Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.4:6.4 Verhouding tot het Unierecht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.4
6.4 Verhouding tot het Unierecht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501510:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling voor onbetaalde schulden vindt haar Unierechtelijke evenknie in art. 185 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn. Hoewel conceptueel weinig af te dingen valt op de geldigheid van de regeling, zijn er een aantal aspecten die mijn bijzondere aandacht trekken. In de eerste plaats zou ik menen dat de regeling ten onrechte uitgaat van een formele benadering door de herziening te koppelen aan de (feitelijk) in aftrek gebrachte btw. In de tweede plaats kunnen vraagtekens worden gezet bij het wezen van de éénjaarstermijn vanwege een gebrek aan onderbouwing van de vraag waarom deze termijn maakt dat in de regel (redelijkerwijs) moet worden aangenomen dat betaling achterwege zal blijven. Ook het fatale karakter van de éénjaarstermijn staat op gespannen voet met het Unierecht. In de derde plaats meen ik dat de handelwijze van de Belastingdienst onverenigbaar is met het Unierecht. De praktijk waarin een failliet vrijwel standaard met een naheffingsaanslag ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968 wordt geconfronteerd, is op drijfzand gebaseerd. In de vierde plaats meen ik dat ook de correctie op de correctie (die nauw verband houdt met de handelwijze van de Belastingdienst in faillissement en de afwikkeling van de failliete boedel) geen Unierechtelijke pluim verdient. Het ontbreekt een dergelijke correctie simpelweg aan een Unierechtelijke basis.