Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.4
2.3.4 Gangbare redeneerprocessen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schum 1994, p. 25 e.v.
Schum 1994, p. 69.
De vaststelling dat de verdachte handelde zonder toestemming is immers op basis van een inductieve redenering vastgesteld en de vaststelling draagt om die reden een probabilistisch karakter.
Kwalificatieve bestanddelen zijn wetstermen die in de tenlastelegging zijn overgenomen.
Wigmore 1937, p. 21.
De term quasi deductief redeneren heeft betrekking op de deductieve redeneringen die ten dienste staan van een primair inductieve aanpak.
Anderson, Schum & Twining 2005, p. 100. In het voornoemde voorbeeld is het aan de verdachte om deze veronderstelling te ontkrachten.
Zie Amaya 2009, p. 135-139. Anderson en collega’s zien alleen een rol weggelegd bij genereren van hypothesen, maar niet bij het selecteren (Anderson, Schum & Twining 2005, p. 99).
Amaya 2009, p. 136. We zien hier een parallel met de hierna nog te bespreken likelihood ratio, dat gaat over de waarschijnlijkheid van de bevindingen gegeven de hypothese van schuld gedeeld door de waarschijnlijkheid van bevindingen gegeven de hypothese van onschuld. Een hoge likelihood ratio van het bewijsmateriaal verhoogt de kans dat de hypothese van schuld waar is. Zie § 2.4.3.
In de Stanford Encyclopedia of Philosophy wordt het onderscheid tussen inductie en abductie als volgt toegelicht: ‘(...) the best way to distinguish between induction and abduction is this: both are ampliative, meaning that the conclusion goes beyond what is (logically) contained in the premises (which is why they are non-necessary inferences), but in abduction there is an implicit or explicit appeal to explanatory considerations, whereas in induction there is not; in induction, there is only an appeal to observed frequencies or statistics’.
Giard 2010, p. 157.
Immers, hypothese H veronderstelt dat de dader aanwezig was op de plaats delict; verdachte is niet aanwezig op de plaats delict; hypothese H wordt verworpen. Dat wil overigens niet zeggen dat de verdachte niet de dader is. Mogelijk heeft de officier van justitie niet de juiste datum ten laste gelegd en heeft het schietincident op een andere datum plaatsgevonden, maar dan vergt de hypothese aanpassing.
Bij het proces van bewijzen is een belangrijke rol weggelegd voor logisch redeneren en argumenteren. In het proces van bewijzen wordt van verschillende redeneerwijzen gebruikgemaakt. Hoewel de feitenvaststelling primair tot stand komt met behulp van een inductieve redenering, komen er ook deductieve en abductieve redeneerprocessen bij kijken. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de verschillende redeneerprocessen.
Als gezegd gaat het bij bewijzen in het strafrecht primair omeen inductieve redeneerwijze. Het gaat immers om het trekken van een conclusie uit een beperkt aantal individuele waarnemingen. Bij inductie is men snel geneigd om te denken aan enumeratieve inductie, dat verloopt volgens het patroon: de eerste zwaan is wit, de tweede zwaan is wit…., de honderdste zwaan is wit, dus alle zwanen zijn wit. Inductieve redeneerwijzen doen zich echter voor in vele variaties.1 Bij strafrechtelijk bewijzen heeft inductie de volgende vorm:
(a) De politie ontvangt een melding over geschreeuw in de woning van A en B.
(b) A wordt dood op grond aangetroffen met messteken in haar hele lichaam.
(c) B zit naast haar, houdt een bebloed mes in zijn hand en roept ‘wat heb ik gedaan?’
(d) A en B hebben geschiedenis van huiselijk geweld.
Conclusie: B heeft A van het leven beroofd.
Inducties worden ook wel aangeduid als ampliative, dat wil zeggen dat de inhoud van de conclusie verder strekt dan de inhoud van de premissen.2
Deductieve redeneerwijzen worden vooral gebruikt wanneer de vertaalslag moet worden gemaakt van de vaststelde feiten naar de algemene leerstukken van het materiële recht. De deductie neemt dan de vorm aan van een syllogisme. De majorpremisse wordt gevormd door de regel, de minorpremisse door het feit. In geval van moord ziet de (impliciete) redenering ziet er dan als volgt uit.
Hij die een ander opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven berooft, pleegt moord.
Verdachte beroofde opzettelijk en met voorbedachte rade zijn vrouw van het leven.
Verdachte pleegde moord.
De voorgaande redenering is weliswaar logisch geldig, maar de conclusie hoeft niet juist te zijn. De juistheid van de minor (dat verdachte zijn vrouw opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd) staat immers niet vast.3 Deze wijze van deductief redeneren leidt dus niet tot zekerheid. Een dergelijke wijze van redeneren wordt niet alleen gebruikt bij de vraag hoe een strafbare gedraging moet worden gekwalificeerd, maar ook bij het bewijzen van meer kwalificatieve bestanddelen van een delict.4
Deductieve redeneerwijzen zijn ook te herkennen wanneer gebruik wordt gemaakt van generalisaties of juridische veronderstellingen. Wigmore stelt in dit verband het volgende: ‘Every inductive inference is at least being transmuted into and stated in deductive form, by forcing into prominence the implied law or generalization on which it rests more or less obscurely’.5 In dat geval wordt de majorpremisse niet gevormd door een regel, maar door een generalisatie of veronderstelling. Een voorbeeld van een generalisatie die veelvuldig wordt gebruikt in drugszaken, is dat mensen plegen te weten wat er in hun koffer zit ten behoeve van de vaststelling van het opzet. De mededeling van een verdachte dat hij zijn koffer zelf heeft ingepakt, kan leiden tot de inductieve gevolgtrekking dat de verdachte wist dat hij drugs bij zich had. Er ligt impliciet ook een (quasi)deductieve redenering aan deze gevolgtrekking ten grondslag.6
Mensen die zelf hun koffer inpakken, weten wat er in hun koffer zit.
Verdachte heeft zelf zijn koffer ingepakt.
Verdachte wist wat er in zijn koffer zat.
In dit voorbeeld wordt de inductieve manier van redeneren omgezet in een quasideductieve vorm door het identificeren en articuleren van de generalisatie waarop de gevolgtrekking (dat verdachte wist wat er in zijn koffer zat) berust. 7
Een redeneervorm verwant aan inductie en die tevens in het strafproces een rol speelt, is abductie dat door sommigen ook wel wordt aangeduid als inference to the best explanation. Bij abductie gaat het om het genereren en toetsen van hypothesen over wat er is gebeurd aan de hand van gedane waarnemingen. Dit speelt vooral een rol in het opsporingsonderzoek waar men aan de hand van de bekende feiten verschillende scenario’s moet bedenken en onderzoeken. Abductie kan echter niet alleen worden gebruikt in het onderzoek, maar ook bij de beslissing zelf.8 Een abductieve redeneerwijze kan uitkomst bieden wanneer voor de beschikbare feiten verschillende verklaringen mogelijk zijn en een inductief redeneerproces alleen geen soelaas biedt. In dat geval wordt de meest waarschijnlijke verklarende hypothese aangenomen. De redeneerwijze is als volgt.
Fi … Fn zijn feiten die een verklaring behoeven.
Hypothese H verklaart feiten Fi… Fn.
Geen van de beschikbare concurrerende hypothesen verklaart de feiten Fi… Fn zo goed als H.
Daarom is H waarschijnlijk waar.9
Net als bij een inductie valt geen zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de verklarende hypothese, maar deze wordt op grond van zijn (mate van) waarschijnlijkheid als waar aangenomen.10 In een abductief redeneerproces wordt hypothese H verworpen zodra is vastgesteld dat concurrerende hypothese B een betere verklaring biedt voor de beschikbare feiten. Bij het gebruik van een dergelijke redeneerwijze is het van belang om te beschikken over criteria die een gefundeerde keuze tussen verschillende hypothesen mogelijk maken.11 Bij de keuze van de meest waarschijnlijke verklaring speelt coherentie een belangrijke rol. Volgens de theorie van het coherentisme kan een keuze voor een bepaalde verklaring/lezing gerechtvaardigd zijn wanneer deze coherent is met het geheel aan de voorhanden zijnde kennis. Coherentie speelt een belangrijke rol in de hierna nog uiteen te zetten narratieve theorie over bewijs.
Hiervoor is aangegeven dat een positieve bewijsbeslissing, dat wil zeggen het aannemen van de hypothese neergelegd in de tenlastelegging, niet mogelijk is louter via deductieve redenering. Het proces als geheel is immers inductief dan wel abductief, waarbij soms gebruik wordt gemaakt van (quasi)deductieve redeneringen. Echter, een deductieve redenering kan wel worden gebruikt om een bepaalde hypothese of lezing te verwerpen. De hypothese neergelegd in de tenlastelegging kan op deze manier worden gefalsificeerd. Falsificatie is mogelijk indien een feit als vaststaand kan worden aangenomen dat de in de tenlastelegging verwoorde hypothese ontkracht. Stel, de officier van justitie neemt in de tenlastelegging op dat de verdachte op 1 maart 2011 in Leiden een moord heeft gepleegd door eigenhandig het slachtoffer met een pistool door het hoofd te schieten. Op het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in kwestie op die dag een sluitend alibi heeft inhoudende dat hij zich op de bewuste datum voor een congres in Nieuw-Zeeland bevond. In dat geval zal de rechter de verdachte vrijspreken. Deze vrijspraak berust op een deductieve redenering, waarmee de hypothese neergelegd in deze tenlastelegging wordt gefalsificeerd.12
Op de Nederlandse strafvorderlijke praktijk, daarmee vooruitlopend op het tweede deel van dit onderzoek, bestaat de kritiek dat het onderzoek en de daarmee samenhangende redeneerprocessen te weinig zijn gericht op het falsificeren van de door de officier van justitie aangedragen hypothese, maar vooral verificatoir van aard zijn. Een verificatoir redeneerproces verloopt langs de volgende lijnen.
Hypothese H biedt verklaring voor feiten Fi…Fn.
De feiten Fi en Fn kunnen worden vastgesteld (of juist niet).
Hypothese H is waar (of wordt verworpen).
Bij een dergelijke werkwijze wordt de hypothese uit de tenlastelegging slechts getoetst aan de hand van de in het dossier beschikbare gegevens in plaats van dat de rechter zich richt op falsificatie van de tenlastelegging. Het manco van een dergelijke redeneerwijze is daarin gelegen dat het feit dat de betrouwbaarheid van feiten Fi en Fn kan worden vastgesteld, geen zekerheid biedt over de juistheid van hypothese H. Er kunnen immers ook alternatieve - en wellicht betere - verklaringen zijn voor het aantreffen van deze feiten. Wanneer verschillende verklaringen voor het aantreffen van bepaald bewijsmateriaal met elkaar concurreren, kan een verificatoir redeneerproces dan ook geen uitsluitsel bieden. Op deze problematiek die inherent lijkt te zijn aan het Nederlandse stelsel, wordt in § 9.7.2.4 nader ingegaan.