NJB 2021/3192:Schadevergoeding voor slachtoffer en gijzeling: is een jaar 360 of 365 dagen bij gijzeling, art. 36f lid 5 laatste volzin Sr? A-G: Met ingang van 1 januari 2020 kende art. 88 Sr een definitie van een jaar, namelijk een tijd van twaalf maanden. De bedoeling was ook in het Wetboek van Strafvordering met ingang van de genoemde datum die definitie te volgen, maar dat is niet gerealiseerd. Omdat het niet wenselijk is dat een jaar in het Wetboek van Strafrecht een andere duur heeft dan in het Wetboek van Strafvordering is met een Spoedreparatiewet met ingang van 25 juli 2020 de wijziging van art. 88 Sr weer (tijdelijk) teruggedraaid. Het arrest in casu is tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020 gewezen, dus in de periode dat art. 88 Sr wel een definitie van een jaar gaf, te weten 12 maanden van elk 30 dagen. De maximumduur van de gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel was en is in casu gesteld op één jaar. Ten tijde van het wijzen van het arrest was de duur van een jaar 12 maanden en daarmee 360 dagen. Hoge Raad: als de duur van de toe te passen gijzeling meer dan 360 dagen bedraagt, moet deze duur worden bepaald op een jaar en moet in dit verband onder een jaar 360 dagen worden verstaan.