Het cassatieberoep is op 15 november 2023 partieel ingetrokken, te weten voor zover het cassatieberoep is gericht tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.
HR, 13-05-2025, nr. 22/03825
ECLI:NL:HR:2025:730
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-2025
- Zaaknummer
22/03825
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:730, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:270
ECLI:NL:PHR:2025:270, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:730
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0173
Uitspraak 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) en bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art. 285.1 Sr). 1. Verjaring verduistering (feit 1), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). 2. Verjaring bedreiging (feit 2), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Ad 1. Onder 1 tlgd. is strafbaar gesteld in art. 321 Sr. Overtreding wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren. (Absolute) verjaringstermijn beloopt o.g.v. art. 70.1.2 Sr jo. art. 72.2 Sr ten hoogste tweemaal 6 jaren (12 jaren). Tll. van feit 1 (subsidiair) houdt in dat feit (telkens) is begaan in periode van 27-9-2002 tot en met 22-9-2003. Recht tot strafvervolging voor onder 1 subsidiair tlgd. is derhalve wegens verjaring vervallen. Ad. 2. Onder 2 tlgd. is strafbaar gesteld in art. 285.1 Sr. Hierop was t.t.v. tlgd. feit gevangenisstraf gesteld van ten hoogste 2 jaren. Sinds i.w.tr. op 1-3-2022 van wet van 4-11-2021 (Stb. 2021, 544) wordt overtreding van art. 285.1 Sr bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren. O.g.v. art. 70.1.2 Sr jo. art. 72.2 Sr bedroeg (absolute) verjaringstermijn zowel onder oud als nieuw strafmaximum tweemaal 6 jaren (12 jaren). Tll. van feit 2 houdt in dat bedreiging is begaan op 18-9-2003. Recht tot strafvervolging van onder 2 tlgd. is wegens verjaring vervallen. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verduistering, bedreiging en strafoplegging, n-o verklaring OM t.a.v. verduistering en bedreiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging voor ander feit (poging tot oplichting).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03825
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 december 2006, nummer 22-000036-06, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.5.
2.3
De Hoge Raad zal wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 december 2005, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde (daaronder begrepen de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen) en de strafoplegging;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 3 bewezenverklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Verduistering (321 Sr) en bedreiging (285 Sr). Verjaring. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor de feiten 1 en 2 en tot terugwijzing naar het hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03825
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 7 december 2006 door het gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 subsidiair "verduistering, meermalen gepleegd", 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 3. “poging tot oplichting”, veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.1.
Het eerste middel
2.
2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat ter zake van de feiten 1 subsidiair en 2 het recht tot strafvervolging wegens verjaring is komen te vervallen.
2.2
Aan de verdachte is onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegd dat:
“hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2002 tot en met 22 september 2003, in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan nagenoemde perso(o)n(en),:
- [betrokkene 1] , 2223,82 euro, en/of
- [betrokkene 2] , 17334,79 euro, en/of
- [betrokkene 3] , 18000,- euro, en/of
- [betrokkene 4] , 6800,- euro, en/of
- [betrokkene 5] , 964,95 euro, en/of
- [betrokkene 6] , 9898,84 euro en/of
- [betrokkene 7] , 6539,20 euro, en/of
- [betrokkene 8] , 1666,- euro, en/of
- [betrokkene 9] , 11695,- euro, en/of
- [betrokkene 10] , 11000,- euro, en/of
- [betrokkene 11] , 8000,- euro, en/of
- [betrokkene 12] , 1920,- euro,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) verdachte als aanbetaling voor door hem uit te voeren werkzaamheden van voormelde perso(o)n(en) had ontvangen en aldus, en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2. hij op of omstreeks 18 september 2003, te [plaats] , [betrokkene 13] heeft bedreigd met enig misdrijftegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 13] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schiet een kogel door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;”
2.3
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 27 september 2002 tot en met 22 september 2003, in de gemeente [plaats] , telkens opzettelijk een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan nagenoemde persoon,:
- [betrokkene 1] en
- [betrokkene 2] en
- [betrokkene 3] en
- [betrokkene 4] en
- [betrokkene 5] en
- [betrokkene 6] en
- [betrokkene 7] en
- [betrokkene 8] en
- [betrokkene 9] en
- [betrokkene 10] en
- [betrokkene 11] en
- [betrokkene 12] ,
welke geldbedragen verdachte als aanbetaling voor door hem uit te voeren werkzaamheden van voormelde personen had ontvangen en aldus, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
hij op 18 september 2003, te [plaats] , [betrokkene 13] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 13] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik schiet een kogel door je kop”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; “
2.4
Het onder feit 1 tenlastegelegde is strafbaar gesteld in art. 321 Sr. Overtreding van dit artikel wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. De (absolute) verjaringstermijn beloopt op grond van art. 70 lid 1 aanhef en onder 2 Sr in verbinding met art. 72 lid 2 Sr ten hoogste tweemaal zes jaren (twaalf jaren). De tenlastelegging van feit 1 subsidiair houdt in dat het feit (telkens) is begaan in de periode van 27 september 2002 tot en met 22 september 2003. Het recht tot strafvervolging voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is derhalve wegens verjaring vervallen.
2.5
Het onder 2 tenlastegelegde feit is strafbaar gesteld in art. 285 lid 1 Sr. Hierop was ten tijde van de tenlastegelegde feit een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste twee jaren. Sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2022 van de wet van 4 november 2021, Stb. 2021, 544 wordt overtreding van art. 285 lid 1 Sr bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Ingevolge art. 70 lid 1 aanhef en onder 2 Sr in verbinding met art. 72 lid 2 Sr bedroeg de (absolute) verjaringstermijn zowel onder het oude als het nieuwe strafmaximum tweemaal zes jaren (twaalf jaren). De tenlastelegging van feit 2 houdt in dat de bedreiging is begaan op 18 september 2003.2.Dit betekent dat ook het recht op strafvervolging van het onder 2 tenlastegelegde wegens verjaring is vervallen.
2.6
Het eerste middel is terecht voorgesteld.
Het tweede middel
3.
3.1
Het tweede middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
3.2
Het hof heeft ten aanzien van de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 13] , P [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] geoordeeld dat zij rechtstreekse schade hebben geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde.
3.3
Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wat betreft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en het hof heeft vastgesteld dat de hierboven genoemde benadeelde partijen als gevolg van dat feit rechtstreekse schade hebben geleden, dienen ook de beslissingen op de vorderingen van die benadeelde partijen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen te worden vernietigd.3.Het tweede middel behoeft daarom geen bespreking.
Afronding
4.
4.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen kan daarmee rekening houden.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
Ik merk op dat het feit reeds voor de wijziging van het strafmaximum op 1 maart 2022 was verjaard en dat reeds voltooide verjaringen in een geval van verandering van wetgeving worden geëerbiedigd, vgl. HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998.
Vgl. art. 361 lid 2 Sv. Zie bijvoorbeeld HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357.