Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/172
172 Toename van de externe bestuurder en algemene vaardigheden
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369059:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Murphy & Zábojník 2004, p. 195.
Carola Frydman vindt ook bewijs voor de verschuiving van het zwaartepunt van ondernemingsspecifieke kennis naar algemene bestuurlijke vaardigheden. Zij onderzocht de verandering in het daadwerkelijke carrièrepad en opleiding van een selectie van topbestuurders gedurende de periode van 1936-2003. Zij noemt de snelle toename in MBA’s, een teruggang van bestuurders die hun gehele carrière in dienst zijn van een onderneming (het deel is omlaag gegaan van ongeveer 70% tot minder dan 50% in de jaren ’90), een afname in de gemiddelde aanstelling van een individu voordat degene de meest betaalde bestuurder wordt (van een piek van 29 jaar in de jaren ’60 naar ongeveer 24 jaar in de jaren ’90), en een toename van de gemiddelde leeftijd ten opzichte van late carrière mobiliteit. Frydman 2005.
Gabaix en Landier bouwen hierop voort met hun equilibriummodel. Gabaix & Landier 2008, p. 50; zie tevens Edmans & Gabaix 2009, p. 488.
Murphy en Zábojník poneren in hun artikel de gedachte dat de stijging in de bestuurdersbeloningen kan worden verklaard door de verschuiving van het zwaartepunt naar algemene bestuurlijke vaardigheden ten opzichte van ondernemingsspecifieke kennis voor het leiden van de moderne beursgenoteerde vennootschap.1 Zij stoelen deze gedachte op een stijgende trend van het inhuren van externe bestuurders die is ingezet in de jaren ’70.
In de jaren ’70 en ’80 kwam ongeveer 15% van de nieuwe bestuursvoorzitters in de VS van buiten de onderneming. In de jaren ’90 was dit percentage gegroeid naar ongeveer 25% en in het begin van het nieuwe millennium was het percentage ongeveer 33%. Murphy en Zábojník interpreteren deze toename als een gevolg van een verschuiving van het zwaartepunt naar de algemene bestuurlijke vaardigheden.
Volgens de beide auteurs heeft onze samenleving een dusdanige hoeveelheid kennis opgebouwd in onder meer economie, managementwetenschappen, accounting en finance, dat een bestuurder – indien hij zich van deze kennis meester maakt – substantiële vaardigheden kan opdoen die hem in staat stellen iedere moderne (beursgenoteerde) onderneming succesvol te leiden. Ieder modern ondernemingsprobleem kan door een bestuurder geanalyseerd worden en op iedere situatie kan door de bestuurder adequaat worden gereageerd, indien hij kennis heeft van deze algemene businessstrategieën, methoden en analysekaders. Daar komt volgens de auteurs bij dat de technologische ontwikkelingen ervoor hebben gezorgd dat bestuurders toegang hebben tot een ongelimiteerde hoeveelheid ondernemingsspecifieke informatie die voorheen diep verborgen lag binnen de organisatie en niet-toegankelijk was voor een bestuurder van buiten de onderneming.
Volgens Murphy en Zábojník valt de hiervoor geschetste trend samen met de toename in bezoldiging die startte in de jaren ’70. De bestuurders waren voor de komst van computers nog afhankelijk van jarenlange ervaring ‘on-the-job’. Tegenwoordig zijn zij slechts enkele toetsen verwijderd van welke informatie dan ook. Als een bestuurder de nodige informatie verzameld heeft, dan hoeft hij hierop slechts zijn opgedane algemene bestuurlijke kennis los te laten om tot de juiste oplossingen te komen. Hierdoor is de bestuurder mobieler dan ooit.2
Door de concurrentie tussen bestuurders vindt er aldus een natuurlijke verschuiving plaats en gaat de meest talentvolle en kundige bestuurder naar de grootste onderneming, de op-één-na talentvolle en kundige bestuurder naar de op-één-na grootste onderneming, etc.3