Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.2.1:3.2.1 Onderzoeksopzet deel 1: Politiemensen over strafrecht
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.2.1
3.2.1 Onderzoeksopzet deel 1: Politiemensen over strafrecht
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200831:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze lijsten werden aangepast aan de functie van de te interviewen personen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van het eerste deel van deze studie is opvattingen van politiemensen over het functioneren van het strafrecht in kaart te brengen. Bij de opzet van dit deelonderzoek zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Aangezien de aanleiding voor dit onderzoek bestond uit signalen over onvrede binnen de politie over het strafrecht (zie hoofdstuk 1), moet allereerst worden voorkomen dat dit onderzoek alleen gaat over algemene, ‘rondzingende’ verhalen van politiemensen (vgl. Waddington, 1999). Daarom is ervoor gekozen het onderzoek zoveel mogelijk te richten op concrete zaken en gevallen, waar politiemensen bij voorkeur zelf bij betrokken zijn geweest. Opvattingen over het functioneren van het strafrecht kunnen zo beter worden geduid. Ook wordt op deze manier beter zicht verkregen op achtergronden die bij deze opvattingen een rol spelen (zoals specifieke werkomstandigheden en het onderhouden van contact met slachtoffers van criminaliteit). Ten tweede moet worden voorkomen dat alleen informatie op casusniveau wordt behandeld, zonder dat duidelijk is hoe vaak bepaalde verschijnselen zich voordoen. Deze tweede overweging heeft geleid tot de keuze ook een enquête uit te voeren om zicht te krijgen op de omvang van bepaalde verschijnselen.
In de zomer van 2012 zijn zes (voormalige) regiokorpsen schriftelijk benaderd om medewerking te verlenen aan dit onderzoek. Deze zes korpsen zijn geselecteerd op basis van twee criteria. In de eerste plaats werd beoogd een gelijke verdeling te bereiken tussen randstedelijke en niet-randstedelijke korpsen. Ten tweede is bij de selectie rekening gehouden met een gelijke verdeling van decentrale en meer centraal georganiseerde korpsen. Het onderzoek heeft uiteindelijk plaatsgevonden in vier (op te richten) eenheden van de Nationale Politie. Het betreft twee Randstedelijke eenheden en twee niet-Randstedelijke eenheden. Eén daarvan was ten tijde van het veldwerk meer centraal georganiseerd. Dit deelonderzoek kent drie fasen.
Fase 1: Interviews
Het onderzoek is gestart met enkele oriënterende gesprekken. Daarbij heeft een eerste verkenning plaatsgevonden van het onderzoeksthema en is nagegaan of het onderwerp van dit onderzoek binnen de politie voldoende werd herkend. Mede op basis van deze gesprekken zijn topiclijsten1 opgesteld op basis waarvan vervolgens 28 open interviews met voornamelijk executieve politiemensen hebben plaatsgevonden. Bij de selectie van de politiemensen is rekening gehouden met een tweeledige doelstelling van de interviews. Ten eerste werd beoogd de opvattingen van politiemensen over strafrecht en strafrechtspleging tot in detail in kaart te brengen. Daarbij werd de geïnterviewde politiemensen van tevoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van zaken waarbij men betrokken was geweest en waarin in hun ogen onvoldoende strafrechtelijk is gereageerd. Tijdens de interviews is uitgebreid over deze voorbeelden gesproken. Hoewel daar niet direct naar werd gevraagd, werd door de geïnterviewde politiemensen regelmatig gewezen op relevante knelpunten binnen de politie zelf.
Ten tweede werd met de interviews beoogd informatie te verzamelen over eventuele gevolgen van (opvattingen over) uitblijvende of onvoldoende strafrechtelijke reacties voor de uitvoering van het politiewerk. Verondersteld werd dat die gevolgen met name in het politiewerk op straat zichtbaar zouden kunnen worden. Daarnaast was op basis van de oriënterende gesprekken de indruk ontstaan dat de ervaren kloof tussen politiewerk en strafrecht zich waarschijnlijk vooral zou voordoen bij veelvoorkomende criminaliteit. Beide veronderstellingen wezen in de richting van interviews met politiemensen die hiermee in de praktijk het meeste van doen hebben, namelijk binnen de noodhulp, wijkpolitie, lokale recherche en (toenmalige) districtsrecherche. Op enkele uitzonderingen na zijn alle geïnterviewde politiemensen uit deze onderdelen van de politie afkomstig.
De interviews vonden plaats op diverse politiebureaus, verdeeld over de deelnemende eenheden. Een interview nam gemiddeld een uur in beslag. De gesprekken met politiemensen werden grotendeels aan de hand van de aangedragen voorbeelden gevoerd. Daarbij werden de volgende vragen en thema’s aan de orde gesteld:
Wat is hun opvatting over het functioneren van het strafrecht? Welke concrete voorbeelden kunnen daarover meer duidelijk maken? Om welke strafrechtelijke beslissing(en) ging het in deze gevallen? Wat vonden ze in de aangedragen voorbeelden zelf belangrijk en welke strafrechtelijke reacties zijn gewenst?
Wat betekent niet-adequaat strafrechtelijk optreden in hun ogen voor de betrokkenen?
In hoeverre is het strafrechtelijk vervolg bij politiemedewerkers bekend in de genoemde voorbeelden?
Welke problemen zien ze in het functioneren van het strafrecht? Concentreren deze problemen zich bijvoorbeeld op bepaalde delicttypen en/of verdachten?
Wat zien zij als oorzaken van ervaren problemen?
Wat heeft de politie gedaan toen een adequaat strafrechtelijk vervolg uitbleef?
Hoe kijken ze aan tegen de verhouding tussen verschillende strafdoelen in de praktijk?
De interviews zijn met behulp van audio-opnames integraal uitgewerkt. Vervolgens zijn de interviewverslagen gecodeerd naar (deel)onderwerpen. Na analyse van de gespreksverslagen ontstond een tamelijk eenduidig beeld van de problemen die politiemensen ervaren op het gebied van het strafrecht en van de opvattingen en achtergronden die daarbij een rol spelen. Uit de gespreksverslagen kon een groot aantal voorbeelden van concrete zaken worden gehaald (± 70).
Fase 2: Enquête
Nadat een groot deel van de interviews was gehouden, is een internetenquête opgesteld. Deze enquête is opgedeeld in een aantal vragenblokken, voornamelijk afgeleid van de onderzoeksvragen. De resultaten van de in fase 1 gehouden interviews zijn gebruikt om de vragen te formuleren. Daarmee kon worden nagegaan hoe vaak opvattingen van geïnterviewde politiemensen en door hen gesignaleerde problemen in de praktijk voorkomen. Een klein deel van de vragen is ontleend aan andere, bestaande enquêtes, zoals het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en de Justitiemonitor (JIM). Dit maakt vergelijking mogelijk van de opvattingen van Nederlandse politiemensen met die van de Nederlandse bevolking.
De enquête is in eerste instantie getest bij vier politiemensen. Omdat de enquête veel juridische termen bevatte, is deze ook voorgelegd aan enkele strafrechtsjuristen om na te gaan of altijd de juridisch juiste terminologie werd gehanteerd. Bij het testen van de vragenlijst bleek dat de politiemensen de vragenlijst goed konden invullen, ondanks de vele juridische termen die erin zijn verwerkt. Begin 2013 is aan contactpersonen bij de politie gevraagd de enquête via e-mail uit te zetten. In drie eenheden is de enquête uitgezet binnen de hele eenheid. In één van de eenheden bleek dat praktisch onhaalbaar en is gekozen om de enquête alleen binnen het voormalige regiokorps uit te zetten. Daarbij werd telkens een steekproef van 400 personen genomen uit de executieve politiemedewerkers.
Fase 3: Analyse
Bij elkaar leidden de voorgaande onderzoeksfasen tot een grote hoeveelheid onderzoeksmateriaal. De volledig getranscribeerde interviewverslagen zijn gecodeerd met behulp van het computerprogramma Atlas en tegelijkertijd heeft de analyse van de internetenquête plaatsgevonden. Deze zijn vervolgens in combinatie geanalyseerd (overall analyse). Daarbij is vanuit de geformuleerde onderzoeksvragen en gehanteerde theoretische begrippen voortdurend gekeken ‘wat er in de data aan de hand is’ (Landman, 2015: 360) en geprobeerd tot nadere of aanvullende conceptualiseringen te komen en relaties te leggen.
Bij de analyse is er niet voor gekozen de functies van de geïnterviewde politiemensen uitgebreid te betrekken. Evenmin is gekozen hen individueel te benoemen in de rapportage. Deze zou daarmee te omvangrijk en ingewikkeld zijn geworden. Zo is problematisch dat functionarissen van functie kunnen wisselen en tijdens de interviews voorbeelden noemen die gekoppeld kunnen worden aan meerdere rollen. Ook is gewenst dat geïnterviewde politiemensen niet herkenbaar zijn in de rapportage.