Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.1.2
2.3.1.2 Feiten
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Nijboer 1982, p. 6.
In het civiele recht kan de rechter een bewering als feit aannemen op het moment dat geen van de partijen de inhoud daarvan betwist.
Roberts & Zuckerman 2010, p. 131 en 132.
Een gangbare omschrijving in de filosofie van het begrip feit is ‘an obtaining state of affairs expressed by a true proposition’, een stand van zaken tot uitdrukking gebracht in een ware propositie (Bex 2009, p. 12).
Nijboer 1982, p. 13.
Nijboer 1982, p. 14.
Overigens valt er vanuit dogmatisch perspectief over het begrip feit nog veel meer te zeggen, bijvoorbeeld in relatie tot het ne bis in idem-beginsel dat voorschrijft dat niemand twee keer vervolgd kan worden voor hetzelfde feit, maar dat valt buiten het bestek van dit onderzoek.
Vgl. Bex 2009, p. 12.
Dit geschiedt in Nederland tevens binnen de grenzen van de wettelijke tenlastelegging. Zie § 7.3.
De Jong 2008, p. 214.
Van Koppen & De Keijser 2010, p. 864.
Zie uitvoerig De Bock 2011, p. 7 e.v.
Bij de activiteit van bewijzen gaat het om het afleiden van de juistheid of geldigheid van de stelling uit de onderzoeksresultaten. De omstandigheden, gebeurtenissen of gedragingen zoals die uit de onderzoeksresultaten naar voren komen, worden ook wel aangeduid als ‘de feiten’. De rechter moet deze feiten dan wel als zodanig benoemen en ‘vaststellen’. De feiten zoals die door de rechter worden vastgesteld, fungeren als het ware als premissen op basis waarvan de bewijsbeslissing wordt genomen. Echter, anders dan in bijvoorbeeld de formele logica of wiskunde liggen die premissen niet vast. De ‘feiten’ of premissen waarop de rechter zich baseert, zijn zelf ook weer voorwerp van onderzoek.1 Een simpel voorbeeld ter illustratie: de rechter baseert zijn beslissing dat de verdachte zijn vrouw met een vuurwapen om het leven heeft gebracht, onder meer op het aantreffen van diens vingerafdrukken op het moordwapen en de verklaring van een ooggetuige die heeft gezien dat hij de trekker overhaalde. Aan de vaststelling dat de vingerafdrukken van de verdachte op het moordwapen zijn aangetroffen gaat onderzoek vooraf aan de hand waarvan moet worden vastgesteld dat het inderdaad de vingerafdrukken van de verdachte zijn en dat het gevonden wapen het moordwapen betreft. Dat geldt ook voor de vaststelling dat de getuige heeft gezien dat verdachte de trekker overhaalde. Gekeken dient te worden of de getuige goed zicht had en geen motieven had om te liegen en in hoeverre op basis daarvan kan worden aangenomen dat diens verklaring overeenstemt met de werkelijkheid. Met andere woorden, de feiten liggen niet vast, maar moeten ook weer aan de hand van een redeneerproces en daaraan voorafgaand onderzoek worden vastgesteld.2 De aanduiding ‘feit’ is overigens in dat verband enigszins misleidend, omdat de ‘vaststelling’ daarvan nooit volstrekt dwingend is. Het omschreven proces wordt ook wel aangeduid als verankeren. De zogenaamde theorie van ‘verhaal en verankering’ wordt in § 2.4.2 besproken.
Voorts wordt het begrip feit in het strafproces wel gebruikt als aanduiding voor de gebeurtenis waarop de strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden gevestigd of anders gezegd: de gedraging waarvan de verdachte is beschuldigd en waarvan de rechter heeft bewezen dat die zich in werkelijkheid ook heeft voorgedaan (in voornoemd voorbeeld: dat de verdachte zijn vrouw om het leven heeft gebracht). Het meervoud wordt gebruikt als zich (mogelijk) meerdere strafbare gedragingen hebben voorgedaan. In de Anglo-Amerikaanse doctrine wordt het voorgaande uitgewerkt in een onderscheiding tussen constitutive (ook wel aangeduid als: material facts of facts at issue) en evidential facts. Bij de constitutive facts gaat het om de feiten waaraan het recht een juridische consequentie verbindt, terwijl het bij evidential facts gaat om de feitelijke vaststellingen die daaraan voorafgaan. Roberts en Zuckerman formuleren het als volgt: ‘An evidential fact is one which on being ascertained, affords some logical basis – not conclusive – for inferring some other facts.’ Zij stellen verder: ‘Evidential facts warrant further inference whereas constitutive facts are legal significant conclusions bringing a chain of inference to an end, so far as the facts concerned.’3
Behalve dat de feiten kunnen worden opgevat als uit de onderzoeksresultaten af te leiden omstandigheden, gedragingen of gebeurtenissen die als vaststaand kunnen worden aangemerkt, dus uitspraken over de werkelijkheid, kan het begrip ‘feit’ ook worden opgevat als aanduiding van een onderdeel van die werkelijkheid.4 Nijboer spreekt in dit verband over feiten als ‘stukjes’ of ‘samenstellende delen’ van de ‘(buitentalige) objectieve werkelijkheid’.5 Zo bezien fungeren de feiten als bron van en als toetssteen voor de juistheid van de uitspraken die wij doen over de werkelijkheid.6 Hoewel kan worden aangenomen dat de werkelijkheid niet in volle omvang valt te kennen, is het streven in het strafproces dat de rechter zich in zijn bewijsbeslissing baseert op de ‘echte’ feiten of ware toedracht. Op het moment dat achteraf blijkt dat een veroordeling berust op een onjuiste voorstelling van zaken omdat in werkelijkheid een ander dan de veroordeelde de strafbare gedraging heeft begaan, dan zal dat aanleiding vormen om de eerder gedane uitspraak te herzien.7 Tot slot wordt het begrip feit ook gebruikt ter aanduiding van omstandigheden die opheldering behoeven (‘de politie doet onderzoek naar de feiten’) of van de beweringen waarvan nog niet duidelijk is of zij waar zijn, maar die wel aan de rechter voorliggen. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer gesproken wordt van ‘de feiten die moeten worden bewezen’ of ‘de tenlastegelegde feiten’.8
Dan nog een laatste opmerking over het vaststellen van de feiten en de relatie tot het (materiële) recht. Het vaststellen van de feiten en het toepassen van het recht worden veelal gezien als twee gescheiden activiteiten. Dit komt bijvoorbeeld in Anglo-Amerikaanse stelsels tot uitdrukking in het feit dat de jury beslist over ‘questions of fact’ en de rechter over ‘questions of law’. Analytisch bezien kan bij het rechterlijk beslisproces onderscheid worden gemaakt tussen de vaststelling van de feiten en het toepassen van het recht op basis van de vastgestelde feiten. In de praktijk lopen deze twee activiteiten echter door elkaar heen. Een scherpe scheiding tussen feit en recht valt niet te maken. De feitenvaststelling vindt plaats met het oog op de toepasselijke rechtsregels9 en wordt daarmee gekleurd door het juridisch begrippenkader. Of zoals De Jong het formuleert: ‘De feiten waarop het strafrecht pretendeert zijn beslissingen te funderen, zijn geenszins ongerepte, onmiddellijk uit de empirische werkelijkheid gelichte gegevens: zij zijn al bij voorbaat door het interpretatieve raster van de in aanmerking komende strafrechtelijke normen gehaald.’10 De sterke verwevenheid van feiten en toepasselijke normen is kenmerkend voor juridische beslissingen.11 Er is een voortdurende wisselwerking tussen beide: de feiten worden geselecteerd met het oog op de bestanddelen in de toepasselijke delictsomschrijving en het recht wordt op zijn beurt gevormd door de feiten.12