Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/173
173 Andere verklaringen voor de toename van de externe bestuurder
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370195:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere Elson & Ferrere 2012, p. 24.
Elson & Ferrere 2012, p. 24 e.v.
Lucier, Wheeler & Habbel 2007, p. 4.
Cremers & Grinstein 2014, p. 11. Zie tevens een eerdere versie van dit artikel: Cremers & Grinstein 2009, p. 11, waarin de auteurs op heldere wijze benadrukken dat de cijfers over de laatste 20 jaar stabiel gebleven zijn. In hun onderzoek keken de auteurs naar het aantal CEO’s die van buitenaf kwamen in de periode 1993-2005. Zie tevens Lucier, Wheeler & Habbel 2007, p. 8.
Kay 2012, p. 98/99. Ook Ira Kay is van mening dat dit komt doordat: “companies have substantially improved their management succession planning processes.”
Lucier, Wheeler & Habbel 2007, p. 8.
Het is een feit dat een deel van de bestuurders van buiten de beursgenoteerde onderneming komt, waardoor er in ieder geval sprake is van enige mate van mobiliteit. Daar komt bij dat vanaf de jaren ’70 het percentage bestuurders van buitenaf is toegenomen. Volgens Murphy en Zábojník wijst deze trend erop dat algemene bestuurlijke vaardigheden aan belang hebben gewonnen. Het is echter de vraag of deze trend hun aanname ondersteunt dat ondernemingsspecifieke kennis en vaardigheden niet meer opgedaan hoeven te worden bij de onderneming zelf. Er zijn immers genoeg andere redenen te bedenken dan de (volledige) verschuiving naar algemene bestuurlijke vaardigheden om de opwaartse trend in het aantrekken van externe bestuurders te verklaren.1 De jaren ’80, de periode waarin het fenomeen van de extern georiënteerde opvolging van bestuurders klaarblijkelijk begint te versnellen, is in brede zin een roerige tijd voor ondernemingen. Na een serieuze recessie zorgt de opkomst van de ‘market for corporate control’ met een golf van herstructureringen ervoor dat het economische landschap drastisch verandert. Door de druk van institutionele beleggers en een actieve overnamemarkt worden ondernemingen gedwongen het (lange tijd gehanteerde) impliciete contract tussen deze ondernemingen en de samenleving te herdefiniëren. Voorheen beloofden ondernemingen werknemers stabiliteit en lange termijn werknemerschap met voldoende mogelijkheden om binnen de onderneming carrière te maken door interne promoties in ruil voor loyaliteit. De ‘shareholders value’ beweging van de jaren ’80 veegt dergelijke afspraken van tafel en eist van ondernemingen hogere standaarden van efficiëntie en prestatie te midden van een klimaat van deregulering en verhoogde concurrentie. Met deze monumentale verschuiving van de economie in gedachten kan de verandering in de aard van de bestuurderswissels en carrières wellicht beter gezien worden als een symptoom van de erosie van traditionele patronen van interne promotie. De stabiliteit van het interne carrièrepad wordt verstoord en leidt tot een sneller verloop van werknemers met een bestuurlijke baanhistorie.2 Ondernemingen waren in die tijd intern niet ingesteld op een hoger verloop van bestuurders, waardoor noodzakelijkerwijs buiten de onderneming gekeken moest worden.
“As the succession rates climbed earlier in the decade, boards turned to such expedients as hiring “outsider” CEOs, appointing interim chiefs, and opting for candidates with previous experience running a public company. But these trends have waned as boards have become better at grooming in-house candidates.”3
Uit onderzoek van Martijn Cremers en Yaniv Grinstein blijkt dat de door Murphy en Zábojník genoemde stijgende trend om externe bestuurders aan te trekken sinds 1993 nagenoeg tot stilstand is gekomen en dat, ondanks verdere ontwikkelingen op het gebied van managementstudies en technologie, het percentage externe bestuurder tot en met 2005 nagenoeg gelijk is gebleven.4 Uit recenter onderzoek is zelfs gebleken dat in de laatste jaren het percentage externe CEO’s is afgenomen van een hoogtepunt van gemiddeld 40% tot een gemiddeld percentage van 20%.5
In het onderzoek dat Booz, Allen & Hamilton deed naar het verloop van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen wordt geconcludeerd dat ondernemingen overvallen werden door het grotere verloop van bestuurders vanwege de opkomst van de ‘shareholders value’ beweging en daardoor gedwongen werden om bestuurders van buitenaf aan te trekken. Deze conclusie lijkt een meer valide verklaring voor de hiervoor genoemde trend, dan de verschuiving van ondernemingsspecifieke vaardigheden naar louter algemene bestuurlijke vaardigheden.
“In retrospect, it’s clear that the rise in CEO turnover caught many boards without adequate succession plans. […] by strengthening their focus on succession, boards have nurtured leadership bench strength, enabling them to return to the internal candidates they traditionally prefer.”6