Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.3.1.2
5.3.3.1.2 Doorlopende informatierechten
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971925:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie naast de hiervoor besproken beschikking inzake Brouwer Bloembollen (par. 5.2.4.3).
Zo valt ook te denken aan, bijvoorbeeld, de eenpersoonsvennootschap of de DGA-vennootschap. In die beide gevallen zal geen scheiding zijn tussen kapitaal en leiding, maar neemt de groot- of enig aandeelhouder zitting in het bestuur. In dergelijke gevallen speelt het leerstuk van informatierechten van aandeelhouders echter niet, omdat de betrokken aandeelhouder reeds uit hoofde van zijn vertegenwoordiging in het bestuur volledige toegang zal hebben tot informatie van de vennootschap.
Zie voor een genuanceerder beeld Van den Ingh 1996.
Dit is een bewerking van mijn annotatie bij Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure). Zie in dit verband ook Lennarts 2023, p. 119 e.v.
Zie ook mijn noot bij Allure onder JOR 2021/296, par. 9: “In Brouwer Bloembollen was echter sprake van een klassieke quasi-vof waarin twee broers, die nauw waren verknocht aan “hun” familiebedrijf, op gelijkwaardige basis samenwerkten. Het samenwerkingsverband tussen deze broers was weliswaar gestructureerd in een bv, maar van een wezenlijke scheiding tussen kapitaal en leiding was geen sprake. Ik acht een doorlopend informatierecht dan gerechtvaardigd.”
Zie Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.8, dit betrof “besluiten tot (verlenging van) benoeming en tot ontslag van bestuurders en commissarissen van Steenfabriek of BBBZ, de gewenste samenstelling van organen van BBBZ en Steenfabriek, het functieprofiel van te benoemen functionarissen, het wervings- en selectieproces en – uiteindelijk – de keuze van de kandidaten”.
Vgl. HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 m.nt. J.M.M. Maeijer (HBG), waarin een dergelijke consultatieplicht in een beursvennootschap werd verworpen.
Zie Olaerts 2019, p. 377 e.v.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 138; Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, par. 3.2.1; en Van den Ingh 1996, p. 193.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 1996, JOR 1996/70 (Philips/VEB), r.o. 4.13: “In beginsel rust op een onderneming de verplichting de informatievoorziening dusdanig te organiseren en structureren, dat de bedrijfsleiding tijdig op de hoogte is van relevante ontwikkelingen.”
Zie in het kader van de administratieplicht ex artikel 2:10 BW Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, JOR 2004/292 (Faas/Luchtman), r.o. 8.11.2: “Gelet op de positie van VGHR als topholding was het op voormelde centrale leiding te kunnen uitoefenen noodzakelijk dat VGHR uit haar administratie snel een voldoende betrouwbaar inzicht kon verkrijgen in de vermogenspositie van VGI.”
Vgl. HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem).
Aldus ook Olaerts 2019, p. 378-379.
Zie Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.58; en Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/183 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Ergo Buildings), r.o. 3.10.
Naast het ad hoc informatierecht, kan ook sprake zijn van een doorlopend informatierecht.1 Een doorlopend informatierecht geeft aandeelhouders een algemeen recht om informatie te ontvangen over de (financiële en operationele) gang van zaken bij ‘hun’ vennootschap. Die informatie dient niet zozeer ter bescherming, maar met name ter bevordering van het aandeelhoudersbelang, bijvoorbeeld doordat aandeelhouders deze informatie kunnen gebruiken om investeringsbeslissingen te nemen of de dialoog met de vennootschapsleiding aan te gaan.
In de rechtspraak lijkt nog wel eens in het midden te worden gelaten of een informatierecht ad hoc of doorlopend van aard is. Ik meen dat terughoudendheid op zijn plaats is in het aannemen van een breed doorlopend informatierecht. Een doorlopend informatierecht is een verstrekkende afwijking van het wettelijke uitgangspunt dat aandeelhouders in beginsel geen recht hebben op informatie van de vennootschap. Doordat het informatierecht niet is gekoppeld aan een concrete gebeurtenis, is het bovendien niet altijd duidelijk welk concreet belang deze afwijking zou rechtvaardigen en op welke informatie de aandeelhouder aanspraak kan maken. Ik zie daardoor slechts in zeer uitzonderlijke gevallen ruimte voor een doorlopend informatierecht. Bepalend daarbij is de beslotenheid van de vennootschap, meer specifiek de vraag of sprake is van een (voldoende) scheiding tussen kapitaal en leiding.
Zoals ik heb toegelicht in hoofdstuk 2, vloeien informatierechten voort uit de scheiding tussen kapitaal en leiding. Deze scheiding rechtvaardigt en verklaart dat aandeelhouders in beginsel geen toegang hebben tot informatie van de vennootschap. Ik heb in paragraaf 2.3.3.2 toegelicht dat die functiescheiding echter geen binair begrip betreft, en dat de mate waarin daadwerkelijk sprake is van een scheiding tussen kapitaal en leiding afhangt van de aard van de vennootschap. In bepaalde zeer besloten samenwerkingsverbanden kan sprake zijn van een zwakke – of zelfs non-existente – scheiding tussen kapitaal en leiding. Het hiervoor geschetste principe staat dan onder druk. Een dergelijke zwakke scheiding tussen kapitaal en leiding kan mijns inziens een doorlopend informatierecht buiten vergadering op grond van artikel 2:8 BW rechtvaardigen.
Samenvattend zie ik slechts ruimte voor een doorlopend informatierecht bij dermate besloten verhoudingen dat er nauwelijks of geen scheiding is tussen kapitaal en leiding, terwijl niet alle betrokken aandeelhouders in de vennootschapsleiding zijn vertegenwoordigd.2 Onder verwijzing naar de voorbeelden uit paragraaf 2.3.3.2, illustreer ik dit principe aan de hand van quasi-VOFs en concernverhoudingen waarin sprake is van een sterke concernleiding.3
i. Quasi-VOFs4
In de quasi-VOF zijn de aandeelhouders zodanig nauw betrokken bij de onderneming, dat van een scheiding tussen kapitaal en leiding in feite geen sprake meer is. Daarbij past ook een ruim, doorlopend informatierecht. Hiervan zal met name sprake zijn in familievennootschappen. Ik wijs ter illustratie op de hiervoor besproken beschikking inzake Brouwer Bloembollen voor een klassiek voorbeeld van een quasi-VOF.5
Bij familievennootschappen komt het ook wel voor dat de ‘oude generatie’ de leiding heeft overgedragen aan de volgende generatie, maar wel nog aandelen houdt. Deze oude generatie zal veelal nauw betrokken blijven bij de onderneming, zij het dan zonder een formele rol in de vennootschapsleiding. De oude generatie zal dan veelal op informele wijze betrokken blijven bij, en invloed hebben, op de leiding. Regelmatig zal over het familiebedrijf worden gesproken, en de oude generatie zal vaak als klankbord fungeren voor de nieuwe generatie. Ook in dat geval kan de nauwe betrokkenheid van de oude generatie onder omstandigheden een doorlopend informatierecht rechtvaardigen. De Ondernemingskamer nam dit bijvoorbeeld aan in Steenfabriek, waar de kapitaalverschaffers overigens betrokken dienden te worden bij bepaalde belangrijke besluiten van de vennootschapsleiding.6 Ook dit illustreert de zwakke scheiding tussen leiding en kapitaal.7
ii. Concernverhoudingen met sterke centrale concernleiding
Informatievoorziening vormt een belangrijke pijler voor de concernleiding.8 De informatievoorziening binnen het concern dient zo te zijn ingericht dat het groepshoofd beschikt over voldoende informatie over haar concernondernemingen.9 Het groepshoofd wordt geacht op de hoogte te zijn van relevante ontwikkelingen binnen het concern10 en een betrouwbaar beeld te hebben van de vermogenspositie van de concernondernemingen.11 Onder omstandigheden kan op het groepshoofd ook een ‘haalplicht’ rusten om proactief informatie te verkrijgen van haar concernondernemingen.12
Naarmate de concernleiding sterker is, en het groepshoofd dus nauwer betrokken raakt bij de bedrijfsvoering van zijn dochters, zal het groepshoofd ook over meer informatie moeten beschikken op dochterniveau.13 Bij een sterke centrale concernleiding zal kortom sprake zijn van een zwakke scheiding tussen kapitaal en leiding. Daarbij past een doorlopend informatierecht, wat overigens ook aansluit bij de benadering van het concern als economische eenheid. In lijn hiermee, lijkt de Ondernemingskamer in enkele recente beschikkingen het concern voor wat betreft de informatierechten van aandeelhouders ook als één geheel te behandelen. In recente beschikkingen heeft zij bijvoorbeeld overwogen dat het informatierecht van aandeelhouders van het groepshoofd niet alleen ziet op informatie over die vennootschap, maar tevens over “haar groepsmaatschappijen en de daarmee verbonden onderneming”.14 Dit veronderstelt dat informatie vrij wordt uitgewisseld tussen concernondernemingen binnen de groep.