Rb. Noord-Holland, 29-01-2026, nr. AWB - 24 , 8206
ECLI:NL:RBNHO:2026:2356
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
29-01-2026
- Zaaknummer
AWB - 24 _ 8206
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2026:2356, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 29‑01‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026110310
NLF 2026/2354
Uitspraak 29‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Belastingrente. Aan belanghebbende is een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd en daarbij is belastingrente in rekening gebracht. In geschil is de periode waarover de belastingrente moet worden berekend en het daarbij te hanteren rentepercentage. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur erkend dat hij met het opleggen van de aanslag te weinig voortvarend heeft gehandeld en daarom heeft hij een deel van de periode waarover de belastingrente wordt berekend buiten beschouwing gelaten. De rechtbank oordeelt dat, als het gaat over het (on)voldoende voortvarend handelen, de inspecteur de belastingrente reeds voldoende heeft verminderd. Aangaande het te hanteren rentepercentage is de rechtbank van oordeel dat het gehanteerde percentage van 8% te hoog is en, ingevolge het arrest ECLI:NL:HR:2026:59, moet worden verminderd tot 4%. Beroep gegrond.
Partij(en)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8206
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
en
de inspecteur van de Belastingdienst,, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 90.955 en daarbij bij beschikking € 646 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd en de belastingrente verminderd tot € 414.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025 te Haarlem. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaken betreffende de aan eiseres over de jaren 2016 tot en met 2018 opgelegde aanslagen Vpb (zaaknummers HAA 25/1415, HAA 25/1416 en HAA 25/1417).
Namens eiseres is [naam 1] verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot,
[naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .
De beroepen in de zaken HAA 25/1415, HAA 25/1416 en HAA 25/1417 zijn ter zitting ingetrokken (zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 7 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14199). Eiseres heeft na de zitting nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Overwegingen
Feiten
1. Voor het jaar 2020 heeft eiseres een belastbaar bedrag aangegeven van € 65.979, namelijk een belastbare winst van € 90.955, verminderd met € 24.976 verrekenbare verliezen.
2. Per brief van 21 juli 2023 heeft verweerder eiseres laten weten dat zijns inziens de aftrek van het verlies niet terecht is en de aanslag zal worden opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 90.955.
3. Met dagtekening 5 augustus 2023 heeft verweerder aan eiseres de aanslag opgelegd en daarbij de rentebeschikking gegeven. Het aanslagbiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 4.768, namelijk de bruto belasting van € 15.007, verminderd met € 10.885 aan verrekende voorlopige aanslagen en vermeerderd met € 646 belastingrente.
4. Per brief van 7 augustus 2023 heeft eiseres tegen de rentebeschikking bezwaar gemaakt. Per brief van 10 november 2023 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij voornemens is het bezwaar ongegrond te verklaren. Per brief van 3 oktober 2024 heeft verweerder dit standpunt herzien en aan eiseres meegedeeld dat de belastingrente zal worden verminderd tot € 414. Op 19 oktober 2024 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar gedaan en de belastingrente verminderd tot € 414. Het biljet waarmee de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt vermeldt een teruggaaf van € 232 (€ 646 -/- € 414).
5. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Het digitaal ingediende beroepschrift is niet gedagtekend en is op 28 november 2024 bij de rechtbank ontvangen.
Geschil6. In geschil is of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht.
7. Het beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de gronden die eiseres heeft aangevoerd bij haar bezwaar ook de gronden van haar beroep zijn. Eiseres heeft aangevoerd dat niet duidelijk is welk rentepercentage is gehanteerd. Verder stelt eiseres dat verweerder op 23 mei 2022 per e-mailbericht had toegezegd de aangiften over 2019 en 2020 met spoed te zullen afwikkelen, maar dat dit pas in juli 2023 is gebeurd.
8. Verweerder heeft gewezen op de wettelijke bepalingen inzake het in rekening brengen van belastingrente. Volgens verweerder dient de belastingrente te worden berekend over een belastingbedrag van € 4.122. Dit is de belasting die is geheven voor zover is afgeweken van de aangifte, namelijk de ten onrechte in aftrek gebrachte verliezen. De periode waarover de belastingrente moet worden berekend loopt van 1 juli 2021 tot 16 september 2023. Van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 gold een rentepercentage van 4% en van 1 januari 2022 tot en met 16 september 2023 gold een rentepercentage van 8%. De belastingrente bedroeg daarom € 646 (180/360 x 4% x € 4.122 + 616/360 x 8% x
€ 4.122).
9. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de belastingrente gematigd. De aanslag voor 2021 is opgelegd op 22 november 2022. Het had dan op de weg van de aanslagregelend inspecteur gelegen om de aangiften over 2019 en 2020 gelijktijdig met de aangifte over 2021 in behandeling te nemen. Zou de aanslag voor 2020 evenals die voor 2021 zijn gedagtekend 22 november 2022, dan zou die op 4 januari 2023 invorderbaar zijn geweest. Verweerder heeft daarom besloten de belastingrente te herrekenen over de periode 1 juli 2021 tot en met 3 januari 2023. Verweerder heeft de belastingrente daarom verminderd tot € 414 (180/360 x 4% x € 4.122 + 363/360 x 8% x € 4.122).
Beoordeling van het geschil
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente conform de daartoe geldende wettelijke bepalingen in rekening is gebracht. Voor zover de beroepsgronden van eiseres betrekking hebben op de periode waarover de belastingrente moet worden berekend, waarvan een deel volgens eiseres buiten beschouwing moet worden gelaten wegens onvoldoende voortvarend handelen van verweerder, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft erkend dat hij bij het afhandelen van de aangiften over 2019 en 2020 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en die aangiften tegelijk hadden kunnen worden afgedaan met de aangifte over 2021. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de renteperiode daarom beperkt tot de dag waarop de aanslag voor 2020 invorderbaar zou zijn als die na voldoende voortvarend handelen zou zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarmee voldoende aan de grieven van eiseres tegemoet gekomen. Er is geen reden om op dit punt in beroep verder aan eiseres tegemoet te komen. Feiten en omstandigheden die tot een verdere verkorting van de renteperiode zouden moeten leiden zijn gesteld noch gebleken.
11. Voor zover de beroepsgronden van eiseres moeten worden opgevat als gericht tegen de gehanteerde rentepercentages overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat het percentage van belastingrente wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur en dat het voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld. Daaraan is uitvoering gegeven in het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi). In artikel 1, onderdeel b, van het Bbi is bepaald dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting gelijk is aan de wettelijke rente voor handelstransacties, maar tenminste 8% is.
12. Het beroep slaagt voor zover het is gericht tegen het door verweerder gehanteerde belastingrentepercentage van 8%. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de belastingrente worden berekend naar een percentage van 4%. Hiervan uitgaande bedraagt de aan eiseres in rekening te brengen belastingrente € 248 (180/360 x 4% x € 4.122 + 363/360 x 4% x € 4.122) in plaats van € 414.
13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. In de zaken HAA 25/1415, HAA 25/1416 en HAA 25/1417, is aan eiseres bij wijze van compromis reeds een ruimschootse proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 20.000. In de na de zitting door eiseres ingebrachte stukken betreffende reis- en verblijfskosten/parkeerkosten ten bedrage van € 66,40, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een additionele proceskostenvergoeding. Daargelaten of parkeerkosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen moeten de door eiseres genoemde kosten worden geacht te zijn begrepen in de reeds toegekende proceskostenvergoeding. Wel zal het door eiseres in deze zaak HAA 24/8206 betaalde griffierecht van € 371 aan haar worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de beschikking belastingrente;
- vermindert de beschikking inzake belastingrente tot een bedrag van € 248;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door en mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. C. Huisman en
mr. C.M.J.C. Bakker, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).