Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.2.3:8.2.3 Maatschappelijke factoren: media-aandacht en ‘maatschappelijk debat’
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.2.3
8.2.3 Maatschappelijke factoren: media-aandacht en ‘maatschappelijk debat’
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200817:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op basis hiervan wordt ook door een officier de vraag gesteld ‘of wat sommigen heel hard schreeuwen ook breder leeft in de samenleving’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze subparagraaf wordt ingegaan op factoren die officieren van justitie en rechters van buitenaf ervaren. Met politiemensen is hierover niet of nauwelijks gesproken tijdens de interviews, maar zoals zal blijken gaat het om factoren die waarschijnlijk op alle drie onderzochte instituties van invloed zijn en zo verklaringen kunnen bieden voor overeenkomstige opvattingen. De volgende externe factoren kwamen uit de interviews met officieren van justitie en rechters naar voren. Ten eerste, de grote maatschappelijke belangstelling voor de strafrechtspleging en ten tweede de grote rol van de massamedia bij het naar voren brengen van de ‘publieke opinie’ over strafrecht.
Hoewel het maatschappelijk debat over de strafrechtspleging nogal breed is en daardoor lastig te interpreteren, speelt dit volgens officieren van justitie en rechters een belangrijke rol in de manier waarop ze zelf naar het strafrecht kijken. Zo zeggen officieren van justitie regelmatig hiermee rekening te houden: ‘Vanuit de samenleving wordt er wel wat geroepen. Daar zijn wij niet blind voor en daar is de rechtbank niet blind voor. Je ziet dat [officieren] hoger gaan eisen en uiteindelijk volgt de rechtbank.’ Een externe factor die in het verlengde hiervan ligt is de grote hoeveelheid aandacht die de media aan de strafrechtspleging geven. Mede als gevolg daarvan wil het OM volgens officieren van justitie het beeld vermijden dat er een ‘kloof’ is met de bevolking, die volgens hen net als de slachtoffers in een deel van de zaken, hogere straffen zou wensen dan er worden opgelegd: ‘een vorm van angst’ binnen de OM-leiding, volgens een officier:
‘Als er mogelijk een artikel komt over jouw zaak, wil je leidinggevende dat weten. Zodat die ook weer zijn leidinggevende kan inlichten. Daarbij wordt erop gelet dat je beslissingen neemt waar zij zich achter kunnen scharen. Als een jongen overlijdt ten gevolge van een misdrijf en jij gaat niet voorgeleiden, is dat een gevoelige beslissing. Dat moet je aanvoelen, dat je dat aan je leidinggevende laat weten. Dat besprak je vroeger ook wel, maar dat zie je steeds meer. In Den Haag gooide iemand iets naar de officier omdat zijn zoontje was doodgereden bij een ongeluk, de zaak (…). Alle kranten schrijven erover. Daar is dan binnen de organisatie meer aandacht voor. Wat doe je bij [incidenten] in het verkeer met de straf?’
Ook volgens rechters heeft mediaverslaggeving over de strafrechtspleging invloed op hoe daar intern tegenaan wordt gekeken. Mogelijk tegen de verwachting in heerst onder hen niet de rotsvaste overtuiging dat ze daar zelf boven staan of niet afhankelijk van zijn. Eerder is hun overtuiging dat de strafrechtspleging onderdeel vormt van de maatschappij en daarin ‘meebeweegt’ richting een hardere strafrechtelijke aanpak van criminaliteit. Veel rechters noemen het belangrijk te reageren op onbegrip en onbehagen over het strafrecht.
Rechters constateren vaak met instemming dat er tegenwoordig meer specifieke aandacht uitgaat naar de begrijpelijkheid van stafrechtelijke vonnissen en aan perswoordvoering. Soms wordt een speciaal ‘voorleesvonnis’ gemaakt. Daarbij willen rechters door de (toegenomen) media-aandacht in hun werk meer rekening houden met het imago van de rechtspraak in de media (overeenkomstig de situatie bij het OM). Ook ervaren rechters soms druk van de aanwezigheid van media in de rechtszaal. Op de achtergrond ervaren zij daarbij het eerder genoemde ‘maatschappelijk debat’ over straffen en de strafrechtspraak. Net zoals bij het OM het geval is, lijkt hierdoor het voorkomen van negatieve beeldvorming voor rechters een belangrijk doel geworden:
‘De rol van de pers speelt voor mij mee merk ik. Wanneer er geen verdachte verschenen is of de verdachte praat zelf niet, dan kan ik de zaak heel snel afdoen. Dan is het een formaliteit bijna. Maar aanwezigheid van de pers maakt toch dat ik dingen ga voorhouden uit het dossier, over wat de toedracht is geweest, ga bespreken, ga uitleggen. De pers heeft invloed op wat ik doe in de zittingszaal. Als er gefilmd wordt heeft dat ook invloed. Dan ben ik alerter op hoe ik erbij zit, hoe ik kijk, ben ik ook minder impulsief. Dat weet ik. Dat maakt dat ik geen voorstander ben van filmen of opnames maken in de zittingszaal, want ik mis een stuk spontaniteit die ik zelf heel belangrijk vind voor mijn werk. Als er een schoolklas in de zaal zit ben ik ook wel iets anders, dan wil ik ook nog weleens een beetje meer op de moraal gaan zitten, afhankelijk van de leeftijd van de groep. Alles heeft invloed op hoe ik optreed. Maar de strafmaat komt vaak tot stand in de raadkamer, daar zit geen pers bij. In de uitkomsten zie je dat er opeens probleemloos dertig jaar opgelegd wordt, waar we dat twee jaar geleden nog met tien of twaalf jaar afdeden. Het kan ook zijn dat dit het maatschappelijk debat is.’
‘Aandacht van de media leidt tot een andere manier van motiveren. Daar is veel aandacht voor [binnen de rechtspraak]. We maken een voorleesvonnis voor de media, bij wijze van spreken. Ik hou er bij de motivering ook rekening mee. Vroeger motiveerde je met name voor de verdachte en de officier van justitie. Maar nu ga je ook een motivering geven voor de samenleving. Niet zo slecht, het kost extra tijd, maar het is wel een effect. Meer aandacht voor het slachtoffer is een effect en natuurlijk de hogere straffen.’
Hoewel deze externe invloeden van maatschappelijk debat en media-aandacht vrij sterk lijken te zijn, moet ook worden vermeld dat zowel door officieren van justitie als rechters de discussie over de opgelegde straffen wordt gerelativeerd, op basis van gegevens over opvattingen van burgers en over het feitelijke functioneren van het strafrecht. Zo heeft een officier de nodige informatie beschikbaar op zijn smartphone (om bijvoorbeeld tijdens een feestje in de privésituatie) te kunnen tonen dat Nederland in vergelijking met het buitenland géén mild strafklimaat kent. Een rechter vertelt privé regelmatig in aanraking te komen met onbegrip over wat de rechtspraak doet. Zij zegt daar dan tegenin te brengen wat zij weet uit onderzoek over het relatief hoge vertrouwen in de rechtspraak en dat burgers steeds meer als een rechter oordelen over straffen naarmate zij meer informatie over strafzaken hebben (vgl. De Keijser, Van Koppen & Elffers, 2006).1
‘Ik merk bijvoorbeeld dat bodes en parketpolitie zich weleens laten ontglippen dat ze niet begrijpen wat rechters doen. “Dat hij maar zo weinig straf kreeg” of “die is nu een vrij man, ik snap het al lang niet meer”, zeggen ze dan bijvoorbeeld. Verder valt het wel mee. Maar ik weet het natuurlijk wel [dat er kritische opvattingen zijn] en ik lees het in de krant en op nu.nl en [bij de lokale omroep] Ik zie ook weleens de reacties onder nieuwsberichten op internet. Maar uit andere bronnen, onderzoek, weet ik ook dat we helemaal niet soft straffen en ik weet ook dat als je mensen die het soft vinden een dossier geeft, ze het nog milder beoordelen dan ik. Ik ga er wel op mijn eigen manier mee om, maar vind dat geloofwaardig blijven een belangrijk aspect is van onze functie. De discussie daarover gaat alle kanten op. Het vertrouwen is relatief hoog en het neemt maar een beetje af.’
Niet alleen de strafrechtelijk opgelegde sancties zijn onderwerp van maatschappelijk debat, er is ook volop discussie over de kwaliteit van opsporing en strafrechtspleging (zie hoofdstuk 1). Voor veel strafrechtelijke functionarissen vormen de gerechtelijke dwalingen die in de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen een belangrijk onderwerp dat ook invloed heeft op de manier waarop ze zelf naar het strafrecht kijken. Een officier van justitie:
‘Bij TGO’s is het scenariodenken heel sterk geworden. Soms zeggen we, als we zo doorgaan komen we er nooit en kiezen we na een paar weken een kant. Hoe had het kunnen zijn en wat zijn de motieven? Als je alles onderzoekt in tien scenario’s die je hebt bedacht, moet je na enige tijd wel een scenario kiezen waarvan jij zegt, dit is wat ons betreft het meest waarschijnlijke. Daar ga je dan onderzoek naar doen. Dat zit er meer in dan vroeger, een grondhouding die ook wel bij eenvoudigere misdrijven meer doordringt.’
De rechtsbeschermende functie van het strafrecht lijkt meer op de voorgrond te zijn gekomen als gevolg van gerechtelijke dwalingen. Tegelijkertijd wordt (ook binnen de onderzochte groepen) verschillend aangekeken tegen de betekenis die aan enkele (incidentele) gevallen moet worden gehecht en is het uiteindelijk lastig hierover conclusies te trekken. Een overweging die men bijvoorbeeld heeft is dat het strafrechtsysteem in Nederland van zeer goede kwaliteit zou zijn in vergelijking met andere landen. Ook pragmatische overwegingen lijken een rol te spelen.
Zowel binnen politie, OM als rechtspraak is het lastig gebleken om volledig invulling te geven aan het streven naar kwaliteitsverbetering. In lijn hiermee wordt tijdens interviews met regelmaat meegedeeld dat werkwijzen grotendeels hetzelfde zijn gebleven en ook dat eerdere initiatieven tot kwaliteitsverbetering soms weer zijn afgeschaft (vgl. Salet, 2016). Een officier van justitie:
‘De kwaliteitsofficier is er nog wel, maar die is veel minder beschikbaar om binnen te lopen en advies te vragen. Dat is qua uren grotendeels weer teruggedraaid. Bij de Schiedammer Parkmoord, een TGO, daar is gezegd: start je met een dergelijk onderzoek, dan moet je in de eerste week compleet vrij geroosterd worden, want die tijd moet je hebben om direct met het politieteam aan de slag te gaan. Die fase is gewoon het belangrijkste. Daar komt natuurlijk niks meer van terecht. Je mag blij zijn als je zo’n onderzoek krijgt, dat doen we allemaal graag. Het zijn de meest uitdagende onderzoeken, maar je moet zelf maar zien hoe je het organiseert met je zittingen en de rest van je agenda. Dat gaat over kwaliteit. Eerder is gezegd dat in dergelijke onderzoeken je altijd een tegenspreker moet hebben. Sinds ik TGO’s doe heb ik nog nooit een tegenspreker gehad. Want dat was niet in te roosteren, daarvoor was de werkdruk bij iedereen te groot. (...) Op cursussen wordt enorm bezuinigd. In het begin mocht je echt alles doen en nu zijn dat twee dagen per jaar, ongeacht wat je tegenkomt in je onderzoek. Forensische kennis is iets waar je echt in moet investeren vind ik. Er is minder ondersteuning van secretarissen, dat maakt ook wel uit. Nu sta je zelf weer ontbrekende stukken te kopiëren en in te scannen en te verspreiden, zodat iedereen alles heeft bij de zitting. Secretarissen komen minder toe aan het uitspitten van juridische onderwerpen, aan sparren over een zaak. Ook daar is steeds minder gelegenheid voor.’