Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.2.2
6.2.2 Schorsen van voorlopige hechtenis
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200827:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sommige rechters zeggen op grond van het dossier of beschikbare stukken een heel andere indruk van de verdachte te krijgen dan op basis van het ‘echte gesprek’ of de ‘ontmoeting’ met de verdachte. Met name in geweldszaken gaat de politie volgens hen soms te veel uit van het verhaal van het slachtoffer (‘dat zich als eerste heeft gemeld bij de politie’).
Dergelijke mogelijkheden bestaan niet tijdens een rechtszitting. In veel zaken wijst de rechter meteen vonnis en zal daarin soms zonder meer de verklaring van de verdachte ter terechtzitting betrekken.
Ook over het schorsen van voorlopige hechtenis bestaan onder rechters uiteenlopende opvattingen. Een deel van de rechters meent dat mogelijkheden voor schorsing van de voorlopige hechtenis zoveel mogelijk aangegrepen moeten worden. Volgens hen gebeurt dit ook steeds vaker. Zo wordt het instellen van huis- en contactverboden regelmatig als alternatief voor voorlopige hechtenis genoemd tijdens de interviews. Tegelijkertijd, zoals hierboven al werd vermeld, geldt voorlopige hechtenis in de ogen van sommige rechters als voorschot op de straf.
‘Het uitgangspunt is: de verdachte is nog niet veroordeeld. Daar wordt vanuit het OM weinig rekening mee gehouden; het wordt meer gezien als voorschot op de straf. Het rare is dat ik daar steeds meer gevoel voor begin te krijgen. Met name bij veelplegers die bezig blijven en overlast geven. Woninginbrekers. Ik kan ze schorsen, maar weet je wat? [Verdachte] gaat dan uit het snelrecht, komt over zes maanden een keer op zitting, krijgt van mij een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf en gaat dan in hoger beroep. Dat duurt twee jaar en wat doet het gerechtshof? Een maandje voorwaardelijk. Ik denk ook af en toe: “Blijf maar zitten, dan krijg je alvast je straf.”’
Verschil van mening over schorsen van voorlopige hechtenis maakt sommige rechters uitgesproken kritisch over collega-rechters. Zo vindt een rechter de beslissing van de raadkamer om de voorlopige hechtenis niet te schorsen soms erg onbevredigend.
‘Je ziet advocaten die alles aanhalen en letterlijk zeggen: “Wat moet ik nog aandragen om duidelijk te maken dat deze meneer naar huis moet vanwege zijn werk of kamer, omdat hij thuis dingen moet regelen?” Dan zeggen we ook nog weleens: “Het schorsingsverzoek is onvoldoende onderbouwd.” Of: “Niet gebleken is dat het individueel belang zodanig is dat het maatschappelijk belang van de hechtenis daarvoor moet wijken.” Een machtswoord [van de rechters] en dan zie je de wanhoop af en toe bij de advocaat. Ik kan [die advocaat] daar geen ongelijk in geven.’
Een andere rechter meent dat vaak geen afweging wordt gemaakt, maar dat juridische argumenten als ‘standaard bouwstenen’ worden gebruikt. De beslissing over voorlopige hechtenis valt volgens deze rechter zonder uitgebreide onderbouwing en min of meer standaard uit naar maximale veiligheid voor de samenleving op korte termijn.
Veel rechters vinden het van groot belang dat persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden meegewogen. Tegen de verklaring van een verdachte over de feiten waarvan hij wordt verdacht of over zijn persoonlijke omstandigheden en voornemens voor later wordt echter verschillend aangekeken. Of de verdachte in beginsel moet worden geloofd of niet, is voor rechters geen gegeven. Sommige rechters beschouwen het als normaal een verdachte zoveel mogelijk op zijn woord te geloven. Zich ervan bewust wellicht weinig waardering te krijgen voor deze houding, naïef te lijken en soms te worden voorgelogen door de verdachte, houden zij hier strikt aan vast: de rechter wordt immers geacht zonder vooringenomenheid (‘onbevangen’) recht te spreken. Een rechter: ‘Ik ben best blij met mijn naïviteit, omdat het maakt dat ik onbevangen naar een zaak kan kijken en misschien in de ogen van officieren en politiemensen onnozel ben. Ja het zij zo, het is mijn geweten.’ In deze opvatting moet de verdachte volop gelegenheid krijgen het beeld dat de aangever of het slachtoffer heeft gecreëerd, bij te stellen.1 Het kan zijn dat sprake is van een ernstige verdenking tegen de verdachte, maar dat gezien de omstandigheden de rechter hem zijn daden minder aanrekent, bijvoorbeeld omdat verdachte ook zelf gezien kan worden als slachtoffer van een geweldsincident. Maar niet alle rechters vinden dat van vertrouwen uitgegaan moet worden. Volgens een rechter-commissaris wordt de verklaring van de verdachte vaak niet zonder-meer geloofd. Zo zou schorsing van de voorlopige hechtenis soms worden uitgesteld tot de advocaat van de verdachte ‘bewijsstukken’ aanlevert, zoals een verklaring van een school dat de verdachte daar onderwijs volgt.2
‘Wat we hier heel vaak doen is zeggen: “Mooi verhaal, het zou kunnen kloppen, maar we gaan je nu vasthouden en je advocaat kan stukken faxen waaruit blijkt waar je woont en waar je onderwijs volgt.” Dat soort stukken vragen, dat doen wij heel vaak hier.’
Programma’s gericht op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ bij (jeugdige) delinquenten kunnen als bijzondere voorwaarde worden opgelegd, zodat de voorlopige hechtenis kan worden geschorst. Evenals politiemensen en sommige officieren van justitie lijken ook sommige rechters hierin weinig vertrouwen te hebben.
‘Wat betreft de groep veelplegers en met name de minderjarigen die soms al zwaarder crimineel zijn dan uit de opgelegde straffen naar voren lijkt te komen, daar ben ik het helemaal eens met de kritiek [dat voorlopige hechtenis te weinig wordt toegepast]. Ik word een beetje gallisch van het gepamper van de minderjarigen bij ons. Ik zit niet in het jeugdteam. Daar kan ik ook beter niet zitten volgens mij. Ik zit weleens in een raadkamer voorlopige hechtenis als er minderjarigen komen. Dan is er zo’n rapport van de Raad voor de Kinderbescherming of van Jeugdzorg en dan wordt alles uit de kast gehaald om dat jochie met therapie en training uit de hechtenis te houden. Maar hij heeft dat vorig jaar ook al een keer gedaan en is weggelopen. Ga je dat nou serieus nog een keer aanbieden [als bijzondere voorwaarde]?’