man zijn vrouw voor de zoveelste keer in elkaar hengst, is belangrijk welke sociale omstandigheden er zijn, werk, hoe ziet hij eruit en kleedt hij zich. Zijn er antecedenten? We hebben een kort sociaal verhoor maar daar haal je niet zoveel uit. Straatwijsheid, daar gaat het om.’
In het verlengde van Skolnicks conclusie dat politiemensen sterk uitgaan van hun eigen ‘vakmanschap’ bij de beoordeling van strafrechtelijke kwesties, zou de kennis die leden van de rechterlijke macht toepassen vanuit het politieperspectief bezien slechts ‘theoretisch’ zijn. Politiemensen zijn zelf regelmatig overtuigd over veel meer relevante ‘praktische kennis’ te beschikken. Politiemensen wijten verschillen in perceptie en redeneerwijze vaak aan de in hun ogen beperkte kennis van officieren van justitie en rechters over politiewerk en over de problemen van burgers. Ook menen ze dat magistraten hiermee onvoldoende in aanraking komen. Het beeld wordt zo gecreëerd van een rechterlijke macht die in een isolement, in een ‘ivoren toren’, los van de ‘echte wereld’ zou functioneren. Als gevolg hiervan voelen politiemensen zich vaak onbegrepen door ‘al die mensen die van achter hun bureau’ oordelen en hebben ze regelmatig het gevoel ‘niet gesteund te worden’. Ook zouden rechters (soms ook officieren van justitie) zich soms te veel beperken tot een strikt juridische beoordeling van de feiten, of zich te veel tot de juridisch relevante feiten beperken. Een officier van justitie van het type ‘crimefighter’ die ‘met beide poten in de modder’ staat, kan in het algemeen op meer waardering rekenen dan een meer magistratelijke:
‘Je hebt verschillende mensen bij het OM, die verschillend betrokken zijn. Kijk naar een gebiedsofficier, die staat met beide poten in de modder en weet wat de context is hier in de wijk. Daar kan ik mee aan de bak. We lopen op de rand, we willen dit doen en dat. Ga je daarin mee? Er zijn ook officieren, die roepen: “Ik denk strafrechtelijk gezien dat er niets in zit.” Daar hebben ze misschien wel een beetje gelijk in maar wij zoeken ondersteuning vanuit het OM. Als wij A roepen op straat, dan moeten wij ook B kunnen roepen. We moeten ze mee kunnen nemen en je moet ze af en toe een tik kunnen geven, vanuit het OM. Daar heb je gevoel voor nodig. Wat we daarvoor doen is een officier mee de straat op trekken, mee een actie intrekken.’
Ook ervaren politiemensen verschillen tussen rechters onderling. Sommige rechters worden als onvoldoende ‘deskundig’ ervaren, waarmee dan wordt bedoeld dat de rechter onvoldoende naar juridische mogelijkheden op zoek gaat om de politie te ondersteunen en een verdachte te confronteren met de strafrechtelijke consequenties van zijn gedrag. Sommige rechters zouden zich in het algemeen te gemakkelijk door het verhaal van de verdachte of zijn advocaat laten meevoeren, en zo het werk van de politie bemoeilijken. Gewenst wordt dan ook dat rechters van het proces-verbaal van de politie en tenminste van de eis of vordering van de officier van justitie uitgaan. Opvallend is ook dat een deel van de politiemensen van mening is dat officieren van justitie en met name rechters meer risico moeten nemen bij de interpretatie van bewijs. Ze willen voorkomen dat ten gunste van een in hun ogen te afstandelijke, formalistische opvatting van rechtvaardigheid door officieren van justitie en rechters, ‘street justice’ (Sykes, 1986) uitblijft. Daarmee wordt de eenvoudige behoefte bedoeld, los van het strafrecht, de orde te herstellen voor burgers die blootstaan aan criminaliteit en overlast. Politiemensen voelen zich vaak erg betrokken bij problemen in hun werkgebied en voelen zich moreel geroepen burgers te beschermen en de orde te herstellen. Het strafrecht lijkt hen teleur te stellen wanneer dat geen ondersteuning biedt bij deze sterk gevoelde missie.