Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/108
108 Afsluitende opmerkingen
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371394:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Stout 2014, p. 23.
Brennan 1994, p. 36/37.
Fehr & Gächter 2000, p. 22.
Zie het eerder aangehaalde artikel in de New York Times van Jane L. Levere van 5 december 2004: Who Invited the Speaker? Beschikbaar op https://www.nytimes.com/2004/12/05/business/yourmoney/05suits.html?_r=0, (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
Zie ook het interview dat de CEO van Unilever, Polman, gaf aan de Washington Post, beschikbaar op https://www.washingtonpost.com/blogs/on-leadership/wp/2015/05/21/thetao-of-paul-polman/ (laatst bezocht op 12 juli 2016).
Dorff 2014, p. 126.
Smith 1776, p. 113-114. Zie ook Brennan 1994, p. 34.
Ook uit diverse onderzoeken komt naar voren dat bestuurders van mening zijn dat financiële prikkels niet hun belangrijkste drijfveer zijn. Zie onder andere Beer & Katz 2003, p. 30-44. De Cremer 2010, p. 44-46. Zie ook het interview dat de CEO van Unilever, Polman, gaf aan de Washington Post, beschikbaar op https://www.washingtonpost.com/blogs/on-leadership/wp/2015/05/21/the-tao-of-paul-polman/ (laatst bezocht op 12 juli 2016).
Smith 1776, p. 137. Zie ook Brennan 1994, p. 34.
Michael Dorff maakt de vergelijking met het bekritiseren van de zwaartekracht, zie Dorff 2014, p. 126.
Dorff 2014, p. 128, waar hij in noot 17 verwijst naar talloze studies. Zie ook Stout 2014.
Dorff 2014, p. 128.
Murphy 1999.
Michael Dorff verdeelt de onderzoekers die deze stelling verkondigen in drie categorieën; (i) de groep die stelt dat er te veel verstorende variabelen zijn om empirisch onderzoek naar de relatie tussen prestatiebeloning en verbeterde prestaties mogelijk te maken, (ii) de groep die de stelling aanhangt dat de efficiënte werking van kapitaalmarkten ervoor zorgt dat verbeterde prestaties dankzij het toepassen van prestatiebeloning reeds verwerkt zijn in de marktprijs en (iii) de groep die teveel problemen ziet in het meten van de individuele prestatie van de bestuurder. Zie Dorff 2014, p. 129 e.v.
Een oud joods fabeltje overgenomen uit Deci & Flaste 1995, p. 26.
Concluderend laten de verschillende sociologische en psychologische experimenten zien, dat de meeste mensen handelen alsof zij twee persoonlijkheden hebben of zoals een econoom zou zeggen: twee ‘revealed preference functions’. Het verhaal van Robert Louis Stevenson, The Strange Tale of Dr. Jekyll and Mr. Hyde (1886), lijkt een weerspiegeling van deze twee persoonlijkheden van de mens. In een bepaalde sociale context handelen wij zorgzaam en houden wij rekening met het welzijn en de belangen van anderen (Dr. Jekyll). En binnen een andere sociale context handelen wij slechts in ons eigen belang (Mr. Hyde). Deze twee uitersten komen overeen met de Homo economicus en de steward. Geen enkel mens is te allen tijde louter gericht op het eigen materiële belang, noch louter op het belang van anderen. Welke persoonlijkheid domineert hangt in overwegende mate af van de sociale context.1
Hoewel de Homo economicus als mensbeeld in bepaalde gevallen van toegevoegde waarde kan zijn bij het voorspellen van het handelen van actoren, kan dit mensbeeld in andere situaties leiden tot het nemen van verkeerde conclusies omdat een uiterste van de mens als uitgangspunt wordt genomen. Eén van die verkeerde conclusies is de aanwezigheid van een noodzaak om bestuurders met financiële prikkels te motiveren omdat zij te allen tijde slechts hun eigen belang zouden nastreven.
Brennan schrijft het volgende over het mensbeeld van Jensen en Meckling dat vaak wordt aangehaald ‘ten gunste van een groter bestuurlijk aandeel in de winst’. “[It] rests on the assumption that the manager will steal what he does not own, so that it is probably more efficient to give it to him at the outset rather than put him to the trouble of stealing it. I would argue that if your manager needs such incentives to stop him from stealing, then you probably need a new manager.”2
Daar komt bij dat de aanname dat de bestuurder slechts zijn eigen materiële belang najaagt voor een cirkelredenering zorgt. Immers, omdat aangenomen wordt dat de bestuurder alleen maar geïnteresseerd is in zijn eigen financiële belang conflicteert zijn belang met het belang van de vennootschap en kan het probleem alleen opgelost worden door de bestuurder te motiveren met financiële prikkels, omdat aangenomen wordt dat hij alleen geïnteresseerd is in zijn eigen financiële belang. Door het negeren van onder meer immateriële voorkeuren van een bestuurder en de invloed van sociale normen wordt een noodzaak gecreëerd zonder solide fundament.
“The assumption that economic agents make their decisions based on pure self-interest has served economists well in many areas. In situations where contracts are reasonably complete, the underlying assumption of self-interest should continue to be especially important. However, the self-interest model has also failed to give satisfactory explanations for a wide variety of questions of interest to economists, including questions about labor market interactions, public goods, and social norms.”3
Ook intuïtief is de gedachte dat een bestuurder in de woorden van Barney Frank ‘omgekocht’ dient te worden om zijn functie uit te voeren niet realistisch.4 Is het niet aannemelijker dat degenen die promotie maken tot de hoogste regionen intrinsiek gedreven zijn, waardoor een extra monetaire vergoeding bovenop een goed salaris niet noodzakelijk is?5 Kan in een dergelijk geval het gebruiken van prestatiebeloning niet gelijk worden gesteld met het aan een hond voorhouden van een bot om hem uit het huis te krijgen terwijl de hond staat te springen om naar buiten te gaan?6
De zinsnede van Adam Smith dat wij het brood niet ontvangen vanwege de goedheid van de bakker, maar vanwege zijn eigen belang in het verkopen van het brood dient als één van de fundamenten waarop de gedachte rust, dat een ieder slechts geïnteresseerd is in zijn eigen belang. Minder bekend is dat dezelfde Adam Smith juist expliciet onderkent dat de mens niet alleen zijn eigen belang nastreeft, maar tevens iets als deugdzaamheid. In zijn Wealth of Nations schrijft Smith:
“Man naturally desires, not only to be loved, but to be lovely; or to be that thing which is the natural and proper object of love. He naturally dreads, not only to be hated but to be hateful; or to be that thing which is the natural and proper object of hatred. He desires, not only praise, but praiseworthiness; or to be that thing which, though it should be praised by nobody, is however the natural and proper object of praise. He dreads, not only blame, but blameworthiness; or to be that thing which, though it should be blamed by nobody, is the natural and proper object of blame.”7
Brennan wijst erop dat het voor de hand ligt dat “self-actualization, honour, reputation, and job-satisfaction” meer van belang worden naar mate iemand klimt binnen de ondernemingshiërarchie. Allereerst omdat voor de meeste mensen de economische prikkels afnemen naarmate hun rijkdom toeneemt. Belangrijker is wellicht, dat hoe hoger iemand op de ladder staat des te groter zijn verantwoordelijkheid voor anderen is en des te meer iemands gedrag door deze verantwoordelijkheid wordt beïnvloed. Het is niet zozeer dat een bestuurder geen interesse heeft in economische prikkels, alleen meer dat het niet voor de hand ligt dat economische prikkels de belangrijkste drijfveer van een bestuurder zijn.8
Of, zoals Adam Smith het verwoordt: “When the happiness or misery of others depends in any respect upon our conduct, we dare not, as self-love might suggest to us, prefer the interest of one to that of many…The man within immediately calls to us…that, by doing so, we render ourselves the proper object of the contempt and indignation of our brethren. Neither is this sentiment confirmed to men of extraordinary magnanimity and virtue.”9
De pay-for-performancebenadering voor het gebruiken van prestatiebeloning, als noodzakelijke prikkel voor gedegen management, is dus zonder fundament. Desondanks heeft deze benadering nog steeds een enorme aantrekkingskracht. De gedachte dat het vooruitzicht op een bonus mensen kan motiveren om harder en/of beter te gaan werken is diepgeworteld in onze samenleving. Wie gaat er immers niet beter zijn best doen als daar iets (extra) tegenover staat? Om iemand ervan te overtuigen harder te gaan werken, passen wij verschillende vormen van prestatiebeloning – bewust en onbewust – van jongs af aan al toe (als jij je bord leeg eet, krijg je van ons een toetje). De positieve werking van financiële prikkels wordt dan ook in brede kring aanvaard. De aanname dat de mens louter geïnteresseerd is in geld is wellicht overdreven, maar dat wil niet zeggen dat variabele beloning niet een handig middel is om prestaties te verbeteren. Het bekritiseren van de prestatiebevorderende werking van financiële prikkels komt dan ook in de buurt van het beweren dat de aarde plat is.10
Opmerkelijk is dat, in tegenstelling tot de algemeen aanvaarde verwachting dat financiële prikkels prestaties verbeteren, overtuigend empirisch bewijs ontbreekt om deze intuïtie te staven. Sterker nog, hoewel een handjevol onderzoeken de positieve werking van variabele beloning bevestigen, blijkt uit het overgrote deel van de empirische onderzoeken dat financiële prikkels geen of zelfs een negatief effect hebben op prestaties.11 Prominente wetenschappers, waaronder de belangrijkste voorstanders van pay-for-performance, hebben op basis van deze onderzoeken dan ook moeten constateren dat er geen empirisch aantoonbare relatie is tussen het gebruik van financiële prikkels en verbeterde prestaties.12
Kevin Murphy, één van de belangrijkste voorstanders van prestatiebeloning, schrijft zelfs:
“Unfortunately, although there is a plethora of evidence on dysfunctional consequences of poorly designed pay programs, there is surprisingly little direct evidence that higher performance sensitivities lead to higher stock-price performance.”13
Het gebrek aan empirisch bewijs ten gunste van de pay-for-performancebenadering wordt gepareerd door te stellen dat het om uiteenlopende redenen simpelweg niet mogelijk is om vast te stellen of pay-for-performance werkt.14 Op iedere methodische benadering om de relatie tussen prestatiebeloning en succes van de onderneming te meten, valt wel iets af te dingen en toegegeven moet worden dat, vanwege de verscheidene factoren die een invloed hebben op het succes van de onderneming, het niet gemakkelijk is tot een sluitend empirisch onderzoek te komen. Als pay-for-performance echter daadwerkelijk zo krachtig is als velen beweren, dan zou de toegevoegde waarde van prestatiebeloning meer zichtbaar moeten zijn dan nu het geval is. Het ontbreken van een overtuigend empirisch fundament voor de positieve relatie tussen financiële prikkels en verbeterde prestatie maakt de zaak voor prestatiebeloning op zijn minst zwak. De resultaten uit empirisch onderzoek wijzen zelfs in de richting van een negatieve correlatie tussen prestatiebeloning en ondernemingssucces.
Deze laatste resultaten staan niet op zichzelf. Er zijn talloze praktijkvoorbeelden bekend waarbij prestatiebeloning ontegenzeggelijk heeft geleid tot verminderde prestaties en in sommige gevallen tot manipulatie en fraude. Er wordt over het algemeen zelfs aangenomen dat perverse financiële prikkels een belangrijk aandeel hebben gehad bij het ontstaan van de huidige financiële crisis. Ter verdediging van de pay-for-performancebenadering kan naar voren worden gebracht dat het feit dat prestatiebeloning tot negatieve prestaties kan leiden niets zegt over de werking van prestatiebeloning, maar slechts over de toepassing ervan in de praktijk. Het falen van pay-for-performance is het gevolg van het gebruiken van perverse prikkels en verkeerde prestatiemaatstaven. Indien prestatiebeloning op de juiste manier wordt toegepast, dan zullen de prestaties wel degelijk verbeteren. Tegen dit argument kan weer worden ingebracht dat daarmee voorbij wordt gegaan aan de innerlijke zwakheden van de pay-for-performancebenadering en de afwezigheid van een juiste prestatiemaatstaf waardoor het gebruik van imperfecte prestatiemaatstaven onvermijdelijk is.
Als we de balans opmaken dan blijft, zonder overtuigend empirisch bewijs voor de positieve werking van financiële prikkels, slechts een sterke intuïtieve voorkeur voor het bezoldigen op basis van prestatie over. Is het gerechtvaardigd om de top van de meest invloedrijke ondernemingen ter wereld te onderwerpen aan een systeem dat niet rust op empirische resultaten maar slechts op onze intuïtie? En kunnen we in dit geval wel vertrouwen op onze intuïtie? De talloze praktijkvoorbeelden van de (mogelijke) destructieve werking van prestatiebeloning geven op zijn minst aanleiding om onze intuïtieve houding jegens financiële prikkels aan een gedegen onderzoek te onderwerpen. De vraag is daarbij wellicht niet zozeer of financiële prikkels werken, maar hoe ze werken.
“It seems that bigots were eager to rid their town of a Jewish man who had opened a tailor shop on Main Street, so they sent a group of rowdies to harass the tailor. Each day, the ruffians would show up to jeer. The situation was grim, but, the tailor was ingenious. One day, when the hoodlums arrived, he gave each of them a dime for their efforts. Delighted, they shouted their insults and moved on. The next day they returned to shout, expecting their dime. But the tailor said he could only afford a nickel and proceeded to hand a nickel to each of them. Well, they were a bit disappointed, but a nickel after all is a nickel, so they took it, did their jeering, and left. The next day, they returned once again and the tailor said he had only a penny for them and held out his hand. Indignant, the young toughs sneered and proclaimed that they would certainly not spend their time jeering at him for a measly penny. So they didn’t. And all was well for the tailor.”15