Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.2.1:6.2.1 Toepassing van voorlopige hechtenis
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.2.1
6.2.1 Toepassing van voorlopige hechtenis
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200742:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Inclusief rechter-commissarissen.
Meerdere rechters verwachten een positief effect van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (kamerstuk 34 087). Wanneer deze wordt ingevoerd zullen volgens hen de doorlooptijden van strafzaken worden bekort, aangezien opgelegde vrijheidstraffen dan direct ten uitvoer gelegd kunnen worden. Ook wanneer hoger beroep is ingesteld: een concessie aan de waarborgfunctie van het strafrecht (due process).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste rechters1 kunnen zich niet vinden in de opvatting dat voorlopige hechtenis vaker toegepast zou moeten worden of dat de voorlopige hechtenis minder vaak geschorst zou moeten worden. Door een deel van de rechters wordt opgemerkt dat een striktere interpretatie van de jurisprudentie tot een beperktere toepassing van voorlopige hechtenis zou leiden, hetgeen overigens door meerderen van hen niet wenselijk wordt geacht. Veel rechters menen dat officieren van justitie vaak anders tegen voorlopige hechtenis aankijken dan zijzelf doen.
‘Officieren kijken vaak, is er binnen vijf jaar een eerdere veroordeling geweest? Hup, recidivegrond. Of ze zeggen: “Je had drie gram coke bij je: recidivegrond! Dat is vast niet voor jezelf geweest. Deze hoeveelheid geeft een dealerindicatie.” Ook al is die verdachte nooit eerder veroordeeld voor een drugsfeit. Wij vinden dat gronden te snel worden aangenomen en dat de redenering vaak onvoldoende wordt onderbouwd.’
Officieren van justitie zouden wetgeving en jurisprudentie vaak minder strikt interpreteren. Zo is volgens een rechter niet elke keer wanneer een strafbaar feit is gepleegd waarop een gevangenisstraf van tenminste twaalf jaar staat, de rechtsorde ook ‘geschokt’ (een juridische grond voor voorlopige hechtenis). Sommige officieren van justitie zouden hiervan wel uitgaan:
‘Officieren van justitie gaan er eerder vanuit, dat als er twaalf jaar staat op een strafbaar feit de rechtsorde dan per definitie is geschokt. Maar als je zo zou redeneren had de wetgever de geschokte rechtsorde niet gecombineerd met de twaalfjaarsgrond. Jurisprudentie bevestigt dat ook. De Hoge Raad heeft hier aandacht voor gevraagd. Het gaat om de combinatie: beide elementen moeten in de overweging worden betrokken.’
Evenals officieren van justitie menen ook rechters dat officieren vaak eerder dan een rechter oplegging van gevangenisstraf verwachten. Ook zouden officieren vaak rekenen op een hogere gevangenisstraf. Hierdoor zou door officieren van justitie en rechter-commissarissen verschillend worden geanticipeerd op wat de zittingsrechter zal vonnissen en wordt de voorlopige hechtenis verschillend beoordeeld. Daarnaast hebben rechters de indruk dat officieren van justitie vaak minder bereid zijn mogelijke bijzondere voorwaarden in overweging te nemen die de noodzaak voor voorlopige hechtenis kunnen wegnemen, zoals in het volgende voorbeeld de ‘recidivegrond’.
‘Ik kan alleen maar veronderstellen dat het uitgangspunt van denken [bij het OM] is: er zijn ernstige bezwaren, er is een grond, dus de voorlopige hechtenis moet toegepast. (…) Maar je moet ook beredeneren of de gronden zo zwaarwegend zijn dat voorlopige hechtenis noodzakelijk is om te voorkomen dat iemand bijvoorbeeld meteen weer een strafbaar feit pleegt. Het is in vrijheid het proces afwachten, tenzij…’
Hierop sluit de kritiek aan die rechters hebben op de wijze waarop het OM vorderingen tot voorlopige hechtenis onderbouwt. In veel gevallen zou van onderbouwing niet of nauwelijks sprake zijn en komt de vordering in standaardvorm ‘uit de tekstverwerker rollen’.
Soms ook wordt in de ogen van rechters onvoldoende beoordeeld of wel sprake is van een voldoende ernstige verdenking, ofwel van ‘ernstige bezwaren’. Volgens een rechter spelen daarbij vaak vooroordelen een rol op basis van het beeld dat politie en justitie van de verdachte hebben. Op problemen die volgens een rechter te verwachten zijn bij het beoordelen van bewijsmateriaal zouden volgens hem zowel de politie als het OM beter moeten anticiperen, bijvoorbeeld wanneer een verdachte slechts korte tijd in beeld is op beeldmateriaal.
‘Meestal worden mensen heengezonden vanwege een slecht dossier. Het zit er dan gewoon niet in [qua bewijs]. Of het is broddelwerk. Dan heeft de druk vanuit het management om te scoren bij de politie, het vinkjes zetten, of de streetwise politieman, een gedrocht afgeleverd. Jan heeft het weer gedaan, dat staat er eigenlijk. Dat komt veel voor. Of, je krijgt er bijvoorbeeld wel een filmopname bij: “Daarin herkennen we de ambtshalve bekende [persoon].” En dan kijk je, [je ziet iemand in een flits voorbijschieten]: ondenkbaar dat iemand herkend is. Als je iemand daarvan kan herkennen, dan moet je een half boekwerk afleveren om te vertellen wat je ziet en waaraan je denkt de verdachte te herkennen. (…) Wat ook vaak fout gaat: wat een mogelijkheid is op pagina 1, is een grote kans op pagina 2 en die is op pagina 3 een feit geworden. Zonder dat er iets bij komt. We zijn niet dom, we zien dat.’
Behalve kritiek op politie en OM, hebben sommige rechters ten aanzien van voorlopige hechtenis ook kritiek op collega-rechters. Meerdere rechters menen dat de beoordeling hiervan ‘een beetje alle kanten op gaat’. Naast verschillen in beoordeling tussen rechters en officieren van justitie, worden ook tussen rechters onderling verschillen ervaren. Daarbij ervaren rechters, net als officieren van justitie, de juridische gronden voor voorlopige hechtenis als onduidelijk. Onderling zouden ze daar vaak discussie over hebben, aangezien geldende eisen in de praktijk verschillend geïnterpreteerd zouden worden. Zo wordt er gediscussieerd over de vraag of de ‘geschoktheid’ van de rechtsorde zichtbaar moet zijn in de kleine kring van bijvoorbeeld de familie van een slachtoffer of ook in breder verband. Daarnaast bestaat onder rechters verschil van opvatting over de vraag of de ‘geschokte rechtsorde’ in de loop der tijd vervalt als grond voor voorlopige hechtenis. Het zou hier gaan om een nieuw aspect in de jurisprudentie, waaraan sommige rechters wensen voorbij te gaan.
‘Ik ben daar ouderwets in. Het gaat er niet om of nog steeds de rechtsorde geschokt is, maar of op het moment van plegen van de feiten of door de omstandigheden ervan de rechtsorde geschokt is. Dat vind ik een verwatering van begrippen, dat zien we wel vaker. Het geldt ook voor de discussie over het apart moeten beoordelen of in samenhang bezien van bewijsmiddelen. Daarover had je vroeger nooit discussie. Ik vind dat er een heleboel onzin naar voren komt.’
Meerdere rechters geven aan dat een strikte interpretatie van de jurisprudentie over de geschokte rechtsorde hoge eisen stelt aan de onderbouwing van deze grond voor voorlopige hechtenis. Zo meent een rechter dat ‘aantoonbaar’ moet zijn dat er maatschappelijke onrust ontstaat wanneer een verdachte van een feit waarop een gevangenisstraf staat van tenminste 12 jaar, vrij zou komen:
‘De rechtsordegrond, eerlijk gezegd passen we die nog te vaak toe. Als je het Europese Hof volgt, dan is wat we doen vaak niet goed gemotiveerd. De pleuris moet uitbreken voordat je kan spreken van een geschokte rechtsorde. Dat is het criterium, maar bij hoeveel zaken is dat nu werkelijk het geval?’
Evenals politiemensen en officieren van justitie noemen sommige rechters hun collega’s ‘naïef’. Bijvoorbeeld in gevallen waarin van voorlopige hechtenis wordt afgezien, terwijl er een grote kans is dat een verdachte die gebruikmaakt van een buitenlands adres, niet meer te vinden zal zijn. In dergelijke gevallen zou ten onrechte geen ‘vluchtgevaar’ (eveneens een juridische grond voor voorlopige hechtenis) worden aangenomen:
‘Er zijn genoeg rechters die geneigd zijn om verdachten met een adres in Roemenië te schorsen. Terwijl die [de verdachte] echt niet bereikbaar gaat zijn daar. De wens is dan de vader van de gedachte.’
Eveneens in overstemming met politiemensen en officieren van justitie blijken sommige rechters in hun opvatting over voorlopige hechtenis andere overwegingen te hebben dan juridische gronden. Een rechter meent dat bij sommige ‘verwarde personen’ voorlopige hechtenis de enige oplossing is, ook voor de betrokkene zelf:
‘Dit is een probleem aan het worden vanwege bezuinigingen op de GGZ. De verdachte wordt voorgeleid en dan zeg je soms als rechter: “Ik ga je wel vasthouden, want ik vind het eigenlijk zielig om je los te laten. Dan sluit ik je maar op.” Terwijl ik liever had gezien dat hij naar een psychiatrisch ziekenhuis had gekund. Soms moet je het wetboek een beetje geweld aan doen om het bestwil-criterium voor te staan.’
Door sommige rechters wordt geconstateerd dat het OM er steeds vaker voor kiest om ‘verwarde personen’ die strafbare feiten plegen bij de rechter-commissaris voor te geleiden. In hun ogen speelt daarbij de wens risico’s voor de samenleving te beperken, maar ook menen rechters dat GGZ-instellingen soms niet de benodigde oplossingen kunnen of willen bieden. Deze omstandigheden dragen dan ook bij aan de opvatting onder rechters dat de gronden voor voorlopige hechtenis soms ruim geïnterpreteerd moeten worden.
‘Soms zijn er heel terecht gronden waarom er vrees voor herhaling is, namelijk omdat iemand een psychiatrisch geval is. Maar als [een verdachte] alleen maar zijn moeder heeft opgebeld en heeft gezegd “ik maak je dood”, moet het strafrecht dan benut worden om iemand negentig dagen vast te zetten? Die druk zie ik heel sterk [vanuit het OM]: gevallen die voorheen in de BOPZ kwamen, worden allemaal bij ons [het strafrecht] neergegooid. Kleine feiten, vaak in de bedreigingssfeer, waar potentieel gevaarlijke mensen achter zitten. Die kunnen we allemaal gaan vasthouden, maar daar is [voorlopige hechtenis] niet voor bedoeld. Dan zeggen we af en toe 67a lid 3 en dan zijn ze boos, maar ik ben ervan overtuigd dat het OM uit politieke overwegingen deze mensen vastzet en voorgeleidt om in ieder geval de zwarte piet niet te krijgen toegespeeld als er wat misgaat. Daar worden wij in meegesleept en hebben ons daar de afgelopen jaren ook in mee laten nemen. (…) Sommigen moeten beschermd wonen. Je kunt ze wel elke keer naar de rechter sturen en het strafrecht als breekijzer gebruiken, maar ik vind dat geen oplossing. De druk is steeds opgevoerd.’
Een geïnterviewde rechter beschouwt de in zijn ogen weinig strikte wijze waarop de recidivegrond soms wordt geïnterpreteerd als een vorm van ‘veiligheidsdenken’ (zie ook hoofdstuk 1). Ook als er reële mogelijkheden zijn om de voorlopige hechtenis te schorsen, zou daarvan vaak geen gebruik worden gemaakt op grond van de overweging dat de verdachte mogelijk toch een gevaar vormt.
‘Recidivegevaar, laten we eerlijk zijn: je kan daar altijd wel een redenering voor bedenken. Iemand zit 30 of 90 dagen vast, omdat hij theoretisch weer iets zou kunnen doen. Is dat echt in alle gevallen nodig? (…) Als je een keer iets heftigs doet, nou dan zou je het wel nog een keer kunnen doen. We willen weten wat er in de bovenkamer aan de hand is en pas als de psychiater heeft gezegd dat de verdachte ergens naartoe moet, dan kunnen we hem schorsen. Ik praat er nu wat cynisch over, maar iedereen is erg voorzichtig.’
Een deel van de rechters is van opvatting dat de wijze waarop vaak met voorlopige hechtenis wordt omgegaan, op grond van Europese jurisprudentie niet langer houdbaar is. Volgens hen wordt tegenwoordig ook al vaker strikt geoordeeld op basis van de wettelijke gronden en beschikbare jurisprudentie. Deze rechters verwachten van politie en OM dat zij hun ideeën over de rechterlijke beoordeling van voorlopige hechtenis bijstellen.
‘Het is een nieuwe wind die is gaan waaien, dat we minder scheutig mee willen zijn [met het toepassen van voorlopige hechtenis]. Vroeger was het meer een automatisme, als je bezwaren en gronden had en geen 67a lid 3 situatie aan de orde was. Wij worden daar nu kritischer op. Dat moet nog doorsijpelen richting OM en politie.’
Er zijn echter ook rechters die een stringente toepassing van voorlopige hechtenis niet noodzakelijk achten. Zo noemt een rechter de discussie binnen de rechtspraak over dit onderwerp naar aanleiding van Europese jurisprudentie ‘een academische discussie’. In het verlengde van opvattingen die in voorgaande hoofdstukken 4 en 5 naar voren kwamen, menen sommige rechters vanuit morele en praktische overwegingen een ruime toepassing van voorlopige hechtenis voor te moeten staan.
‘Er is binnen de rechterlijke macht wel een roep om minder [voorlopige hechtenis] te doen. Dan wordt gewezen op Europese jurisprudentie. Maar ik ben het er niet zo mee eens. Ik vind [de manier waarop de voorlopige hechtenis wordt toegepast] wel voldoen. Je moet per geval bekijken of er reden is om iemand wel of niet vast te houden. Sommige zaken lenen zich ervoor om te zeggen: begin maar nu alvast [met de gevangenisstraf]. Dat is strafvorderlijk gezien niet juist, maar moreel gezien wel. Het zou gek zijn om het niet te doen. Je wordt verdacht van het bezit van drie kilo cocaïne. Daarvoor ga je langer dan een jaar de gevangenis in. Ga het maar meteen uitzitten. Van mij hoeft het niet beperkt te worden.’
Een behoefte aan acute normering, vergelding of tegenhouden krijgt hier meer gewicht dan de onschuldpresumptie (onderdeel van het due process model). Dit is bijvoorbeeld ook het geval, zoals een rechter beschrijft, wanneer een lange doorlooptijd in een strafproces de indruk kan wekken dat tegen criminaliteit slechts weinig wordt gedaan. Schorsen of opheffen van de voorlopige hechtenis ligt volgens haar in dergelijke gevallen niet voor de hand:
‘Ik denk vaak: ik ben toch niet gek. Mij speld je niets op de mouw, zo’n houding heb ik bij de voorlopige hechtenis. Ik merk dat in zaken waarbij de zitting lang op zich laat wachten, collega’s de voorlopige hechtenis opheffen of schorsen. Dan denk ik: hoe kan je dat nou doen? Het is een enorme drugsbende en het gaat gewoon weer door. Kijk, honderd kilo cocaïne.’
Sommige rechters menen wel dat strikter met de gronden voor voorlopige hechtenis omgegaan zou moeten worden, maar vinden evenals veel officieren van justitie dat dit praktisch gezien (nog) niet mogelijk is. De doorlooptijd van strafzaken vinden zij daarvoor vaak te lang.2
‘Als de voorlopige hechtenis wordt geschorst of opgeheven, dan duurt het een hele tijd voordat de verdachte weer op zitting komt. Dat is een overweging die meespeelt bij beslissingen over voorlopige hechtenis. Je moet de voorlopige hechtenis [eigenlijk] strikter toepassen, maar dan zou je ook zeker moeten weten dat zaken waarin dat gebeurt ook binnen afzienbare termijn kunnen worden afgedaan.’
Een beperkt deel van de rechters beschouwt voorlopige hechtenis nadrukkelijk als voorschot op de straf, zolang de situatie is dat te lage of vaak geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen meer worden opgelegd als verdachten niet meer in voorlopige hechtenis zitten (vgl. Stevens, 2012). Wanneer na lange tijd uiteindelijk het vonnis wordt uitgesproken zijn rechters (bedoeld worden meestal: raadsheren) minder geneigd om nog een gevangenisstraf op te leggen. Rechters menen dat na verloop van tijd anders tegen het gepleegde strafbare feit kan worden aangekeken. Ook kan de verdachte bijvoorbeeld een baan gevonden hebben. Dit wordt dan beschouwd als een goede ontwikkeling die mogelijk teniet wordt gedaan wanneer alsnog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Sommige eerstelijns rechters en rechter-commissarissen zien in lange doorlooptijden echter aanleiding voorlopige hechtenis als een voorschot op de straf te beschouwen en weinig belang te hechten aan een strikte beoordeling van de juridische gronden voor voorlopige hechtenis.
‘De kast komt steeds voller met zaken die op zijn beloop zijn gelaten en na verloop van jaren wordt het steeds lastiger om tegen verdachten te zeggen: “U hebt drie maanden vast gezeten, maar we vinden eigenlijk dat u een jaar vast moet zitten. U krijgt daarom nu nog negen maanden.” Intussen hebben ze een baan, een vrouw en een kind. (…) Je moet voorlopige hechtenis restrictiever toepassen, maar tegelijkertijd ook weten dat zaken waarin dat gebeurt ook binnen afzienbare termijn worden afgedaan.’
Overigens menen rechters dat strafzaken later bij de rechtbank voorkomen wanneer verdachten niet (meer) preventief gehecht zijn. Het zijn factoren die elkaar kunnen versterken: als een zaak veel tijd in beslag neemt, kan dat tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis leiden, als gevolg waarvan de zaak minder prioriteit lijkt te krijgen en nog langer loopt (zie ook hoofdstukken 4 en 5).