Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.3:7.1.3 Straffen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.3
7.1.3 Straffen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200756:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens is deze denkrichting ook onder politiemensen niet afwezig. Zo meent een wijkagent dat voor jeugddelinquenten vaak een combinatie nodig is van een ‘niet-vrijblijvende aanpak’, intensieve hulpverlening en begeleiding naar werk (zie hoofdstuk 4).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het onderwerp straffen is sprake van een stijgende reeks: bij het opvolgende onderdeel van de strafrechtketen is de tevredenheid over het strafklimaat hoger. Politiemensen zijn het meest ontevreden over de straffen die worden opgelegd en rechters oordelen daar het meest positief over. Daarbij geldt dat de verwachting dat opvattingen over straffen tussen politie en magistratuur fundamenteel verschillen, ook bij dit onderwerp niet uitkomt. Hoewel onder officieren van justitie en rechters minder sterk dan onder politiemensen, is ook onder hen sprake van onvrede over de strafrechtelijke aanpak van een deel van de criminaliteit en wordt in individuele gevallen een hardere aanpak wenselijk geacht. Echter, waar politiemensen in meerderheid pleiten voor strengere straffen, met name vanwege aanhoudende problemen met veelplegers en ‘doorgewinterde criminelen’, leggen officieren van justitie en rechters meer nadruk op de noodzaak van versterking van de opsporing, verkorten van doorlooptijden en wordt door hen (en met name door rechters) ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ meer benadrukt. Het strafrecht wordt daarbij vooral door rechters nadrukkelijk als ultimum remedium beschouwd.
De meeste officieren van justitie delen niet in de kritiek van veel politiemensen dat met name veelplegers en jeugdige delinquenten te mild worden gestraft in Nederland. Onder meer door de huidige ISD-maatregel en na invoering van ZSM zou de strafrechtelijke aanpak van recidivisten en veelplegers al strenger zijn geworden en zijn verbeterd, zo menen zij. Wel zou een deel van de officieren, net als veel politiemensen, meer nadruk willen zien op de door de samenleving ervaren overlast van vooral kleine criminaliteit en minder willen kijken naar de strafopbouw volgens de strafmaxima in het strafrecht. Zij pleiten daarnaast, evenals veel politiemensen, voor een hardere aanpak: minder taakstraffen, hogere (gevangenis)straffen en uitbreiding van de ISD-maatregel. Zowel politiemensen, als officieren van justitie hechten daarbij veel belang aan het incapacitatie-effect van gevangenisstraf en de ISD-maatregel. Ook zien zij meer dan rechters ‘expressieve normering’ (Garland, 2001) als belangrijke taak voor het strafrecht. Het strafrecht moet onder meer criminelen afschrikken en kan dienen om het gezag van de politie te bevestigen. Rechters zijn vaker uitgesproken kritisch over de opvattingen van politiemensen en vaker sceptisch over de waarde van afschrikking. De straftoemeting in een individueel geval beschouwen rechters als maatwerk en daarbij vinden ze dat rekening gehouden moet worden met de straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.
Geen enkele rechter pleit tijdens de interviews voor uitbreiding van de ISD-maatregel. Een kleine minderheid van de geïnterviewde rechters zegt het vertrouwen in de goede voornemens van delinquenten deels kwijt te zijn, evenals in de effectiviteit van zorg en hulpverlening. Het zoeken van de oplossing in hogere straffen, eerder ‘punitief pragmatisme’ genoemd, lijkt onder hen minder voor te komen dan onder de geïnterviewde politiemensen en officieren van justitie, al is gevangenisstraf in hun ogen soms wel een ‘noodzakelijk kwaad’. Hoewel gevangenisstraf volgens veel rechters grote nadelen kent, is er volgens hen niet altijd een alternatief om problemen die delinquenten veroorzaken op korte termijn te voorkomen. Daarbij reageren rechters soms, net als politiemensen en officieren van justitie, op een ervaren ‘roep uit de samenleving’ en een behoefte aan genoegdoening voor slachtoffers van criminaliteit. Regelmatig wordt daarbij aangenomen dat de samenleving hogere straffen wenst.
Van de drie onderzochte groepen lijken de rechters het meest beducht voor ongewenste neveneffecten bij straffen (met name bij minderjarige en jeugdige verdachten). De delinquent moet vooral in staat worden gesteld zijn gedrag te veranderen. Zo bestaat onder de rechters enige scepsis over de in dit opzicht als te beperkt ervaren invulling van de ISD-maatregel. Deze komt volgens sommigen te veel neer op ‘kale opsluiting’.
Meer dan politiemensen en officieren van justitie lijken rechters bij hun opvattingen over straffen uit te gaan van de situatie van de verdachte. Zo lijkt het hen er vaak minder om te gaan of (bijvoorbeeld) een taakstraf overkomt als een ‘flinke’ op vergelding gerichte straf en is eerder het doel dat de delinquent er lering uit trekt of er positief door wordt beïnvloed. Ook enkele officieren van justitie menen dat in plaats van een hardere aanpak meer aandacht voor individueel maatwerk nodig is. In deze opvatting staat, net als bij veel rechters, het voorkomen van recidive, of met andere woorden ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, centraal. Daarbij is men van mening dat meer dan nu gebruik zou moeten worden gemaakt van alternatieven voor strafrechtstoepassing.1 Rechters zijn soms, net als veel politiemensen en officieren van justitie, wel gefrustreerd over gevallen van hardnekkige recidive, maar velen van hen menen dat straffen averechts werkt: ‘Het is vaak recidive verhogend wat we doen, daar wordt de samenleving gevaarlijker van. Dat is [wetenschappelijk] aangetoond.’
Zowel officieren van justitie als rechters zeggen tijdens de interviews slechts beperkt zicht te hebben op de effecten van sancties die worden opgelegd. Ook lijkt men in het algemeen niet over uitgebreide wetenschappelijke kennis te beschikken over effecten van straffen. Toch beschouwen sommige officieren van justitie en rechters het als hun taak rekening te houden met eventuele negatieve neveneffecten van straffen. Mogelijk als gevolg hiervan is het voor sommige rechters moeilijk te begrijpen dat in hun ogen momenteel veel nadruk ligt op vergelding in de strafrechtspleging.
Opvallend zijn de uiteenlopende opvattingen over de straffen die aan minderjarige delinquenten worden opgelegd. In de ogen van een deel van de officieren van justitie wordt door kinderrechters te weinig rekening gehouden met recidive en wordt ‘contextinformatie’ (bijvoorbeeld over overlast die betreffende jongere in de buurt veroorzaakt) te weinig in de straftoemeting betrokken. Net als politiemensen hebben officieren van justitie regelmatig de indruk dat kinderrechters te weinig onderscheid maken tussen verschillende jeugdige verdachten. Volgens hen moet vaak eerder de ‘pedagogische aanpak’ worden losgelaten en moet dan meer de nadruk liggen op straf. Ook van commune strafrechters krijgt het werk van kinderrechters kritiek. Sommigen van hen zijn daarom zelf gestopt als kinderrechter. Ze zijn van opvatting dat de in het jeugdrecht gebruikelijke sancties te weinig aansluiten bij de behoefte aan duidelijke strafrechtelijke reacties. Gemeend wordt dan dat minderjarige delinquenten vaker door middel van straf duidelijk gemaakt moet worden dat ze op de verkeerde weg zijn en hun gedrag moeten verbeteren of dat misdaad niet loont. Ook hier lijkt het te gaan om een behoefte aan ‘expressieve normering’ (vgl. Garland, 2001). De geïnterviewde kinderrechters hebben zelf soms ook het gevoel machteloos tegenover recidive te staan, maar denken niet dat zwaarder straffen recidiverende jongeren helpt om toekomstig crimineel gedrag te voorkomen.
Kortom, politiemensen zijn in hun opvattingen over straffen het meest gericht op een ‘harde aanpak’ en rechters zien het strafrecht het vaakst als ultimum remedium en eventueel als een bijdrage aan ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ (zie ook hoofdstuk 2). Opnieuw geldt dat tussen de onderzochte groepen niet alleen verschillen bestaan, maar ook overeenkomsten. In alle drie de onderzochte groepen komen zowel opvattingen voor die aansluiten bij ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, als opvattingen die bij een ‘harde aanpak’ passen.