WFR 2024/343
Belastinguitstel en de dga
Prof. dr. S.A. Stevens, datum 09-12-2024
- Datum
09-12-2024
- Auteur
Prof. dr. S.A. Stevens1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992886:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Stan Stevens is hoogleraar vennootschapsbelasting bij het Fiscaal Instituut Tilburg (Tilburg University) en partner bij HVK Stevens.
Céline van Essen, Toon Vanheukelom, René Schulenberg & Arjan Lejour, ‘Inkomens en belastingen aan de top’, CPB, mei 2024.
Naast het feit dat personen met een groot vermogen meer risico kunnen nemen en daardoor meer rendement maken.
Deze termijn wordt verkort naar drie jaren. Voor de doorschuiffaciliteit geldt geen voortzettingsvereiste.
Tot € 67.000 en samen met de partner € 133.000 geldt een tarief van 24,5%.
Kamerstukken II 2020/21, 35496, nr. 9, p. 6-8 (NAV).
N. Bosch & A. Lejour, Fiscaliteit en de rechtsvorm van ondernemingen, 2017; Centraal Planbureau en Rijksoverheid, Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel, 2024.
Daniel Kahneman, Ons feilbare denken Thinking, fast and slow, 2011, p. 482. Thaler wijst erop dat personen een voorkeur hebben voor bezit en dat dit ertoe leidt dat de status quo wordt gehandhaafd. Zie R. Thaler, ‘Toward a Positive Theory of Consumer Choice’, Journal of Economic Behavior and Organization 1:39-60.
Céline van Essen, Toon Vanheukelom, René Schulenberg & Arjan Lejour, ‘Inkomens en belastingen aan de top’, CPB, mei 2024.
Céline van Essen, Toon Vanheukelom, René Schulenberg & Arjan Lejour, ‘Inkomens en belastingen aan de top’, CPB, mei 2024, p. 15.
Uiteraard wordt deze opbrengst ten dele gemitigeerd door de doorschuiffaciliteit bij schenking.
Céline van Essen, Toon Vanheukelom, René Schulenberg & Arjan Lejour, ‘Inkomens en belastingen aan de top’, CPB, mei 2024, p. 18 vermelden dat op basis van cijfers van het Ministerie van Financiën.
Hierbij teken ik aan dat de dividenduitkering in 2019 extra hoog was vanwege de aangekondigde tariefverhoging.
CBS, Prognose levensverwachting 65-jarigen: 20,96 jaar in 2030, 8-11-2024, 06:30.
De gemiddelde leeftijd waarop de aandelen worden geschonken is 67 jaar. Zie Jan Möhlman & Celine van Essen, Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB Notitie, p. 39.
‘Vermogen in Nederland’, 2022, CBS.
Jan Möhlman & Celine van Essen, Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB Notitie, tabel 5.2, p. 36.
Over de periode 2017 is circa € 11.300.000.000 geschonken. Het is aannemelijk dat daarin voornamelijk ondernemingsvermogen is begrepen, omdat, afgezien van een doelmatigheidsmarge, de belastingplichtigen geen beleggingsvermogen zullen schenken. Zie Jan Möhlman & Celine van Essen, Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB Notitie, tabel 5.1, p. 35.
De vergelijking is niet helemaal zuiver omdat de stand van de schulden het jaar 2016 betreft en de waarde van het aanmerkelijk belang het jaar 2022. Gezien de gestegen bedrijfswinsten is het aannemelijk dat de waarde in 2016 lager was en dan zouden de vorderingen op de dga een hoger percentage vertegenwoordigen.
Jan Möhlman & Celine van Essen, Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB Notitie, tabel 5.2, p. 39.
Leo Stevens, Heks Fiscalia.
Leo Stevens heeft in 1994 intellectueel aan de wieg gestaan van een fundamentele herziening van het aanmerkelijkbelangregime. Op dit regime bestaat nu kritiek. Het zou te veel ruimte bieden voor belastinguitstel, waardoor de effectieve belastingdruk van topinkomens relatief laag is. De auteur onderzoekt of dit bij invoering voldoende door Leo onderkend is.
1. Inleiding
In 1994 schreef Leo Stevens een artikel onder de titel ‘Naar een nieuw regime voor inkomsten uit aandelen’.2 Dit artikel heeft mede ten grondslag gelegen aan een aanzienlijke wijziging van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997. De belastingheffing van directeur-grootaandeelhouders (dga’s) is echter nog steeds een ‘hot topic’. De reden is dat tot de personen met het grootste vermogen vooral dga’s behoren en het aanmerkelijk belang binnen dat vermogen het belangrijkste vermogensbestanddeel vormt.3 De belastingheffing van de zeer vermogenden (de aanmerkelijkbelanghouder) – en met name de mogelijkheid tot langdurig belastinguitstel – wordt genoemd als een van de oorzaken van de toenemende vermogensongelijkheid.4
Het terugtreden van Leo uit de redactie van het Weekblad is een goede gelegenheid om te reflecteren op zijn analyse van het aanmerkelijkbelangregime in 1994 en te bezien of de mogelijkheden van belastinguitstel toen voldoende zijn onderkend.
Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 ga ik in op het artikel van Leo; daarna (in paragraaf 3) worden de maatregelen die later zijn genomen om belastinguitstel te bestrijden besproken. In paragraaf 4 ga ik in op een onderzoek van het CPB, waarin geconcludeerd wordt dat de belastingdruk op topinkomens relatief laag is vanwege het genoten belastinguitstel. De bijdrage worden afgesloten met enkele conclusies.
2. Belastinguitstel in de 1994-analyse
In het artikel wordt niet uitgebreid aandacht besteed aan het probleem van belastinguitstel. Leo onderkent wel dat er belastinguitstel plaatsvindt. Onder andere omdat dividenduitkeringen indertijd nog belast werden tegen het progressieve tarief van 60% dat ook gold voor inkomsten uit arbeid en vermogen. Hij schrijft: ‘Vervolgens wordt winstuitdeling ontmoedigd door het aan de inkomstenbelasting ten grondslag liggende bronnenstelsel. Op het moment van dividenduitkering wordt bij de aandeelhouder over het dividend inkomstenbelasting geheven zonder dat daarbij rekening kan worden gehouden met de eerder bij de vennootschap geheven vennootschapsbelasting. Zolang de aandeelhoudersvergadering niet tot dividenduitdeling besluit, valt er in het kader van de inkomstenbelasting dus niets te heffen. (Nadeel van dit stelsel is dat het interne financiering stimuleert en het kapitaal niet onderwerpt aan de rendementseis van de kapitaalmarkt, hetgeen uitlokt tot inefficiënte kapitaalinzet). Zeker bij familievennootschappen leidt dit begrijpelijkerwijze tot de vorming van relatief grote winstreserves.’
Indertijd speelde ook al het probleem dat het voor de Belastingdienst niet altijd eenvoudig was om de aanmerkelijkbelangclaim te handhaven. Leo schrijft immers: ‘Bij de stand van de huidige wetgeving is de instandhouding en effectuering van de inkomstenbelastingclaim over deze aldus gevormde winstreserves voor de fiscus een inspannende en soms demotiverende – zo niet frustrerende – bezigheid.’
Naar mijn indruk werd de mogelijkheid tot belastinguitstel ter zake van de aanmerkelijkbelangclaim door Leo indertijd niet als een groot of in elk geval niet als het meest urgente probleem gezien. De verklaring is waarschijnlijk dat indertijd de vpb-druk nog veel hoger was, waardoor het financiële belang van de belastinguitstel kleiner was. In zijn alternatief voor het aanmerkelijkbelangregime adviseert hij de zogenoemde 38/20-optie in te voeren. Ik citeer:
“Om reden van vereenvoudiging zou ik de beleidsmakers wel de 38/20-optie willen voorhouden. In ruil voor het bestaande, aan absurditeit grenzende, degressieve vennootschapbelastingtarief bepleit ik een uniform vennootschapsbelastingtarief van 38% met bijbehorend geüniformeerd inkomstenbelastingtarief voor aandeleninkomsten van 20%.”
De voorgestelde tariefstelling zou resulteren in een gecombineerde belastingdruk van 50,4%. Het toptarief in de inkomstenbelasting bedroeg in 1994 60%. Ter vergelijking: nu is het vpb-tarief 25,8% en de aanvullende heffing in de inkomstenbelasting 33% (en met ingang van 1 januari 2025 31%). Het effectieve tarief van 50,268% (en met ingang van 1 januari 2025 48,8%) wordt dus voor 51% en straks 52,9% bepaald door de vennootschapsbelasting. In 1994 was dat 75,4%.
Leo aanvaardde het belastinguitstel dat gepaard gaat met het klassieke stelsel tot het moment dat het inkomen door de aandeelhouder wordt gerealiseerd, ondanks dat hij van mening was dat bij familievennootschappen de vennootschap eigenlijk fiscaal transparant zou moeten zijn. Ik citeer:
“Fiscale transparantie is verdedigbaar bij besloten familievennootschappen waar ten aanzien van de aanmerkelijk-belangaandeelhouder kan worden opgemerkt dat ‘de gelijkenis tussen de aandeelhouder in een BV en de persoonlijke ondernemer in maatschappelijk, economisch en financieel opzicht zo groot is dat het gelijkheidsbeginsel eist dat bij realisering door die aandeelhouder van zijn aanspraken op de vennootschapsreserve een aanvullende heffing plaatsvindt.”
3. Ingevoerde maatregelen om belastinguitstel te voorkomen
Door de invoering van het subjectieve belastingstelsel voor het aanmerkelijkbelangregime zijn de mogelijkheden om de aanmerkelijkbelangheffing te vermijden beperkt. Sinds de herziening van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 zijn verschillende maatregelen genomen die de mogelijkheden voor belastinguitstel beperken.
Door de gebruikelijkloonregeling moeten dga’s een salaris uitkeren. In de loop der jaren is de norm voor het gebruikelijk loon verder aangescherpt. De ruimte voor belastinguitstel is verder beperkt doordat de dga geen pensioen in eigen beheer meer kan opbouwen.
Een principiële breuk met het verleden is dat de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang per 1 januari 2010 is beperkt tot het ondernemingsvermogen. De consequentie is dat uiterlijk bij overlijden afgerekend moet worden over het beleggingsvermogen. Daar staat tegenover dat de doorschuiffaciliteit voor ondernemingsvermogen verruimd is. Ten opzichte van de situatie dat de aanmerkelijkbelangclaim bij schenking niet kon worden doorgeschoven leidt dit tot meer belastinguitstel, omdat een deel van de dga’s de vennootschap met ondernemingsvermogen zal schenken en vervolgens als de voortzettingstermijn van 5 jaar5 is volgemaakt de onderneming alsnog zal verkopen.
Bij emigraties tot 15 september 2015, 15.15 u, werd na verloop van 10 jaren de conserverende aanslag kwijtgescholden. Hierdoor kon een heffingslek optreden. Nu wordt deze aanslag niet meer kwijtgescholden en dus uiterlijk bij overlijden geïnd, tenzij de vennootschap ondernemingsvermogen heeft. Voor dat deel kan de aanmerkelijkbelangclaim worden doorgeschoven.
Op 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden die mede als doel heeft belastinguitstel te beperken. De dga mocht samen met diens fiscale partner niet meer dan € 700.000 en per 1 januari 2024 niet meer dan € 500.000 van de vennootschap lenen. Een uitzondering geldt voor eigenwoningschulden. De omvang van de schulden van dga’s bij hun BV was de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Een belangrijke oorzaak daarvan was dat door een combinatie van de forfaitaire heffing in box 3 en de lage rente het voordelig was beleggingen in privé te houden.
Het is interessant om te weten in welke mate en hoe belastingplichtigen de schulden hebben afgelost. Het belastinguitstel wordt immers alleen verminderd indien belastingplichtigen daadwerkelijk dividend hebben uitgekeerd of te maken hebben gekregen met een fictief regulier voordeel.
Een prikkel om daadwerkelijk of fictief dividend uit te keren was de verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief. Het toptarief is in een aantal jaren gestegen van 25% naar thans 33%. Voorgesteld is om het tarief weer te laten dalen naar 31%.6 De verwachting is dat dga’s geanticipeerd hebben op de verhoging van het ab-tarief. Over 2019 is in elk geval een aanzienlijk bedrag aan dividend uitgekeerd, omdat toen nog een tarief van 25% gold. Op basis van de aangiften dividendbelasting is in 2019 circa € 13,6 miljard meer dividend uitgekeerd door vennootschappen aan aanmerkelijkbelanghouders. Dit zorgde voor een extra belastingopbrengst in box 2 van € 3,4 miljard.7 Ook uit eerder onderzoek blijkt dat er (sterk) gereageerd wordt op een tijdelijke daling van het aanmerkelijkbelangtarief.8
Waarom zouden dga’s nog geen dividend hebben uitgekeerd, ondanks dat het ab-tarief aanzienlijk hoger is geworden? Redenen kunnen zijn:
Onzekerheid over de toekomst. Deze onzekerheid kan betrekking hebben op het fiscale beleid en/of de resultaten van de onderneming.
Uit onderzoek9 blijkt dat personen verliesneming uitstellen en een voorkeur hebben voor de status quo. Belasting betalen lijkt op het nemen van verlies.
Als belasting betaald wordt, dan neemt het vermogen af. Dit beperkt de flexibiliteit in het beleggingsbeleid. Met name voor beleggingen in private equity en vastgoed is een bepaald minimumvermogen nodig. Ook omdat sommige beleggingsfondsen een minimuminleg eisen.
Het vermogen is niet liquide, omdat het wordt aangewend in de onderneming of omdat het vermogen niet eenvoudig tegen geringe kosten kan worden overgedragen.
Voor zover het ondernemingsvermogen betreft kan de belastingclaim langdurig uitgesteld worden.
4. Het CPB-onderzoek ‘Inkomens en belastingen aan de top’
Ondanks dat er veel maatregelen genomen zijn om belastinguitstel te beperken is de discussie nog niet verstomd. Het CPB heeft onderzoek gedaan naar de belastingdruk over topinkomens.10 In dat onderzoek concludeert het CPB dat de belastingdruk op de hoogste inkomens in het afgelopen decennium lager was dan op de midden- en hoge inkomens. Dat is onderzocht voor de periode 2011 tot en met 2019. Het CPB concludeert: ‘Ruim de helft van alle personen in de top 1% houdt een aanmerkelijk belang in een vennootschap (minimaal 5% van de aandelen). Voor de top-0,01% is dat ongeveer zeven op de acht. Het inkomen van deze groep bestaat daarom vrijwel helemaal uit bedrijfswinsten, zodat de belastingdruk vooral door de vennootschapsbelasting (vpb) bepaald wordt. Als de winst wordt uitgekeerd, wordt ook inkomstenbelasting (box 2) betaald, maar in de praktijk keert de top-1% gemiddeld slechts 21% van de winst uit en de top-0,01% maar 14%; de meeste winst wordt ingehouden. Dat de belastingdruk aan de top lager ligt, was al bekend uit eerder onderzoek over het jaar 2016. Nu blijkt dat dat beeld niet verandert als een langere periode wordt bekeken, omdat het merendeel van de winsten ingehouden blijft. Bovendien wordt relatief weinig belastbaar inkomen gegenereerd met de verkoop of overdracht van aanmerkelijk belang. Als de belastingdruk over deze langere periode gemiddeld wordt, neemt die voor de top-0,01% inkomens hoogstens met 3%-punt toe.’ Tot de top 0,01% behoren 1400 personen. De top 1% hoogste inkomens omvat 140.000 personen.
Voor de zeer vermogenden is met name het inkomen uit aanmerkelijk belang van belang. Het CPB schrijft: ‘De samenstelling van de belastingdruk laat zien dat het patroon veroorzaakt wordt door een samentellingseffect: aan het begin van de top-10% betaalt men vooral belasting en premies op basis van box 1 van de inkomstenbelasting en sociale zekerheidspremies. Box 1 en box 3 belastingen spelen daarentegen nauwelijks een rol voor de belastingdruk van de top-0,01%, voor die groep is het vooral de vennootschapsbelasting die de totale druk bepaalt.’11
Een belangrijk methodologisch uitgangspunt van het CPB-onderzoek is dat de ingehouden bedrijfswinsten direct als inkomen van de aandeelhouder worden aangemerkt. Als het doel is te onderzoeken wat het effect is van de systematische keuze om in twee fasen belasting te heffen, is het logisch om het criterium dat het inkomen gerealiseerd moet zijn los te laten. Er moet echter bedacht worden dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn om de winst nog niet uit te keren. Het CPB wijst daar ook op.
In het onderzoek wordt alleen rekening gehouden met de betaalde vennootschaps- en inkomstenbelasting. Als ervan uitgegaan wordt dat op macroniveau de inkomsten uit aanmerkelijk belang gelijk over de jaren verdeeld zijn, dan leidt dat tot een goede schatting van de effectieve belastingdruk. Indien de inkomsten uit aanmerkelijk belang echter niet evenredig over de jaren verdeeld zijn, dan kan deze methode leiden tot een overschatting of een onderschatting van de effectieve belastingdruk. Het CPB heeft eerder alleen gekeken naar de belastingdruk over het jaar 2016. In een later onderzoek is de onderzoeksperiode aanzienlijk verlengd van 2011 tot en met 2019. Bij een langere onderzoeksperiode blijkt de effectieve belastingdruk ook hoger te liggen, maar nog steeds worden topinkomens lager belast dan lage of middeninkomens.
Ik had verwacht dat het beeld meer zou veranderen als een langere periode in ogenschouw zou worden genomen, omdat sinds 1 januari 2010 afgerekend moet worden over het beleggingsvermogen bij overlijden. Dat zou op termijn tot meer inkomsten uit aanmerkelijk belang moeten leiden.12 Het totale vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang stijgt ook van € 0,9 miljard in 2011 naar € 2,8 miljard in 2019.13 In dezelfde periode stegen de dividenduitkeringen van € 7 miljard naar € 27 miljard.14
De cruciale vraag is of het effect dat uiterlijk bij overlijden afgerekend moet worden over het beleggingsvermogen al volledig verdisconteerd is in de gemeten belastingdruk. Dat zou het geval zijn als er elk jaar gemiddeld genomen net zoveel aanmerkelijkbelanghouders overlijden en over net zoveel beleggingsvermogen moet worden afgerekend. De informatie om dat te verifiëren heb ik niet. Indien echter gekeken wordt naar de leeftijden van de belastingplichtigen, in het bijzonder de personen die behoren tot de top 0,01%, met het hoogste inkomen, dan valt op dat de groep voor 24% bestaat uit personen van 65 jaar of ouder. Aangezien het inkomen van deze personen in belangrijke mate bestaat uit inkomen in verband met het aanmerkelijk belang is het aannemelijk dat in de komende jaren een aanzienlijk deel van het vermogen zal vererven. De levensverwachting van iemand van 65 jaar is circa 20-21 jaar.15 Omdat ik de verdeling van het ab-vermogen over de verschillende leeftijden niet weet, kan ik ook het verwachte aantal overlijdens per jaar niet schatten. Uitgaande van de huidige demografische ontwikkeling is de inschatting dat de komende jaren relatief meer dga’s zullen overlijden en dus de fictieve afrekening over het beleggingsvermogen in belang zal toenemen. Opvallend is overigens dat de gemiddelde leeftijd waarop dga’s een erfenis nalaten waarin de BOR wordt toegepast 69 jaar is.16 Dat is relatief jong.
De tweede relevante variabele is de omvang van het beleggingsvermogen. Ook daar heb ik geen compleet overzicht van, en het CBS denk ik ook niet, omdat in het onderzoek daarover niets wordt vermeld. Het vermogen uit aanmerkelijk belang bedroeg in 2022 circa € 431 miljard. Dat is 17,33% van het totale vermogen exclusief het pensioenvermogen.17
Het beleggingsvermogen in de vennootschappen is ten minste gelijk aan de schulden die dga’s bij hun vennootschap hadden. Deze zullen immers gewoonlijk aangemerkt kunnen worden als beleggingsvermogen. In 2016 bedroegen deze schulden ruim € 55 miljard.18 Hiervoor zagen wij dat in 2019 extra veel dividend is uitgekeerd, wat tot gevolg kan hebben dat het beleggingsvermogen is gedaald.
Het CPB heeft in de notitie ‘Evaluatie van de BOR’ wel enige cijfers opgenomen die een indicatie kunnen geven van de omvang van het ondernemingsvermogen. Over de periode 2010-2017, waren er 2852 erfenissen waarbij een beroep op de bedrijfsopvolgingsregelingen is gedaan. De gemiddelde omvang van de verkrijging krachtens erfrecht was € 1.226.000 en er waren 4638 verkrijgers.19 De gemiddelde omvang van het ondernemingsvermogen was € 1.000.700. Circa 82% van de gemiddelde verkrijging bestond dus uit ondernemingsvermogen.20 18% beleggingsvermogen lijkt mij echter aan de lage kant, als we weten dat dga’s in 2016 al 55 miljard (12,7% van de waarde in 2022) van de BV leenden.21 In de periode 2015 tot en met 2017 is 2430 keer gebruik gemaakt van de doorschuiffaciliteit.22 Verdere gegevens hierover ontbreken.
5. Afsluiting
Sinds 1994 is er veel meer aandacht voor belastinguitstel bij de dga. Het belang van uitstel in de inkomstenbelasting is toegenomen, omdat het vpb-tarief is gedaald. Er zijn veel maatregelen genomen om belastinguitstel te verminderen. Het is nog niet helemaal duidelijk of en in welke mate deze gevolgen hebben voor de topinkomens. In een vervolgonderzoek zou naar mijn mening gekeken moeten naar de leeftijd van de aanmerkelijkbelanghouder en de omvang van het beleggingsvermogen om een betere schatting te maken van de realisatie van de latente ab-claim op beleggingsvermogen bij overlijden.
Met name als ondernemingsvermogen kan worden doorgeschoven is langdurig uitstel van heffing mogelijk, maar dat kan gerechtvaardigd zijn als het vermogen nodig is voor de onderneming. De ondernemingsfictie van art. 2 lid 6 Wet Vpb 1969 bestempelt echter al het vermogen van een vennootschap als ondernemingsvermogen. Op termijn is de meest logische route een verhoging van het vpb-tarief, maar dat vergt coördinatie op internationaal of ten minste Europees niveau. Andere maatregelen zoals een forfaitaire heffing in box 2 (over het beleggingsvermogen) of zelfs een directe heffing over het beleggingsvermogen hebben als nadeel dat een inbreuk wordt gemaakt op het realisatie- en liquiditeitsbeginsel. Het inkomen is nog niet in fiscale zin door de aandeelhouder genoten. Daar kan tegen in worden gebracht dat als het vermogen overtollig is, het wel onttrokken kan worden aan de vennootschap zonder de continuïteit van de onderneming aan te tasten. Een praktisch nadeel is dat het beleggingsvermogen moet worden vastgesteld. Dat kan tot op zekere hoogte worden opgelost door ficties in de wet op te nemen. Afschaffen van de doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting en een versobering van de bedrijfsopvolgingsregeling zou mogelijk wel leiden tot liquiditeitsproblemen. Voor zover ik weet is het eventuele cumulatieve effect van deze maatregelen op de financiële positie van een onderneming niet onderzocht.
Leo, je hebt het besluit genomen nu je tachtig bent geworden te stoppen met het Weekblad, Elementair belastingrecht en je vaste column in Elsevier. Daarmee neem je voor een groot deel afscheid van de fiscaliteit. Een gebied dat je altijd heeft gefascineerd en geïnspireerd en tot talloze publicaties heeft geleid, waaronder sprookjesboeken waarin ik een van de hoofdrollen mocht spelen.23 Je zult ongetwijfeld blijven schrijven. Onze gesprekken over belastingen en nog veel belangrijkere dingen in het leven houden zeker niet op.