FED 2026/53
Het gehele brutobedrag aan pensioen- en lijfrente-uitkeringen dient voor de bepaling van het al dan niet overschrijden van drempelbedrag (art. 18, paragraaf 2, Verdrag Nederland-België 2001) in aanmerking te worden genomen.
HR 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:395, m.nt. prof. dr. M.J.G.A.M. Weerepas
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 maart 2026
- Magistraten
Mrs. Van Eijsden, Feteris, Boerlage, Van der Voort Maarschalk, Peters
- Zaaknummer
23/01000
- Noot
prof. dr. M.J.G.A.M. Weerepas
- JCDI
JCDI:BSD105747:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:395, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2023:1210, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
- Wetingang
Art. 18 paragraaf 2 Verdrag Nederland-België 2001; art. 30df, 30ha AWR
Essentie
Het gehele brutobedrag aan pensioen- en lijfrente-uitkeringen dient voor de bepaling van het al dan niet overschrijden van drempelbedrag (art. 18, paragraaf 2, Verdrag Nederland-België 2001) in aanmerking te worden genomen.
Samenvatting
Een in België wonende belanghebbende geniet in de jaren 2014 t/m 2017 een pensioenuitkering uit Nederland van ruim € 29.000 per jaar en een lijfrente-uitkering van een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij. De verzekeringsmaatschappij houdt loonbelasting in. Beide uitkeringen kennen een gefacilieerde opbouw. In België is over 57/280e deel van het pensioen personenbelasting geheven tegen het reguliere progressieve tarief; 223/280e ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.