WFR 2024/344
Het touwtje van Leo Stevens
Mr. W.J.M. Vennix RB, datum 09-12-2024
- Datum
09-12-2024
- Auteur
Mr. W.J.M. Vennix RB1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992882:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Belastingadviseur
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wil Vennix is partner bij De Beer Accountants & Belastingadviseurs in Tilburg en lid van de redactie van het Weekblad Fiscaal Recht.
Jan Terlouw (1931) was partijleider van D66, minister en Tweede Kamerlid en is daarnaast bekend als schrijver van bekende (kinder)boeken als Koning van Katoren en Oorlogswinter. Zijn toespraak is eenvoudig te vinden op Youtube met de trefwoorden ‘Jan Terlouw touwtje DWDD’.
MediaCourant 3 december 2017.
Een actueel voorbeeld is de regeling voor geven uit de BV: ingevoerd per 1 januari 2024 en alweer afgeschaft per 1 januari 2025 (de reguliere giftenaftrek in de vennootschapsbelasting is na een amendement wel gehandhaafd).
Willem Vermeend heeft van Leo’s voorwerk dankbaar gebruikgemaakt bij het voorbereiden van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling (ingevoerd in 1997). Met de samen met Koen Caminada opgestelde ‘Blauwdruk voor belastinghervorming’, WFR 2017/101, is helaas niets gedaan.
Uit automatisme had ik bijna ‘Shell en Unilever’ geschreven, maar de hoofdkantoren daarvan zijn we door ons bedrijfsonvriendelijke en onvoorspelbare beleid al kwijtgeraakt.
Dat de wetgever heeft besloten om aan de niet-bezwaarmakers (lees: degenen die vertrouwd hebben op de wetgever) geen rechtsherstel te bieden, zie ik als een enorme fout. De schade voor de belastingmoraal kan moeilijk worden overschat.
Zie bijvoorbeeld het artikel ‘Pensioen: oudedagsvoorziening of fiscale aftrekpost?’, een tweegesprek tussen Leo en belastingadviseur Frans Schuurbiers, door mij opgetekend in Tribuut 1996/6.
Aldus een uitspraak van DGBel Jaap Uijlenbroek in het WFR Fiscaal Café op 16 november 2017, hetgeen hem (m.i. terecht) een scherpe reactie van Leo opleverde (zie WFR 2018/11).
In 2017 schreef Leo Stevens een column in het Weekblad naar aanleiding van ‘het touwtje van Terlouw’. De auteur reflecteert op een aantal aspecten in deze column, dit alles rondom het thema (herstel van) vertrouwen.
1. Afscheid van een fiscaal icoon
Het einde van een tijdperk. Zo kunnen we het terugtreden van Leo Stevens uit de redactie van het Weekblad Fiscaal Recht zonder overdrijving betitelen. Gedurende vele decennia heeft Leo een zeer prominente rol vervuld binnen de fiscale wereld in Nederland in het algemeen en in de redactie van het Weekblad in het bijzonder. Natuurlijk laat de redactie deze bijzondere gebeurtenis niet onopgemerkt voorbijgaan. Dit bijzonder nummer is een eresaluut aan een zeer actief en creatief redactielid, van wie we hopen dat hij nog lang als auteur en lezer bij ons betrokken blijft. Mijn bijdrage aan dit afscheidsnummer bouwt voort op een column van Leo van acht jaar geleden die nog verrassend actueel is.
2. Het touwtje van Terlouw
Op 3 december 2016 was oud-politicus Jan Terlouw2 ter gelegenheid van zijn 85e verjaardag te gast in het toen zeer populaire tv-programma De Wereld Draait Door. In afwijking van het gebruikelijke format van korte en snelle items, kreeg Terlouw van presentator Matthijs van Nieuwkerk volop de ruimte om zich tot de Nederlandse bevolking te richten. Terlouw hing zijn betoog op aan het verschijnsel uit zijn jeugd (in de wederopbouwjaren na de oorlog) om een touwtje uit de brievenbus te laten hangen waarmee kinderen, buren en andere bezoekers de deur konden openen. Dat touwtje stond voor hem voor ‘vertrouwen in elkaar’.
Anno 2016 was dat vertrouwen volgens Terlouw helaas verdwenen en omgeslagen in wantrouwen. Wantrouwen in elkaar en zeker ook wantrouwen in de politiek. “Een ondernemer vertelde me dat hij, als hij een brug wil bouwen, meer juristen nodig heeft dan ingenieurs.” Zijn zorg richtte zich echter vooral op het klimaat, “de verwoesting van de aarde als gevolg van de welvaart” en de toekomst voor de jeugd. Als oplossing zag hij dat we weer vertrouwen moeten krijgen in elkaar en de politiek.
Zijn optreden maakte destijds veel los en raakte bij velen een gevoelige snaar. Er was ook kritiek, onder meer dat zijn betoog obligaat was en getuigde van valse nostalgie. Later lichtte Terlouw overigens toe dat zijn betoog niet letterlijk genomen moest worden:
“Dat touwtje was natuurlijk een beetje nostalgie. Ik gebruikte het een paar keer als metafoor. Ik weet ook wel dat je geen touwtje uit je brievenbus kunt laten hangen.” 3
Kortom, de crux van zijn betoog was het herwinnen van het verloren vertrouwen.
3. Column ‘Het touwtje van Terlouw’ (WFR 2017/14)
Het is niet verrassend dat het betoog van Terlouw voor Leo Stevens inspiratie was voor een WFR-column. Allereerst vindt Leo het belangrijk dat het Weekblad een platform is voor maatschappelijke discussie en daarbij (meer) moet inspelen op de actualiteit. Daarnaast zie ik persoonlijk ook wel enige gelijkenis tussen domineeszoon Jan Terlouw en Leo. Want hoewel van origine een katholieke Limburger heeft Leo onmiskenbaar een sterke zendingsdrang, die een dominee niet zou misstaan. En ook verder zie ik trekjes in zijn levenshouding en gedrag die je als calvinistisch zou kunnen betitelen. Zo is Leo een harde werker, zeer gedisciplineerd en wars van luxe. Hij is nooit gezwicht voor het grote geld en strijdt onvermoeibaar voor een rechtvaardiger en beter belastingstelsel.
Leo begint zijn column met de vaststelling dat hij, met vele anderen, is geraakt door het betoog van Terlouw. Hij constateert dat nostalgische herkenning daarbij een rol speelt. Zijn herkenning gaat echter verder dan het touwtje. Het betoog van Terlouw ging zoals gezegd over vertrouwen, en Leo trekt dat thema door naar de fiscaliteit en werkt het uit in een aantal aspecten. In de hierna volgende paragrafen reflecteer ik op enkele van die aspecten.
4. Vertrouwen in de fiscale wetgever
Leo linkt in zijn column het afgenomen vertrouwen in de wetgever sterk, zo niet volledig, aan de ‘overtrokken instrumentalisering’. Hij zet dit stevig aan: de politiek gelooft (te) sterk in de maakbaarheid van de samenleving en maakt daarbij volop gebruik van de belastingwetgeving als instrument. Lobbyisten krijgen het voor elkaar dat wetswijzigingen worden aangenomen die deelbelangen dienen. ‘Brede lagen van de bevolking’ ervaren het zo dat, áls de belastingwetgeving al de beoogde effecten bereikt, de vruchten daarvan zeker niet in hún portemonnee terechtkomen. Dit maatschappelijke ongenoegen leidt volgens hem tot een ‘tanende fiscale moraliteit’, daarom is het tijd voor herbezinning.
Los van de polemische kort-door-de-bocht-toon – het is immers een column – vind ik dat Leo hiermee doorschiet. Het verminderde vertrouwen in overheid, politiek en wetgever speelt immers veel breder dan alleen in de fiscaliteit. Dat neemt echter niet weg dat ik zijn kritiek op het doorgeschoten instrumentalisme volledig deel. Terecht dat Leo hier onverminderd tegen blijft strijden, maar effect lijkt die strijd helaas nauwelijks te hebben.
Zo vroeg de redactie van het Weekblad al in 2002 een aantal politici en fiscalisten om te reageren op de stelling ‘De fiscale kerstboom moet verder worden afgetuigd’.4 Mijn bijdrage hieraan had als kop ‘Vertrouwen in de belastingwetgever’. De kern van mijn betoog was dat de wetgever zeer terughoudend moet zijn met instrumenteel gebruik van de belastingwetgeving, zeker als het geen globale, maar specifieke maatregelen betreft. Het effect van dat soort regelingen is nauwelijks te meten, maar ondertussen vieren bureaucratie en regelfetisjisme hoogtij. En nog erger dan het invoeren van fiscale cadeautjes is om ze eerst in te voeren en na enkele jaren weer af te schaffen. Dat komt neer op het uitdelen van snoepjes aan kinderen op het schoolplein, om die even later weer af te pakken. In theorie zijn de kinderen per saldo niets kwijtgeraakt en toch zullen het verdriet en de woede groot zijn. Een wetgever die geen cadeautjes uitdeelt, wordt mogelijk niet populair, maar wie ‘snoepjes’ uitdeelt en later weer afpakt, creëert wantrouwen en wrok. Het is dodelijk voor het broodnodige vertrouwen in de wetgever.5
Leo stipt door een verwijzing naar de ‘nog steeds niet opgeruimde rommelzolder van Wiebes’ zijdelings ook het thema vereenvoudiging aan. Ook daar pleit hij al zijn hele wetenschappelijke leven hartstochtelijk voor. Niet alleen door kritiek te hebben op bestaande of voorgenomen regels, maar vaak ook door concrete alternatieven te presenteren. Een enkele keer maakt de wetgever daar dankbaar gebruik van, maar veel vaker beletten budgettaire beperkingen en politiek kortetermijndenken dat de constructieve voorstellen serieus in overweging worden genomen. Het is in Leo zeer te prijzen dat hij zich daardoor niet heeft laten afschrikken en altijd constructief is blijven meedenken.6
5. Belastingontwijking en belastingontduiking
Vervolgens noemt Leo in zijn column de termen belastingontwijking en belastingontduiking. Hij stelt vast dat ‘in de niet-professionele beleving’ deze begrippen op één hoop worden geveegd. Tot mijn verrassing toont Leo begrip voor deze vereenzelviging. Het is in zijn ogen in elk geval niet zinvol als multinationals uitdragen dat ze met hun tax planning niets strafbaars hebben gedaan, want dat maakt de maatschappelijke verontwaardiging alleen maar groter. Ik vind dat Leo hier wel erg meewaait met de populistische kritiek van bepaalde media, sommige ngo’s en de social media. Zonder basale kennis van de belastingwetgeving worden daar met enige regelmaat bedrijven en personen afgebrand, terwijl ze volledig binnen de wettelijke kaders hebben gehandeld. Volstrekt legale structuren worden daarbij geframed als belastingontwijking, en ‘dus’ als belastingontduiking. Verweer voeren tegen de publicitaire ophef die hierdoor ontstaat, is meestal kansloos. Het devies is immers: niet wrijven in een vlek! En mocht na enige tijd uit fatsoenlijk onderzoek blijken dat er niets aan de hand was, dan krijgt het bericht daarover nauwelijks aandacht, want goed nieuws is geen nieuws.
Ik heb dan ook moeite met de oproep van Leo om ‘de brede maatschappelijke verantwoordelijkheid te erkennen en de fiscale naleving te organiseren in samenspraak met de relevante stakeholders.’ Wat zegt hij hiermee? Dat ASML en ING7 investeringsbeslissingen eerst langs Oxfam Novib sturen om te zien of die club er een goed (onderbuik)gevoel bij heeft? De inspecteur mag niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten, maar de ngo mag dat wel? Laten we alsjeblieft onze bedrijven de ruimte geven om te ondernemen en geld te verdienen. Anders is van belastingopbrengst sowieso geen sprake. Bepaalde groepen in Nederland zijn erg goed in het bedenken hoe het geld moet worden verdeeld zonder zich te realiseren dat er niets te verdelen valt als er niets wordt verdiend.
De enige oplossing die echt werkt om ongewenste belastingontwijking aan te pakken, is volgens mij betere wetgeving. Het BEPS-project heeft hier inmiddels al grote stappen in gezet. Deels worden daarmee terecht gaten gedicht en constructies de pas afgesneden. Er zijn echter ook schaduwzijden. Leo noemt in zijn column al dat er in de anti-BEPS-maatregelen van de EU en OESO bedroevend weinig aandacht is voor rechtsbescherming. Als tweede schaduwzijde voeg ik daaraan toe dat maatregelen die bedoeld zijn om belastingconstructies van multinationals aan te pakken per saldo vaak juist het (nationaal opererende) midden- en kleinbedrijf raken. Dit is vooral duidelijk bij de diverse renteaftrekbeperkingen. Dergelijke bepalingen zijn doorgaans bedoeld om te voorkomen dat de Nederlandse winst wordt gedrukt en de rente neerslaat in een belastingparadijs. Helemaal terecht dat daar paal en perk aan gesteld wordt, maar in puur binnenlandse verhoudingen is het risico van dubbele belasting levensgroot: geen renteaftrek bij de debiteur, wel heffing bij de crediteur. Neem de voorgestelde aanscherping van de earningsstrippingmaatregel, waar de Tweede Kamer gelukkig een stokje voor gestoken heeft. Het kabinet bleef ondanks de kritiek ijzerenheinig spreken over de ‘antifragmentatiemaatregel’ en bestrijding van misbruik, terwijl het gevolg in binnenlandse verhoudingen dubbele belasting zou zijn geweest.
6. Vertrouwen in de adviseur
Het vorige onderwerp raakt volgens Leo ook de belastingadviseur. Vooral als die ‘de wet toepast op het scherpst van de snede en denkt geen boodschap te hebben aan de maatschappelijke reactie die dit oproept voor zijn cliënt of – in afgeleide vorm – voor zijn beroepsgroep.’ In de stelling dat belastingadviseurs zich bewust moeten zijn van hun maatschappelijk functie, kan ik me volledig vinden. In mijn beleving is het merendeel dat ook en zijn de meeste collega’s vooral bezig om hun cliënten door de fiscale jungle van alsmaar complexer wordende regelgeving te leiden zonder dat ze in fiscale valkuilen stappen. De meeste ondernemers snappen prima dat ze belasting moeten betalen, alleen niet onnodig en zéker niet dubbel.
Ik heb wel moeite met Leo’s oproep als die tot gevolg zou hebben dat adviezen die volstrekt legaal zijn maar niettemin ophef veroorzaken, niet bewandeld mogen worden. Neem bijvoorbeeld de spaar-BV. Jarenlang heeft de overheid zonder compassie meer box 3-belasting geheven over spaargeld dan dat het aan rente opbracht (over de inflatie heb ik het dan nog niet eens). Dat een adviseur zijn cliënt dan een spaar-BV aanraadt, is voor mij niet alleen acceptabel, het is bijna een beroepsfout als je het níét hebt gedaan. In plaats van in box 3 werd dan in box 2 geheven, niets aan de hand dus. Niettemin werd dit op Financiën en binnen de Belastingdienst gezien als een ongewenste constructie. Ik zou wensen dat degenen die destijds de spaar-BV wilden bestrijden, bij nader inzien beseffen dat het volstrekt legitiem was dat belastingplichtigen binnen de wettelijke kaders aan de onrechtvaardig ervaren box 3-heffing wilden ontkomen. Te meer nu we sinds het kerstarrest weten dat die box 3-heffing niet alleen onrechtvaardig was, maar zelfs ronduit in strijd met het recht.8
Het voorgaande betekent bepaald niet dat ik zou stellen dat de adviespraktijk het altijd goed ziet. Ook die sector wordt soms meegesleept door de waan van de dag en eigenbelang, want niets menselijks is ook belastingadviseurs vreemd. Zo zou men de vraag kunnen stellen of het achteraf bezien in het belang van de cliënten is geweest om (voor sommigen enorme) pensioenvoorzieningen op te bouwen. Leo hamerde er in die tijd voortdurend op dat pensioen primair als oudedagsvoorziening moest worden gezien in plaats van als fiscale aftrekpost.9 Bovendien had de hijgerigheid waarmee de adviespraktijk het eigenbeheerpensioen probeerde ‘uit te melken’ vervelende gevolgen voor het pensioendossier als geheel: het dga-staartje kwispelde de pensioenhond. Jaren later ontstonden vooral – maar niet alleen – door de lage rekenrente grote knelpunten. De uitfasering in 2017-2019 heeft voor de meesten de scherpste kantjes er wel vanaf gehaald, maar daarmee zijn niet alle problemen opgelost.
Nu stellen dat dit destijds nooit geadviseerd had mogen worden, vind ik echter te gemakkelijk. Bedenk dat het tarief van de vennootschapsbelasting toen zo hoog was (aanvankelijk zelfs tot 47%), dat ondernemers elke aftrekpost enthousiast aangrepen. Een adviseur die daar niet aan meedeed omdat hij op lange termijn problemen voorzag, was zijn cliënten waarschijnlijk kwijtgeraakt aan de concurrent die deze service wel wilde verlenen. Dat doet echter aan de juistheid van de waarschuwingen van Leo niets af.
7. Vertrouwen in de inspecteur
Opvallend genoeg komt de inspecteur, of breder de Belastingdienst, niet aan de orde in de column van Leo. De toeslagenaffaire was op dat moment nog niet naar buiten gekomen, maar niettemin speelde de Belastingdienst ook toen al een prominente rol als het gaat om vertrouwen in de overheid. Voor het jaarsymposium 2018 van de inspecteursvereniging VHMF heeft Leo een inspirerende voordracht gegeven die hij later heeft uitgewerkt tot een boek onder de titel Vertrouwen in de toekomst, vertrouwen in elkaar. Ook hier was vertrouwen dus weer het centrale thema.
In de congresbijdrage en in het boek schetst Leo hoe toegewerkt moet worden naar ‘een geloofwaardig functionerende Belastingdienst’. Alles begint voor Leo bij een rechtsstatelijke opstelling van de fiscus:
“De Belastingdienst (is) geen belangenbehartiger van de staat in die zin dat hij ervoor moet zorgen dat de opbrengst van de schatkist wordt gemaximaliseerd. De Belastingdienst moet de belastingwetgeving onpartijdig uitvoeren en zich inspannen een juiste rechtsbedeling te realiseren. Hij moet zich bovendien steeds bewust zijn van zijn asymmetrische machtspositie tegenover de burger en daar ook rekening mee houden.”10
Een open deur wellicht, maar toch goed dat Leo dit principe vaak herhaalt. En het begrip ‘magistratelijkheid’ dat hij hieraan heeft verbonden, vind ik echt een schot in de roos. Dat benoemt voor mij exact hoe de Belastingdienst zich zou moeten opstellen.
Twee begrippen wil ik hierbij nog kort aanstippen. Het eerste is het freies Ermessen, ofwel de handelingsvrijheid van de individuele medewerker van de Belastingdienst. Persoonlijk zou ik de kramp van de eenheid van beleid en uitvoering graag ingewisseld zien voor meer vertrouwen in de professionele instelling van de inspecteur en daarmee meer bewegingsruimte om op de werkvloer tot goede oplossingen te komen. Het tweede begrip hoort daar onlosmakelijk bij: vooroverleg. Buiten horizontaal toezicht is dit helaas een ‘schaars goed’,11 en dat zou niet zo mogen zijn. Vooroverleg is niet alleen noodzakelijk gelet op de huidige complexiteit van de wetgeving, het kan ook nog eens veel problemen en geschillen bij de uitvoering voorkomen.
8. Afsluiting
Het betoog van Jan Terlouw ging in feite over (herstel van) vertrouwen en Leo heeft daar in zijn Weekblad-column op voortgebouwd. Vertrouwen is een thema dat in het denken en de publicaties van Leo veelvuldig terugkomt. Hij is geen letterknecht of formalist maar baseert zich liever op regelgeving die door innerlijke overtuiging wordt gedragen. Vertrouwen van de burger in de overheid en de wetgever, vertrouwen van de top van de Belastingdienst in de mensen op de werkvloer, vertrouwen over en weer tussen fiscus en belastingadviespraktijk – voor Leo zijn dit steeds belangrijke thema’s geweest. Het ‘touwtje van Leo Stevens’ staat voor mij voor het streven naar onderling vertrouwen, begrip voor elkaars positie en de wens om er gezamenlijk uit te komen, ook in de fiscaliteit.
Ik sluit af met een persoonlijke noot. Leo, onze kennismaking dateert uit 1991. Ik begon mijn carrière als fiscaal redacteur bij de toenmalige Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs en jij schreef artikelen voor het verenigingstijdschrift Tribuut en trad veelvuldig op als adviseur en spreker. Vanaf het begin waren onze contacten warm en onze relatie is in de meer dan dertig jaar sindsdien verder gegroeid en geïntensiveerd. Bij de Federatie, later het Register Belastingadviseurs, en vanaf 2005 binnen de redactie van het WFR kwamen we elkaar regelmatig tegen. Behalve over belastingen gingen onze gesprekken – onder meer tijdens onze gezamenlijke autoritten van Prinsenbeek naar Den Haag en terug – over duizend en een andere onderwerpen, ook op persoonlijk vlak. Ik heb jouw luisterend oor en je vaderlijke adviezen daarbij altijd zeer gewaardeerd. Bedankt voor je vriendschap en ik hoop dat fiscaal Nederland, het Weekblad en ikzelf nog vele jaren een ‘touwtje’ met jou mogen hebben.