Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.1.4:6.3.1.4 Verhouding tot het Unierecht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.1.4
6.3.1.4 Verhouding tot het Unierecht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499146:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de bewoordingen van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 niet woordelijk met de Btw-richtlijn overeenstemmen, meen ik dat de regeling voor onbetaalde schulden conceptueel bezien (voor zover in deze paragraaf besproken) past binnen de door het Unierecht aangegeven grenzen. Met de regeling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de derogatiebevoegdheid die haar krachtens art. 185 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn ter beschikking staat. Het is in mijn optiek eveneens een discretionaire bevoegdheid van lidstaten om het begrip niet-betaling (binnen daartoe door het Unierecht gegeven kaders) uit te leggen en aansluiting te zoeken bij het nationale civiele recht. In mijn optiek zou de werking van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 afhankelijk moeten zijn van de (voor)vraag of de ondernemer aanvankelijk recht op aftrek heeft gehad. Dit is een materiële benadering. Indien en voor zover een richtlijnconforme uitleg te wensen overlaat, meen ik een inbreuk te moeten onderkennen op het Unierecht. Wel in overeenstemming met het Unierecht is dat ‘art. 37-btw’ van de werking van de bepaling is uitgesloten. Dit lijkt mij niet voor twijfel vatbaar.