Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.6:4.4.6 Strafdoelen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.6
4.4.6 Strafdoelen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200765:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een afschrikwekkend effect van gevangenisstraf op delinquenten zelf blijkt onderzoek naar recidive onder Nederlandse delinquenten geen bewijs op te leveren: de lengte van gevangenisstraf heeft geen effect op recidive in de eerste maanden na vrijlating (vgl. Wermink e.a., 2018).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de interviews hebben politiemensen veel in algemene zin gesproken over hun opvattingen over de strafrechtspleging. Hieruit kan worden afgeleid welke strafdoelen zij centraal stellen. Vaak zijn ze cynisch over de strafrechtelijke reactie op gepleegde strafbare feiten, als die in hun ogen te weinig oplevert. Zoals ook al uit voorgaande bleek bekijken politiemensen het strafrecht veelal vanuit een instrumenteel perspectief, waarbij de vraag is welke bijdrage het levert aan de bestrijding van criminaliteit. Hiermee kan ook begrepen worden dat voor veel politiemensen het ‘opsluitingseffect’ een belangrijk strafdoel is: na veroordeling tot een gevangenisstraf kan een delinquent de samenleving (enige tijd) geen kwaad meer doen. Daarnaast vormt voor politiemensen de strafrechtelijke sanctie een moreel gezien noodzakelijke consequentie van strafbaar handelen en dient deze in hun ogen als genoegdoening voor eventuele slachtoffers en ter afschrikking. Naast instrumentele overwegingen spelen in het denken van politiemensen over straffen dus ook morele overwegingen een rol.
Een minderheid onder de politiemensen ziet ook een schaduwkant van een ‘harde aanpak’ door middel van het strafrecht (vgl. De Keijser, 2000: 184). De bijdrage die daardoor uiteindelijk wordt geleverd aan het tegengaan van criminaliteit beschouwen zij als beperkt: ‘Celstraffen, het hoort erbij maar ik geloof er niet zo in.’ In de opvatting van deze kleine groep wordt aan de onderliggende oorzaken van crimineel gedrag te weinig veranderd door strafrechtelijke interventies. In lijn hiermee verwachten zij meer van niet-strafrechtelijke maatregelen en strategieën, gericht op bijvoorbeeld zorg en begeleiding of werk. Overigens wordt ook wanneer hierop de nadruk wordt gelegd door politiemensen, vaak een zekere mate van dwang noodzakelijk geacht.
‘Op een korte termijn geeft [een lange vrijheidsstraf] voldoening, maar ook die inbreker is een mens en heeft een familie. De doodstraf daar kan ik niks mee, maar ook niet keihard afstraffen. Tenzij je het maar blijft verpesten maar dan nog ben ik van mening dat er hulpverlening op moet zitten. Ik geloof er niet in dat het beter wordt door zwaardere straffen.’
Strafrechtelijk optreden dient in de ogen van deze categorie politiemensen in grote mate te worden afgestemd op het doel van speciale preventie; elk ander strafdoel kan hieraan afbreuk doen. Het bereiken van een gedragsverandering staat centraal. Hierbij kan strafrechtelijke repressie (dwang) aan de orde zijn, maar dit kan ook betekenen dat aan een verdachte de vrijheid wordt gegeven om aan zijn toekomst te werken, eventueel met behulp van de juiste zorg of door betaald werk (te behouden).
Echter, veel politiemensen willen dat het strafrecht daders en potentiële delinquenten afschrikt door de sancties die worden opgelegd. Speciale preventie is ook dan wel van belang, maar in combinatie met de andere strafdoelen: met name tijdens en na de straf zou resocialisatie gerealiseerd moeten worden. Echter, zo menen veel politiemensen, in de praktijk zou resocialisatie vaak niet worden gerealiseerd en is ook van afschrikking te weinig sprake. Juist daarom pleiten zij in meerderheid voor strengere straffen, zodat criminaliteit in de toekomst kan worden voorkomen. Via leedtoevoeging leren van fouten zou in deze visie moeten leiden tot gedragsverandering en recidive moeten verminderen. Volgens politiemensen zouden met name rechters hier te weinig oog voor hebben. Ook zouden delinquenten geconfronteerd moeten worden met de harde consequenties van hun gedrag, met name wanneer ze al eerder met het strafrecht in aanraking zijn gekomen. Gedragsverbetering via een ‘constructieve aanpak’ is volgens politiemensen vaak niet mogelijk. Waarbij hun veronderstelling is dat het afschrikkende effect van straf daar wel voor zal zorgen.1 Een hoofdagent:
‘Ze moeten harder gestraft worden. Dat ze denken van oei, dit gaat me toch wel eventjes te ver: een hoge straf. Waarbij ze moeten zitten en het niet zo prettig is. Je hoopt dan dat ze daarmee tot inkeer komen. Heel veel van die gasten, notoire winkeldieven bijvoorbeeld, komen nooit tot inkeer. Die blijven doorgaan. Maar er kan een aantal zijn dat het toch te pittig vindt en ermee kapt.’
Belangrijker is nog dat de meerderheid van de politiemensen het belang van incapacitatie benadrukt, omdat ze vaak geen gedragsverandering menen te zien bij delinquenten die met het strafrecht in aanraking zijn gekomen. Om te voorkomen dat de samenleving last houdt van criminaliteit of overgaat tot eigenrichting, pleiten politiemensen ervoor om recidivisten langdurig de vrijheid te ontnemen en af te zonderen, ook al brengt die ‘oplossing’ mogelijk ook negatieve neveneffecten met zich mee. Niet alleen de ernst van delicten volgens het strafrecht speelt daarbij een rol, maar evenzeer de in hun ogen grote overlast die sommige delinquenten veroorzaken. Onder politiemensen blijkt kortom sterk de gedachte te heersen dat als de problemen van delinquenten niet kunnen worden opgelost, door langdurige opsluiting op zijn minst kan worden bereikt dat de samenleving er gedurende langere tijd geen last meer van heeft:
‘Stel, het is de zoveelste keer dat iemand onrust veroorzaakt in de maatschappij. Ik kan me voorstellen dat je dan zegt: niet twee jaar in een [ISD-]maatregel, maar ga jij maar ‘ns eventjes weet ik hoe lang brommen. Dan is de vraag helpt dat? Maar doe je dat niet, dan blijven ze doorgaan op straat. Dan denk ik, je kan ze evengoed heel lang vastzetten, dan ben je er mooi vanaf. Misschien als ze heel lang zitten en van hun verslaving af zijn, dat het dan iets verbetert. Maar dat betwijfel ik. Het mag van mij harder worden aangepakt in Nederland.’
Langdurige opsluiting zou volgens sommige politiemensen een goede mogelijkheid bieden iets te doen aan de verslavingsproblemen die bij veel daders een belangrijke oorzaak van hun criminele gedrag vormt. Ook om die reden wordt door velen van hen het belang van de ISD-maatregel onderschreven, zij het dat die voor hen soms wel eerder zou mogen worden opgelegd en langer dan twee jaar zou mogen duren. De gedachte dat ‘onschadelijk maken’ of incapacitatie de enige optie is (vgl. Van Stokkom, 2010), is niet per se een ideologische kwestie, maar ook het gevolg van ‘nieuw realisme’ (vgl. Garland, 2001, zie ook hoofdstuk 1) of van wat punitief pragmatisme genoemd zou kunnen worden. Het huidige strafrechtsysteem doet met zijn lichte straffen en vaak weinig effectieve inspanningen om recidive te voorkomen, in de ogen van veel politiemensen onvoldoende tegen criminaliteit en overlast. Een pragmatische ‘oplossing’ wordt vervolgens gevonden in hogere straffen en met name in detentie. Rechters, maar ook reclasseringswerkers en andere hulpverleners worden in dit verband door een deel van de geïnterviewde politiemensen als ‘naïef’ beschouwd, als niet opgewassen tegen hun taak en ook gewantrouwd. Ze zouden te gemakkelijk omzeild of gemanipuleerd kunnen worden door delinquenten die door hun ervaringen ‘de taal van hulpverleners’ machtig zijn geworden.
Overigens staat ook de politie in de ogen van politiemensen vaak machteloos tegenover een belangrijk deel van de criminaliteit. Een pragmatisch antwoord vanuit de strafrechtspleging ligt daarmee voor de hand. Een agent:
‘Volgens mij denken [daders] dat ze rustig kunnen doorgaan met wat ze doen. Ze krijgen er toch geen straf voor. Die jongens weten dondersgoed hoe wij ons werk moeten en kunnen doen. Als je ze aan de kant zet, zeggen ze: ‘Je mag me toch niks, je mag me toch niet fouilleren.’ Dat is ook zo. Ze weten precies hoe ver ze kunnen gaan en ze gaan gewoon door. Het maakt ze niks uit.’
Deze ‘pragmatische’ opvatting dat het strafrecht meer dan nu zou moeten zorgen voor langdurige incapacitatie van hardnekkige probleemgevallen, sluit aan bij het beeld uit eerdere studies van de politiecultuur (Reiner, 2000: 89), waaronder ook Nederlandse (Terpstra & Schaap, 2013). Politiemensen blijken het tegengaan van criminaliteit vaak als belangrijkste missie te beschouwen. Het strafrecht speelt daarbij voor hen een belangrijke rol, zoals blijkt uit dit onderzoek, vanwege een sterke behoefte aan morele rechtvaardigheid. Daarbij valt op dat de preventieve functie die de politie kan vervullen (vgl. Clarke, 1980; Weisburd & Eck, 2004) tijdens de interviews slechts weinig aan bod komt. Politiemensen blijken juist veel van het strafrecht te verwachten. Ook wordt door politiemensen regelmatig opgemerkt dat het gezag van de politie op straat kan en moet worden bevestigd door strafrechtelijke interventies (vgl. Rubinstein, 1973: 336 e.v.). In lijn hiermee is er onder hen een behoefte aan expressieve bevestiging van maatschappelijke normen door middel van een ‘harde aanpak’ vanuit het strafrecht.