Zie het arrest van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 september 2010, onder 3, in verbinding met het vonnis van de rb. Utrecht van 4 maart 2009, rov. 2.1–2.4.
HR, 13-04-2012, nr. 11/00961
ECLI:NL:HR:2012:BV9600
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-04-2012
- Zaaknummer
11/00961
- Conclusie
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BV9600
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV9600, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9600
ECLI:NL:PHR:2012:BV9600, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑03‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9600
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑12‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2012
13 april 2012
Eerste Kamer
11/00961
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 235838/HA ZA 07-1618 van de rechtbank Utrecht van 28 november 2007 en 4 maart 2009;
b. het arrest in de zaak 200.032.283 van het gerechtshof te Amsterdam van 21 september 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 april 2012.
Conclusie 09‑03‑2012
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Deze zaak betreft een geschil dat is gerezen naar aanleiding van een gelegd executoriaal derdenbeslag. Het hof heeft toepassing gegeven aan art. 479a Rv.
1. Feiten1. en procesverloop2.
1.1
Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2005 is de ex-echtgenoot van thans verweerster in cassatie, [verweerster], [betrokkene 1], uit hoofde van verrekening op grond van de tussen [betrokkene 1] en [verweerster] geldende huwelijkse voorwaarden veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 814.111,-.
1.2
Uit hoofde van de onder 1.1 genoemde beschikking zijn op verzoek van [verweerster] ten laste van [betrokkene 1] de volgende executoriale (derden)beslagen gelegd:
- —
op 22 mei 2007 onder Italdeli B.V., (hierna: Italdeli);
- —
op 22 mei 2007 op de aandelen van [betrokkene 1] in thans eiseres tot cassatie, [eiseres];
- —
op 25 mei 2007 onder [eiseres]; en
- —
op 25 mei 2007 onder [A] B.V., (hierna: [A]).
Italdeli, [eiseres] en [A] zullen hieronder gezamenlijk worden aangeduid als: [eiseres] c.s.
1.3
Op 19 juni 2007 heeft Italdeli en op 4 juli 2007 hebben [eiseres] en [A] een verklaring afgelegd als bedoeld in art. 475 lid 2 Rv. Zij hebben alle verklaard dat er tussen hen en [betrokkene 1] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [betrokkene 1] op het tijdstip van het beslag nog iets van hen had te vorderen, ten tijde van de verklaring te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.
1.4
Bij vonnis in kort geding van 20 juli 2007 is op vordering van [eiseres] en [betrokkene 1] het door [verweerster] op 22 mei 2007 gelegde executoriaal beslag op de aandelen in [eiseres] opgeheven.
1.5
Bij inleidende dagvaarding van 20 augustus 2007 heeft [verweerster] [eiseres] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Utrecht. Na wijziging van eis bij akte van 26 maart 2008 heeft zij, samengevat3., gevorderd, dat de rechtbank:
- —
primair [eiseres] en [A] hoofdelijk veroordeelt om aan haar een bedrag van € 814.111,- te betalen, onverminderd hun verplichting tot vergoeding van de schade (waaronder begrepen de door hen nodeloos veroorzaakte kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2007;
- —
de door Italdeli afgelegde verklaring vaststelt als gerechtelijke verklaring, dan wel Italdeli veroordeelt om een gerechtelijke verklaring af te leggen en haar veroordeelt om aan [verweerster] te voldoen hetgeen zij volgens de vaststelling door de rechtbank aan [verweerster] dient af te dragen en deze vaststelling te baseren op een redelijke vergoeding van € 15.000,- per maand, dan wel op een ander door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag;
- —
subsidiair, te weten voor het geval door hen alsnog een gerechtelijke verklaring wordt afgelegd, [eiseres] en [A] hoofdelijk te veroordelen tot hetgeen [verweerster] ten aanzien van Italdeli heeft gevorderd.
1.6
[Eiseres] c.s. hebben bij conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering in de hoofdzaak gemotiveerd verweer gevoerd en, elk voor zich, gevorderd dat [verweerster] op de voet van art. 477a lid 2 Rv. wordt bevolen voor een bedrag van € 3.000,- zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin zij kan worden veroordeeld4..
1.7
Nadat [verweerster] had geantwoord in het incident heeft de rechtbank bij vonnis van 28 november 2007 in het incident het gevorderde afgewezen met veroordeling van [eiseres] c.s. in de kosten van het incident en in de hoofdzaak een comparitie van partijen bevolen.
1.8
Na de op 21 februari 2008 gehouden comparitie van partijen en verdere aktewisseling heeft de rechtbank bij vonnis van 4 maart 2009 de vorderingen van [verweerster] jegens Italdeli en [A] afgewezen en de kosten van de procedure tussen hen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De rechtbank heeft daarnaast, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] een bedrag van € 315.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de dag van uitspraak van het vonnis, en voorts [eiseres] veroordeeld om vanaf 25 februari 2007 aan [verweerster] een bedrag van € 15.000,- per maand te betalen tot aan de dag waarop het bedrag is bereikt waarvoor beslag is gelegd, vermeerderd met de wettelijke rente over deze periodieke betalingen indien [eiseres] met betaling hiervan in verzuim is, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
1.9
[Eiseres] is van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Zij heeft daarbij — verkort weergegeven — gevorderd dat het hof de vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerster] alsnog zal veroordelen tot het binnen een door het hof te bepalen termijn stellen van zekerheid voor de proceskosten en [verweerster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans die vordering zal afwijzen met veroordeling van [verweerster] in de kosten van beide procedures voor zover aan de zijde van [eiseres] gevallen.
1.10
[Verweerster] heeft de grieven bestreden, waarna [betrokkene 1] (op 10 november 2009) een akte uitlating heeft genomen en daarbij drie producties in het geding heeft gebracht.
Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof op 19 april 2010 doen bepleiten.
1.11
Het hof heeft [eiseres] bij arrest van 21 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van 28 november 2007.
Het hof heeft verder het vonnis van 4 maart 2009, voor zover tussen [verweerster] en [eiseres] gewezen, vernietigd, behoudens de uitgesproken proceskostenveroordeling, en voor het overige, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 351.000,-, waarvan een bedrag van € 315.000,- is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2009, en het restant van € 36.000,- is te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van het arrest.
Het hof heeft voorts [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] met ingang van 25 augustus 2010 een bedrag te betalen van € 9.000,- netto per maand, tot aan de dag dat met de betalingen van dit bedrag en van deze maandelijkse bedragen het bedrag waarvoor beslag is gelegd is bereikt, telkens vermeerderd met de wettelijke rente over de maandelijkse bedragen indien [eiseres] met betaling daarvan in verzuim is.
Het hof heeft tot slot de kosten van het hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij haar eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1.12
[Eiseres] heeft tegen dit arrest — tijdig5. — beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
[Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1
Het cassatieberoep bevat zeven middelen.
Middel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.1, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
‘Grief 1 komt op tegen de in het vonnis van 28 november 2007 opgenomen afwijzing van de door [eiseres] (…) op grondslag van artikel 477a lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (…) gevorderde zekerheidstelling. Dat vonnis is voor het door deze grief bestreden gedeelte echter een eindvonnis, waartegen binnen drie maanden na de uitspraak hoger beroep had moeten worden ingesteld, zodat het thans ingestelde beroep te laat is. Nu tegen het vonnis van 28 november 2007 verder geen grieven zijn aangevoerd, zal [eiseres] in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.’
2.2
Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat het vonnis van 28 november 2007 een provisioneel eindvonnis is waarvan hoger beroep niet alleen binnen drie maanden na het wijzen ervan, maar op de voet van art. 377 Rv. ook tegelijk met dat van het eindvonnis kon worden ingesteld.
2.3
Het middel faalt bij gebrek aan belang.
[Eiseres] c.s. hebben in eerste aanleg een zekerheidstelling gevorderd voor wat betreft de te verwachten door [verweerster] te betalen proceskosten in die procedure6.. Zoals hiervoor bij het procesverloop vermeld, heeft de rechtbank de proceskosten ten aanzien van enerzijds [verweerster] en Italdeli en [A] anderzijds gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en heeft de rechtbank de vordering tegen [eiseres] toegewezen en [eiseres] in de proceskosten veroordeeld. Van een kostenveroordeling van [verweerster] jegens [eiseres] is dan ook geen sprake. Hetzelfde geldt voor de procedure in hoger beroep, nu het hof de kosten van het hoger beroep in die zin heeft gecompenseerd dat partij [verweerster] en partij [eiseres] ieder haar eigen kosten draagt.
2.4
Zie ik het goed, dan zijn de middelen 2 en 3 gericht tegen rechtsoverweging 4.6, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
‘Bij de beoordeling ex artikel 479a Rv staat vast dat [betrokkene 1] (nog steeds) werkzaamheden of diensten voor [eiseres] verricht. Dat de aard en omvang van deze werkzaamheden ook thans nog zodanig zijn dat zij gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht, wordt door [eiseres] evenmin betwist en zij erkent ook uitdrukkelijk dat [betrokkene 1] voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de onderneming een beloning toekomt. Haar verweer luidt dat de vergoeding voor deze werkzaamheden sinds 2005 door ‘de aandeelhouders’, de kopers van de vennootschap, wordt betaald. De namen van deze aandeelhouders kunnen echter, met uitzondering van die van de vader van [betrokkene 1], wegens ‘strategische belangen’ niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven, aldus [eiseres]. Bij akte uitlating in hoger beroep heeft zij vervolgens aangevoerd dat blijkens een aangehechte arbeidsovereenkomst en ‘Zusatzvereinbarung’ met Combofol AG (volgens [eiseres] een aan één van de aandeelhouders gelieerde vennootschap, gevestigd te Sarnen, Zwitserland) de vennootschap is die [betrokkene 1] (sinds 1 november 2006) als Geschäftsführer ter beschikking stelt voor (onder andere) werkzaamheden in [eiseres], waarvoor zij [betrokkene 1] een redelijke vergoeding betaalt, die deel uitmaakt van het overeengekomen jaarsalaris van CHF 149.500,-. Het hof is echter met [verweerster] van oordeel dat uit de bedoelde producties in het geheel niet blijkt dat Combofol [betrokkene 1] werkzaamheden voor [eiseres] laat verrichten noch dat daarvoor daadwerkelijk enige vergoeding aan [betrokkene 1] is betaald. Nu [eiseres] ook overigens geen toereikende onderbouwing heeft gegeven aan haar stelling dat [betrokkene 1] door een ander dan [eiseres] voor zijn werkzaamheden ten behoeve van [eiseres] wordt betaald, gaat het hof aan die stelling voorbij. Daarmee staat vast dat [eiseres] een redelijke vergoeding ex artikel 479a Rv dient te betalen en resteert de vraag hoe hoog die vergoeding moet zijn.’
2.5
Art. 479a lid 1 Rv. bepaalt dat, ingeval een schuldeiser voor een vordering verhaal zoekt op een schuldenaar die om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor een derde verricht waarvan de aard en omvang zodanig zijn dat zij gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht, ten behoeve van die schuldeiser wordt aangenomen dat daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is. Volgens het tweede lid van art. 479a Rv. worden bij de beoordeling van de vraag of het in het in het eerste lid bedoelde geval zich voordoet en, zo ja, welke vergoeding als redelijk aangenomen moet worden, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden of diensten, de betrekkingen van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde en de financiële draagkracht van deze laatste7..
De opbouw van het bestreden arrest is dat rechtsoverweging 4.6 de beoordeling door het hof bevat van de vraag of het in het eerste lid van art. 497a Rv. bedoelde geval zich voordoet, en — de straks te bespreken — rechtsoverweging 4.8 (en 4.9) vervolgens de bepaling van de redelijke vergoeding.
2.6
Middel 2 klaagt dat het arrest niet naar behoren is gemotiveerd, omdat zonder toelichting, die ontbreekt, niet kan worden begrepen waarom [betrokkene 1], gelet op de inhoud van art. 6 van de arbeidsovereenkomst, naast zijn werk voor Combofol bij [eiseres] werkzaamheden zou kunnen verrichten waarvoor hij van [eiseres] een vergoeding zou moeten en mogen ontvangen.
2.7
Volgens het middel heeft [eiseres] (de derde-beslagene) van meet af aan verklaard dat [betrokkene 1] (de schuldenaar) ten tijde van de beslaglegging wel haar directeur was, maar op dat moment niet langer bij haar in dienst was en dat [betrokkene 1] door zijn nieuwe werkgever Combofol bij [eiseres] was gedetacheerd. Het middel wijst er vervolgens op dat [eiseres] in hoger beroep bij akte van 10 november 2009 een arbeidscontract tussen [betrokkene 1] en Combofol in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat:
- (i)
[betrokkene 1] op 1 november 2006 in dienst is getreden bij Combofol (art. 2);
- (ii)
de werkweek voor [betrokkene 1] 43 uur duurt (art. 7);
- (iii)
[betrokkene 1] van Combofol een salaris ontvangt van CHF 149.500 per jaar (art. 8 en de bijlage) en
- (iv)
[betrokkene 1] zonder schriftelijke toestemming geen betaalde nevenarbeid mag verrichten (art. 6).
2.8
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de hiervoor onder (ii) en (iv) betrokken stellingen in cassatie ontoelaatbare nova vormen. De juistheid van beide stellingen zou weliswaar kunnen worden afgeleid uit de artikelen waarnaar de stellingen verwijzen, maar in de akte van 10 november 2009 zijn die stellingen niet ingenomen. Ook een verwijzing naar de artikelen ontbreekt daarin.
2.9
Het hof heeft feitelijk en in zoverre in cassatie onbestreden geoordeeld dat uit de producties waarnaar in de akte wordt verwezen in het geheel niet blijkt dat Combofol [betrokkene 1] werkzaamheden voor [eiseres] laat verrichten noch dat daarvoor daadwerkelijk enige vergoeding aan [betrokkene 1] is betaald en voorts dat [eiseres] ook overigens geen toereikende onderbouwing heeft gegeven van haar stelling dat de vergoeding voor de werkzaamheden van [betrokkene 1] voor [eiseres] sinds 2005 door de kopers van de vennootschap wordt betaald. Om die redenen is het hof voorbijgegaan aan voormelde stelling van [eiseres].
Het hof heeft zijn oordeel aldus wel met redenen omkleed, zodat de klacht faalt.
2.10
Middel 3 bouwt voor een deel op middel 2 voort en klaagt dat het hof een aantal ‘wezenlijke weren’ die door [eiseres] als derde-beslagene zijn aangevoerd, heeft veronachtzaamd, dan wel ten onrechte althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
Het middel noemt in de eerste plaats het in middel 2 genoemde verweer inzake de detachering, waarbij [eiseres] de inlener is en Combofol de detacherende uitlener die aan [betrokkene 1] als schuldenaar salaris is verschuldigd. Volgens het middel heeft het hof dit verweer weliswaar onder ogen gezien en in rechtsoverweging 4.6 verworpen, maar kan deze verwerping geen stand houden. In de visie van het middel heeft het hof het voor mogelijk gehouden dat [betrokkene 1] ook nog voor [eiseres] werkt en heeft het deze mogelijkheid daarnaast voldoende geacht. Het middel acht deze gedachtegang ‘vooral onaanvaardbaar’, omdat het geen reden noemt om te ‘menen’ dat de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene 1] en Combofol van onwaarde zou zijn. In dat kader stelt het voorts dat na een werkweek van 43 uur niet veel tijd resteert ‘om ook nog eens € 110.000,- netto per jaar te verdienen’ en dat het hof niet aangeeft hoe dat wel mogelijk zou zijn.
2.11
De klacht faalt op de gronden als genoemd in 2.8 en 2.9. Daar komt bij dat de in de klacht betrokken stelling ‘dat na een werkweek van 43 uur niet veel tijd resteert om ook nog eens € 110.000,- netto per jaar te verdienen’ evenmin in de feitelijke instanties is aangevoerd. Het middel verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats.
2.12
Het middel klaagt verder dat het hof het door [eiseres] in de akte van 10 november 2009 onder 5 en 6 gevoerde verweer8. heeft veronachtzaamd dan wel op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen. Volgens het middel heeft [eiseres] daar het volgende aangevoerd:
- (i)
[betrokkene 1] was tot 1 november 2006 in dienst van [eiseres] en vanaf dat moment in dienst van Combofol;
- (ii)
het derdenbeslag onder [eiseres] is gelegd op 25 mei 2007; en
- (iii)
[eiseres] heeft haar activiteiten in februari 2008 beëindigd.
Het middel acht dit verweer wezenlijk omdat het met zich brengt dat [eiseres] vanaf 1 november 2006 terzake van de door [betrokkene 1] als gedetacheerde werknemer van Combofol verrichte werkzaamheden niets meer is verschuldigd aan [betrokkene 1] als schuldenaar van [verweerster].
Zou [eiseres] desondanks toch nog iets aan [betrokkene 1] verschuldigd zijn, dan zou deze verschuldigdheid volgens het middel vanaf februari 2008, de maand waarin de activiteiten zijn beëindigd, tot bijna nihil dalen.
2.13
Ik stel voorop dat de in 2.12 onder (ii) en (iii) genoemde stellingen niet zijn terug te vinden in punt 5 van de akte van 10 november 2009. Met betrekking tot de onder (iii) weergegeven stelling wijs ik erop dat in de akte wordt vermeld dat ‘de werkmaatschappij van [eiseres]’ in februari 2008 haar activiteiten heeft gestaakt. De verhouding tussen [eiseres], de werkmaatschappij en de overige vennootschappen wordt in de akte niet nader uiteengezet.
Ook overigens ontbeert het onder 2.12 beschreven betoog feitelijke grondslag in de akte.
De klacht faalt verder tevens op de grond dat het hof heeft geoordeeld dat uit de producties waarnaar in de akte wordt verwezen in het geheel niet blijkt dat Combofol [betrokkene 1] werkzaamheden voor [eiseres] heeft laten verrichten en ook niet dat daarvoor daadwerkelijk enige vergoeding aan [betrokkene 1] is betaald.
2.14
Middel 3 faalt derhalve in zijn geheel.
2.15
De middelen 4, 5 en 6 zijn gericht tegen rechtsoverweging 4.8, waarin het hof de vraag van het tweede lid van art. 479a Rv. heeft beoordeeld hoe hoog de vergoeding dient te zijn die [eiseres] is verschuldigd. De desbetreffende rechtsoverweging luidt als volgt:
‘Het hof constateert dat [eiseres] ook in hoger beroep meent te kunnen volstaan met uiterst summiere en vrijblijvende stellingen, kennelijk vanuit de opvatting dat de stelplicht en bewijslast op [verweerster] rusten. Dit standpunt miskent dat voorzover de normale regels van stelplicht en bewijslast al zouden gelden in het kader van de discretionaire bevoegdheid van artikel 479a Rv, op [eiseres] de verplichting rust haar betwistingen behoorlijk te onderbouwen, zeker waar het gaat om zaken als de inhoud en omvang van de werkzaamheden welke [eiseres] voor haar verricht. Mede gelet op de vrijblijvende en wisselende standpunten die [eiseres] in dit verband, steeds zonder deugdelijke onderbouwing, heeft betrokken, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van hetgeen [verweerster] steeds heeft gesteld, te weten: dat [betrokkene 1] via [eiseres] nog steeds leiding geeft aan een renderende onderneming van enige omvang. Omdat [betrokkene 1] thans, naar eigen zeggen, geen aandeelhouder van de onderneming meer is, kan voor het bepalen van de redelijke vergoeding niet worden aangeknoopt bij het in het verleden door [betrokkene 1] genoten salaris, nu dat was gebaseerd op het fiscaal minimaal aanvaardbare salaris voor de directeur/aandeelhouder. Redelijk acht het hof een volledig marktconforme beloning. Daarvan uitgaande is het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 15.000,- netto per maand (hetgeen volgens [eiseres] neerkomt op € 325.000,- bruto per jaar) wellicht te hoog, maar valt mede gelet op de door [eiseres] zijdelings aangestipte algemene referentiepunten (‘salaris hoger dan de Balkenendenorm’) en bij gebreke van iedere concrete aanwijzing die voor dit geval op een ander bedrag wijst, aan te nemen dat een jaarlijkse beloning van circa € 110.000,- netto redelijk is. Dit betekent dat het hof [eiseres] zal veroordelen tot maandelijkse betalingen aan [verweerster] van € 9.000,-. De stelling dat [eiseres] een dergelijke verplichting niet kan dragen moet worden verworpen. Nog daargelaten dat het onvoldoende gemotiveerd weersproken uitgangspunt dat [betrokkene 1] geacht wordt via de beheervennootschap [eiseres] ook de overige ondernemingen te leiden meebrengt dat niet uitsluitend naar de financiële toestand van die vennootschap moet worden gekeken, heeft [eiseres] nagelaten deze stelling behoorlijk te adstrueren. Het enige stuk dat zij in dit verband heeft geproduceerd is een financieel jaarverslag 2007 van onduidelijke status en herkomst, waarvan de inhoud vooral vragen oproept; zo heeft [eiseres] desgevraagd niet overtuigend kunnen uitleggen hoe in 2007 sprake kan zijn geweest van een negatieve omzet van 2.6 miljoen euro.’
2.16
Middel 4 is gericht tegen de slotzin waarin het hof heeft overwogen dat [eiseres] desgevraagd niet overtuigend heeft kunnen uitleggen hoe in 2007 sprake kan zijn geweest van een negatieve omzet van 2.6 miljoen euro. Volgens het middel is deze zin onvolledig met als gevolg dat het arrest niet deugdelijk is gemotiveerd. Het middel voert in dat verband aan dat mr. Brouwer, de advocaat van [eiseres] in de feitelijke instanties, ‘zich herinnert’ dat het hof tijdens het pleidooi de genoemde vraag heeft gesteld en dat [eiseres] het volgende antwoord heeft gegeven:
‘De derde-beslagene heeft een periode gekend waarin grote bedragen werden verdiend met speculeren op de beurs. Die verdiensten werden gevolgd door nog grotere verliezen, waarbij een grote schuld aan de bank ontstond. De derde-beslagene werd door haar bank gedwongen om deze schuld in te lossen. In dat kader werd een schuld ter grootte van 2.6 miljoen euro betaald, hetgeen als een negatieve omzet geboekt werd.’
2.17
De klacht faalt. Nog afgezien van het feit dat het middel niet verwijst naar een vindplaats in het (zich overigens niet bij de processtukken bevindende) proces-verbaal, zodat de juistheid van de herinnering van mr. Brouwer niet kan worden geverifieerd, is de slotzin ingebed in een aantal feitelijke oordelen omtrent het niet voldoen door [eiseres] aan de stelplicht, uitmondend in het oordeel dat er een financieel jaarverslag 2007 is overgelegd van onduidelijke status en herkomst die verschillende vragen oproept, waaronder die genoemd in de slotzin. Deze oordelen zijn voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
2.18
Zoals uit het in 2.15 geciteerde begin van rechtsoverweging 4.8 blijkt, is het hof zijn oordeel begonnen met de constatering dat [eiseres] in hoger beroep meent te kunnen volstaan met uiterst summiere en vrijblijvende stellingen.
Middel 5 klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk en kennelijk onjuist is in het licht van een aantal stellingen en omstandigheden waarvan het hof kennis droeg9. en dat het hof op basis van deze ‘onbegrijpelijk onjuistheden’ ten onrechte de grieven van [eiseres] heeft verworpen, niet is afgeweken van hetgeen [verweerster] heeft gesteld en een voor [eiseres] onbetaalbaar bedrag heeft vastgesteld dat zij op de voet van art. 497a Rv. dient te voldoen.
Het middel verwijst naar de volgende omstandigheden en stellingen:
- —
[eiseres] heeft steeds verklaard dat ‘de in art. 479a Rv. bedoelde schuldenaar die om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor de derde-beslagene verricht’, in dit geval niet bestaat10.;
- —
het hof wist dat [betrokkene 1]
- 1.
in 2003 zijn aandelen heeft moeten verkopen11.;
- 2.
tot 1 november 2006 bestuurder was van [eiseres]12. en dat hij vervolgens tot februari 2008 een gedetacheerde ‘Geschäftsführer’ bij haar was13.;
- 3.
vanaf februari 2008 ‘de beëindigde onderneming’ afwikkelde en daarna nog slechts de formaliteiten verrichtte die nodig waren14.;
- —
het hof wist dat [eiseres] van mening was dat het financieel niet zo goed ging met [betrokkene 1] en [eiseres], die ook nog rekening moest houden met de concurrentie15.;
- —
[eiseres] heeft duidelijk gemaakt dat aan het begin van het geding en nog tijdens de comparitie op 21 mei 2008 bij haar verwarring ontstond over de aard en omvang van het onder haar gelegde beslag16.;
- —
[eiseres] heeft steeds bewijs van genoemde stellingen aangeboden.
2.19
Het hof heeft feitelijk geoordeeld dat [eiseres] met betrekking tot de inhoud en omvang van de werkzaamheden die [betrokkene 1]17. voor haar verricht, vrijblijvende en wisselende standpunten heeft ingenomen en die steeds niet deugdelijk heeft onderbouwd. Mede gelet daarop heeft het hof vervolgens geen aanleiding gezien om af te wijken van de steeds door [verweerster] ingenomen stelling dat [betrokkene 1] via [eiseres] nog steeds leiding geeft aan een renderende onderneming van enige omvang. Ook dit oordeel, dat andermaal de stelplicht en de daaraan te stellen motivering betreft, is feitelijk en voldoende begrijpelijk gemotiveerd, waarbij voorts geldt dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen als een partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan en het hof niet gehouden is op alle verweren in te gaan.
2.20
De slotsom is dat middel 5 faalt.
2.21
Het hof heeft bij het vaststellen van een vergoeding geoordeeld dat het een volledig marktconforme beloning redelijk acht. Tegen dit oordeel wordt in cassatie geen klacht gericht. Naar het oordeel van het hof dient de marktconforme beloning vervolgens te worden vastgesteld op een bedrag van ongeveer € 110.000,- per jaar (€ 9.000,- per maand).
Tegen dat oordeel richt zich middel 6, dat klaagt dat de verwerping door het hof van de stelling van [eiseres] dat zij niet in staat is om een verplichting van € 9.000,- per maand te dragen onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen [eiseres] heeft verklaard over haar financiële draagkracht18..
2.22
Het middel faalt. Het hof heeft deze stelling onder ogen gezien, doch verworpen omdat [eiseres] de stelling niet voldoende heeft geadstrueerd. Dit oordeel is feitelijk en gezien de inhoud van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
2.23
Middel 7 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande middelen en dient het lot daarvan dan ook te delen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑03‑2012
Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het vonnis van de rb. Utrecht van 28 november 2007, onder 1, en het vonnis van 4 maart 2009, onder 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het arrest van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 september 2010, onder 2.
Zie het vonnis van de rb. Utrecht van 4 maart 2009, rov. 3.1.
Zie de cva onder 2.
De cassatiedagvaarding is op 21 december 2010 uitgebracht.
Zie de cva tevens houdende incidentele vordering van 17 oktober 2007, onder 2.
Zie over de strekking van de regeling HR 27 juni 1997, LJN ZC2403 (NJ 1997, 650) en voor een toepassing HR 3 mei 1996, LJN ZC2064 (NJ 1996, 654 m.nt. PAS).
Het middel benoemt dit verweer als ‘het verweer inzake het tijdsverloop’.
Cassatiedagvaarding, p. 9 onderaan en p. 10.
Het middel verwijst naar de cva onder 7, het proces-verbaal van de comparitie van 21 februari 2008 onder 4, de mvg onder 23 en de akte van 10 november 2009 onder 6.
Het middel verwijst naar de mvg onder 17.
Het middel verwijst naar de cva onder 7 en de akte van 10 november 2009 onder 6.
Het middel verwijst naar de akte van 10 november 2009 onder 6 en art. 1 van de daarbij overgelegde arbeidsovereenkomst.
Het middel verwijst naar de akte van 10 november 2009 onder 5.
Het middel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van 21 februari 2008 onder 4 en de pleitnota van mr. Brouwer ten behoeve van de zitting van 19 april 2010 onder 3.4 onder c en d.
Het middel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van 21 februari 2008 onder 2.
In het arrest staat: [eiseres]. Ik ervan uit dat dit een verschrijving is en dat het hof heeft bedoeld: [betrokkene 1].
Het middel verwijst naar de pleitnota van mr. Brouwer ten behoeve van de zitting van 19 april 2010, onder 3.4 onder c en d.
Beroepschrift 21‑12‑2010
Heden, de eenentwintigste december tweeduizend tien, ten verzoeke van de besloten vennootschap ‘[rekwirante] BEHEER B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Laan van Nieuw Oost Indië 120, ten kantore van de door haar gestelde advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr R.T.R.F. Carli,
[Heb ik, Bob Kruythof, gerechtsdeurwaarder te Utrecht, woonplaats hebbende te Utrecht aan de Julianalaan 4;]
AAN:
[gerekwireerde], wonende te [woonplaats], die in de vorige instantie woonplaats koos ten kantore van haar advocaat mr J.D. van Vlastuin, mitsdien, gezien art 63 Rv, aldaar aan de De Biltstaat 182 te Utrecht mijn exploit doende en afschrift dezes latende aan: [Mw. W. DEN HARTOG, ALDAAR WERKZAAM;]
AANGEZEGD:
dat mijn rekwirante hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest dat op 21 september 2010 gewezen werd door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem onder zaaknummer 200.032.283, tussen mijn rekwirante als appellante en de gerekwireerde als geïntimeerde en de gerekwireerde:
GEDAGVAARD:
om op vrijdag de vierde maart tweeduizend elf, des voormiddags te 10.00 uur, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen voor de Hoge Raad der Nederlanden, die dan zitting houdt in het gebouw van die Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage.
TENEINDE:
alsdan en aldaar tegen voornoemde uitspraken te horen aanvoeren de navolgende
Middelen van cassatie:
Het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid met zich brengt, zoals blijkt uit het navolgende,
Middel 1
In rov 4.1 heeft het Hof overwogen dat de in het vonnis d.d. 28 november 2007 voorkomende afwijzing van de ex art 477a lid 2 laatste volzin Rv gevorderde zekerheidstelling, een eindvonnis is, waartegen op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen drie maanden beroep moet worden ingesteld.
Dusdoende onderkende het Hof dat het om een eindvonnis ging, maar miskende het dat het om een provisioneel eindvonnis ging, waartegen niet alleen binnen drie maanden na het wijzen ervan, maar volgens art 337 Rv ook tegelijk met dat van het eindvonnis, hoger beroep kan worden ingesteld.
Zie ‘Civiel Appèl’ (Snijders & Wendels) 1999 nr 83: ‘Appel hiervan kan (als gezegd) ofwel direct na de uitspraak ofwel ter gelegenheid van de einduitspraak worden ingesteld’ (art 337 lid 1 Rv).
Als gevolg van het miskennen of verkeerd toepassen van art 337 Rv aangaande het beroep van een provisioneel vonnis, kan de bestreden — in rov 4.1 van het arrest voorkomende — beslissing niet in stand blijven.
Middel 2
Het Hof werd gevraagd een beslissing te geven in een geval waarin een beslaglegger ten laste van de schuldenaar derdenbeslag legde onder degene bij wie de schuldenaar werkt.
Onder normale omstandigheden is iemand in dienst van degene bij wie hij werkt.
De wetsartikelen met betrekking tot loonbeslag en zelfs tot beslag op fictief loon laten zich in die situatie zonder veel problemen toepassen.
In het voorliggende geval deed zich een bijzonderheid voor. De derde-beslagene heeft van stond af aan verklaard dat de schuldenaar ten tijde van de beslaglegging wel haar directeur is, maar ten tijde van de beslaglegging niet meer bij haar, maar bij een andere onderneming in dienst is en geen geld ontvangt van de inlener, die de derde-beslagene is.
Uiteindelijk heeft de derde-beslagene het arbeidscontract tussen de schuldenaar en diens (hem gedetacheerd hebbende) werkgever Combofol verkregen en bij akte d.d. 10 november 2009 in het geding gebracht.
Uit dat arbeidscontract blijkt:
- 1e.
dat de schuldenaar op 1 november 2006 in dienst trad bij Combofol (art 2),
- 2e.
dat de werkweek voor de schuldenaar blijkens art 7 van het contract 43 uur duurt en
- 3e.
dat de schuldenaar van diens werkgever Combofol een salaris ontvangt van CHF 149.500 per jaar (art 8 + bijlage) en zonder schriftelijke toestemming geen betaalde nevenarbeid mag verrichten (art 6).
De vraag waar het Hof een antwoord moest geven luidde derhalve:
- *
moet de vordering van de vrouw jegens de derde-beslagene worden afgewezen
omdat de derde-beslagene ook in de zin van art 479a Rv niets verschuldigd is aan de schuldenaar, waarna de vrouw beslag kan leggen onder Combofol,
of omdat de schuldenaar in dit geval niet om niet en ook niet tegen een onevenredig lage vergoeding werkt,
- *
of moet de vordering van de vrouw jegens de derde-beslagene worden toegewezen
in de wetenschap dat de derde-beslagene het aan de vrouw te betalen bedrag kon verhalen op de detacherende werkgever Combofol.
Het Hof heeft echter noch het ene noch het andere gedaan, terwijl elke andere dan de hierboven genoemde beslissing kennelijk onaanvaardbaar is omdat het leidt tot een ongerechtvaardigde verarming van de derde-beslagene.
Daarom kan het arrest niet worden begrepen en is het arrest niet naar behoren gemotiveerd, nu immers zonder de ontbrekende toelichting niet begrepen kan worden waarom — zolang niet gebleken is dat de schuldenaar beschikt over de in art 6 van zijn arbeidsovereenkomst bedoelde schriftelijke toestemming om betaalde nevenarbeid te verrichten — deze al voor 43 uur per week voor zijn werkgever Combofol werkzame schuldenaar ook nog bij de derde-beslagene werkzaamheden zou kunnen verrichten waarvoor hij van de derde-beslagene een vergoeding zou moeten en mogen ontvangen.
Datgene wat het Hof wel heeft gedaan komt hierna aan de orde.
Middel 3
De derde-beslagene heeft wezenlijke weren aangevoerd, welke door het Hof werden veronachtzaamd of ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, werden verworpen.
Het eerste verweer dat aldus niet tot zijn recht kwam, is het in middel 2 genoemde verweer inzake detachering, waarbij de derde-beslagene de inlener is en Combofol de detacherende uitlener is, die — anders dan de inlener — aan de schuldenaar een salaris verschuldigd is.
Het is een wezenlijk verweer, omdat dit verweer duidelijk maakt dat de beslaglegger onder de verkeerde rechtspersoon derdenbeslag heeft gelegd en dat er een goede en eerlijke reden is waarom de derde-beslagene vanaf 1 november 2006 niets verschuldigd is aan de schuldenaar van de beslaglegger.
Het Hof heeft dat verweer onder ogen gezien en verworpen in rov 4.6, maar de derde-beslagene kan zich niet voorstellen dat deze verwerping stand houdt.
Voor zoveel immers de door het Hof genoemde redenen voor verwerping begrepen kunnen worden komen zij hierop neer.
- A.
Het Hof houdt het voor mogelijk dat de schuldenaar ook nog voor de derde-beslagene werkt
(naast de voor Combofol gewerkte 43 uur per week en zonder enig blijk van de daartoe vereiste en in art 6 van het contract genoemde schriftelijke toestemming).
- B.
Voor het Hof is deze mogelijkheid reeds voldoende:
- (1e)
om het hoofd af te wenden van de tussen de schuldenaar als werknemer enerzijds en anderzijds Combofol als werkgever bestaande rechten en plichten, waar de derde-beslagene niets mee van doen heeft en
- (2e)
om te menen dat de schuldenaar naast de 43 uur per week voor Combofol (hetgeen hem CHF 149.500 bruto per jaar oplevert) ook nog eens zoveel voor de derde-beslagene te werken dat hem dat een jaarsalaris van € 110.000 netto oplevert.
De aldus geschetste gedachtegang van het Hof is vooral onaanvaardbaar, omdat het Hof geen reden noemt om te menen dat het arbeidscontract tussen schuldenaar en Combofol van onwaarde zou zijn. Desondanks hecht het Hof geen waarde aan het in art 6 genoemde vereiste van schriftelijke toestemming (die ontbreekt). Evenmin hecht het Hof waarde aan de in art 7 genoemde werkweek van 43 uur.
Na die werkweek van 43 uur resteert niet veel tijd om ook nog eens € 110.000 netto per jaar te verdienen. Het Hof noemt bovendien niet noemt hoe dat wel mogelijk zou zijn.
Het tweede verweer dat aldus niet tot zijn recht kwam, is het verweer inzake het tijdsverloop. Dat verweer houdt in:
- A.
dat de schuldenaar tot 1 november 2006 in dienst was van de derde-beslagene en vanaf dat moment in dienst is van Combofol A.G.; zie immers de op 10 november 2009 genomen akte sub 6.
- B.
dat het derdenbeslag gelegd werd op 25 mei 2007
- C.
dat de derde-beslagene haar activiteiten in februari 2008 heeft beëindigd;
zie immers de op 10 november 2009 genomen akte sub 5.
Dit verweer is wezenlijk omdat het teweegbrengt dat de derde-beslagene vanaf 1 november 2006 terzake van de door de schuldenaar (als gedetacheerde werknemer van Combofol verrichte) werkzaamheden niets meer verschuldigd is aan de schuldenaar van de beslaglegger.
Zou de derde-beslagene desondanks toch nog iets aan de schuldenaar verschuldigd zijn, dan zou deze verschuldigdheid vanaf februari 2008 (beëindiging activiteiten) tot bijna nihil dalen.
Het Hof heeft dit wezenlijke verweer echter verworpen of ontoereikend geacht, zonder dat nu precies duidelijk is wat het Hof met deze wezenlijke informatie over wisseling van werkgever (op 1 november 2006) en beëindiging van activiteiten (in februari 2008) heeft gedaan.
Uit rov 4.8 blijkt zelfs dat het Hof ten onrechte meent dat de schuldenaar ‘nog steeds leiding geeft aan een renderende onderneming van enige omvang.’ Bezien in het licht van de hievoor vermelde informatie (beëindiging activiteiten per februari 2008) moet sprake zijn van een kennelijke vergissing.
Omdat deze wezenlijke weren ten onrechte werden veronachtzaamd, althans op onbegrijpelijke gronden werden verworpen en aldus niet tot hun recht kwamen, moet gezegd worden dat het arrest niet naar behoren gemotiveerd werd.
Middel 4
In de laatste volzin van rov 4.8 noemt het Hof dat de derde-beslagene ‘desgevraagd niet overtuigend heeft kunnen uitleggen hoe in 2007 sprake kan zijn geweest van een negatieve omzet van 2.6 miljoen euro’.
Dit aspect blijkt niet uit de processtukken. Mr J. Brouwer, de advocaat in feitelijke instanties van de derde-beslagene, herinnert zich dat het Hof tijdens de pleidooien de hiervoor bedoelde vraag stelde. Op die vraag heeft de derde-beslagene aan het Hof het navolgende meegedeeld.
De derde-beslagene heeft een periode gekend waarin grote bedragen werden verdiend met speculeren op de beurs. Die verdiensten werden gevolgd door nog grotere verliezen, waarbij een grote schuld aan de bank ontstond. De derde-beslagene werd door haar bank gedwongen om deze schuld in te lossen. In dat kader werd een schuld ter grootte van 2.6 miljoen euro betaald, hetgeen als een negatieve omzet geboekt werd.
Deze mededeling biedt de waarheid en werd niet door de wederpartij weersproken.
De derde-beslagene meent dat de laatste volzin van rov 3.8 onvolledig is en dat het arrest daardoor niet deugdelijk gemotiveerd werd.
Middel 5
In rov 4.8 op blad 4 van het arrest staan feitelijke oordelen, welke kennelijk onjuist en kennelijk onbegrijpelijk zijn.
Terecht vermoedde het Hof dat bij (de advocaat van) de derde-beslagene de mening had postgevat dat in een rechtsstrijd over het door de beslaglegger van de derde-beslagene gevorderde bedrag, het bewijs van hetgeen de beslaglegger stelt in beginsel door de beslaglegger geleverd zou moeten worden, tenzij de rechterlijke instantie oordeelt dat (ook) de gedaagde iets moet bewijzen. Zie bijvoorbeeld de MvG sub 18.
Daarna moet echter ogen gezien worden dat alle in art 479a Rv genoemde omstandigheden aan de orde zijn gekomen.
- A.
Van stond af aan heeft de derde-beslagene meegedeeld dat de in art 479a Rv bedoelde schuldenaar die ‘om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor de derde-beslagene verricht’, in het voorliggende geval niet bestaat.
Zie bijvoorbeeld CvA sub 7, het proces-verbaal sub 4 van de comparitie op 21 februari 2008, MvG sub 23 en de akte d.d. 10 november 2009 sub 6.
De schuldenaar (die sedert 1 november 2006 niet meer in dienst was van de derde-beslagene) genoot immers een (achteraf gezien: aanzienlijk) salaris bij zijn werkgever.
Over de bij de inlener gedetacheerde schuldenaar mocht de derde-beslagene dus opmerken dat deze schuldenaar niet om niet en ook niet tegen een onevenredig lage vergoeding werkte.
Mag art 479a Rv onder die omstandigheid leiden tot een veroordeling van de beslagen inlener van de gedetacheerde schuldenaar?
- B.
Over alle in het tweede lid van art 479a Rv genoemde omstandigheden heeft de derde-beslagene zich uitgelaten.
Daarom wist het Hof dat de schuldenaar;
- 1e.
in 2003 zijn aandelen heeft moeten verkopen (MvG sub 17 op blz 8);
- 2e.
eerst bestuurder van de derde-beslagene was (CvA sub 7) en later wist het Hof ook dat dit tot 1 november 2006 duurde (akte 10.11.09 sub 6);
- 3e.
daarna en tot februari 2008 gedetacheerde ‘Geschäftsführer’ van de derde-beslagene was (akte 10.11.09 sub 6 en het daarbij overgelegde contract, art 1);
- 4e.
vanaf februari 2008 de beëindigde onderneming afwikkelde en daarna nog slechts de formaliteiten verrichtte die nodig waren (akte 10.11.09 sub 5).
Als gevolg van uitlatingen zijdens de derde-beslagene (tijdens het pleidooi) wist het Hof de derde-beslagene van mening is dat het financieel niet zo goed ging met zowel de schuldenaar als de derde-beslagene, die ook nog rekening moest houden met de concurrentie (zie het proces-verbaal sub 4 van comparitie 21.02.08 en haar pleitnota sub 3.4 sub c en d).
Bovendien heeft de derde-beslagene duidelijk gemaakt dat aan het begin van het geding (en nog tijdens de comparitie op 21 mei 2008) bij haar verwarring bestond over aard en omvang van het onder haar gelegde beslag Zie proces-verbaal sub 2, laatste volzin, van de comparitie op 21 februari 2008.
Daar komt bij dat de derde-beslagene steeds van voornoemde stellingen bewijs aanbood door het doen horen van de de schuldenaar, de heer [betrokkene 1], en van de accountant, de heer [betrokkene 2], terwijl het Hof niet eenmaal gebruik heeft gemaakt van dit bewijsaanbod.
Bezien in het licht van hetgeen blijkens het voorgaande zijdens de derde-beslagene te berde gebracht werd valt zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet te begrijpen waarom het Hof in rov 4.8 de navolgende kennelijk onjuiste oordelen ten laste van (de raadsman van) de derde-beslagene presenteert:
- A.
dat de derde-beslagene alleen maar summiere en vrijblijvende stellingen presenteert;
- B.
dat de standpunten van de derde-beslagene vrijblijvend en wisselend zijn
- C.
dat deugdelijke onderbouwing van de stellingen ontbreekt
en op deze onbegrijpelijk onjuistheden
- (1e)
de verwerping der grieven,
- (2e)
het ‘niet afwijken van hetgeen de beslaglegger heeft gesteld’ en
- (3e)
het vaststellen van een voor de derde-beslagene onbetaalbare bedragen laat volgen.
Middel 6
In rov 4.8, op blad 5, overweegt het Hof: ‘De stelling dat [rekwirante] Beheer een dergelijke verplichting (€ 9.000 per maand) niet kan dragen, moet worden verworpen.’
Bezien in het licht van hetgeen de derde-beslagene verklaard heeft over haar financiële draagkracht (zie haar pleitnota sub 3.4 sub c en d) valt het geciteerde oordeel, dat niet gemotiveerd is, niet te begrijpen.
Middel 7
In rov 4.9 trekt het Hof conclusies uit het voorgaande. Bijgevolg wordt rov 4.9 bestreden door de voorgaande cassatiemiddelen.
Op deze gronden vordert eiseres tot cassatie dat de Hoge Raad der Nederlanden het bestreden arrest zal vernietigen, met zodanige uitspraak als de Hoge Raad der Nederlanden juist zal achten en met veroordeling van verweerster in cassatie in de kosten van alle instanties.
De kosten dezes voor mij, deurwaarder, zijn Euro [73,89]
Deurwaarder.