Zie HR 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3596, r.o. 3.5, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:944, r.o. 2.4, HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1201, r.o. 2.4 en HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:231, r.o. 3.4.
HR, 03-09-2024, nr. 22/03387
ECLI:NL:HR:2024:1114
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-09-2024
- Zaaknummer
22/03387
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1114, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑09‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:484
ECLI:NL:PHR:2024:484, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1114
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0188
Uitspraak 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Vrijspraak t.z.v. aanhitsen van hond, art. 425.1 Sr. Onttrekking aan het verkeer van hond, art. 36b.1.3 Sr. Verdachte is vrijgesproken van tlgd. Rechter is dus niet toegekomen aan vraag of sprake was van strafbaar feit. Nu onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen hond is bevolen maar uitspraak van hof niets inhoudt over vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan art. 36b.1.3 Sr. HR gelast teruggave van hond aan verdachte.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03387
Datum 3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2022, nummer 21-001059-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond, tot het gelasten van teruggave van de inbeslaggenomen hond aan de verdachte en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de onttrekking aan het verkeer is bevolen zonder dat is vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 januari 2019 te [plaats] , een hond (ras: Duitse herder, naam: [naam] ) heeft aangehitst op [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] .”
2.2.2
De verdachte is hiervan vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof stelt vast dat sprake is geweest van een hectische situatie. Maar slechts één van de aanwezige verbalisanten heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd: “Pak ze”. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte - zoals hij zelf ook heeft verklaard - steeds de hond heeft vastgehouden en heeft geprobeerd op te sluiten in de wc en badkamer, al is er wel discussie over de vraag waarom verdachte de deurklink bleef vasthouden.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak weliswaar wettig bewijs voorhanden is, maar dat de overtuiging ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanhitsen van zijn hond, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.”
2.2.3
Verder is de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven hond van het ras Duitse herder, genaamd [naam] . Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
“Wel zal het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen (en inmiddels overleden) hond bevelen. De hond is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar een feit waarvan verdachte verdacht werd (de mishandeling van zijn stiefdochter) en het feit waarvan hij verdachte werd (het ophitsen van een dier), terwijl de hond kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
2.3
Artikel 36b lid 1, aanhef en onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:
(...)
3º bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.”
2.4
De verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechter is dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond is bevolen maar de uitspraak van het hof niets inhoudt over de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan artikel 36b lid 1, aanhef en onder 3º, Sr.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de hiervoor genoemde inbeslaggenomen hond;
- gelast de teruggave van de hond aan de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.
Conclusie 21‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onttrekking aan het verkeer van hond. Nu verdachte is vrijgesproken en bestreden uitspraak niets inhoudt omtrent vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan wettelijk vereiste van art. 36b.1 Sr. Conclusie strekt tot vernietiging van onttrekking aan het verkeer en tot gelasting van teruggave van hond aan verdachte.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03387
Zitting 21 mei 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 6 september 2022 vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het hof heeft de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven hond aan het verkeer onttrokken.
Namens de verdachte heeft J. Biemond, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof ondanks de vrijspraak – en dus op basis van een onjuiste en/of onbegrijpelijke motivering, althans in strijd met de wet – heeft beslist tot onttrekking aan het verkeer van de hond.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“Hij op of omstreeks 9 januari 2019 te [plaats] , een hond (ras: Duitse herder, naam: [naam] ) heeft aangehitst op [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] ”.
5. Het hof heeft de verdachte – anders dan de rechtbank in eerste aanleg – hiervan vrijgesproken. Deze vrijspraak heeft het hof als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof stelt vast dat sprake is geweest van een hectische situatie. Maar slecht één van de aanwezige verbalisanten heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd: “Pak ze”. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte - zoals hij zelf ook heeft verklaard - steeds de hond heeft vastgehouden en heeft geprobeerd op te sluiten in de wc en badkamer, al is er wel discussie over de vraag waarom verdachte de deurklink bleef vasthouden. Het hof is van oordeel dat in deze zaak weliswaar wettig bewijs voorhanden is, maar dat de overtuiging ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanhitsen van zijn hond, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.”
6. Het hof heeft vervolgens het volgende beslist:
“Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een hond (ras: Duitse herder, naam: [naam] ).”
7. Deze beslissing heeft het hof als volgt gemotiveerd:
“Wel zal het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen (en inmiddels overleden) hond bevelen. De hond is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar een feit waarvan verdachte verdacht werd (de mishandeling van zijn stiefdochter) en het feit waarvan hij verdachte werd (het ophitsen van en dier), terwijl de hond kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
8. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Art. 36b lid 1 onder 3° Sr:
“1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:
[...]
3° bij de rechtelijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.”
- Art. 36d Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
9. Uit de motivering van het hof kan worden afgeleid dat het hof de onttrekking aan het verkeer heeft gebaseerd op art. 36d Sr. Het hof heeft evenwel miskend dat onttrekking aan het verkeer bij een vrijspraak op grond van art. 36b lid 1 onder 3° Sr slechts kan worden uitgesproken als in de uitspraak wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan. Nu het hof vanwege de vrijspraak in het kader van het beslissingsschema van art. 350 Sv niet is toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit en het arrest ook voor het overige niets inhoudt over de vaststelling van enig strafbaar feit, is aan dat vereiste niet voldaan.1.
10. Het middel is terecht voorgesteld.
11. Ik meen dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de uitspraak van het hof te vernietigen wat betreft de uitgesproken onttrekking aan het verkeer, met daarbij het gelasten teruggave van de hond aan de verdachte. Nu uit de schriftuur en uit de opmerkingen van de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg (zie het proces-verbaal van 21 februari 2020) kan worden opgemaakt dat de hond als gevolg van een miscommunicatie is geëuthanaseerd, komt een bevel tot teruggave van de reeds overleden hond wellicht wat vreemd voor. Toch lijkt me dat de meest passende uitkomst in deze zaak. Dat een voorwerp reeds vernietigd is, laat immers onverlet dat de strafrechter op grond van art. 353 Sv een beslissing dient te geven over het inbeslaggenomen voorwerp. Omdat ik in de onderhavige zaak geen gronden zie voor een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de hond, zal het hof op grond van art. 353 Sv bij terugwijzing niet anders kunnen dan het gelasten van de teruggave van de hond. Als die teruggave zoals in de onderhavige zaak feitelijk niet meer mogelijk is, is art. 119 lid 2 Sv, dat voorziet in uitbetaling, van overeenkomstige toepassing.2.
Slotsom
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond, tot het gelasten van teruggave van de inbeslaggenomen hond aan de verdachte en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑05‑2024
Vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5210, r.o. 3.3.